41.               CVZ geeft ten onrechte aan dat of een AOW-gerechtigde al dan niet gebruik maakt van zijn recht op ziektekostenverzekering irrelevant is voor de vraag of hij bijdrageplichtig is, aangezien de bijdrage volgens CVZ is gebaseerd op solidariteit. Dat laatste is dus niet het geval. Zoals reeds aangegeven laat artikel 33 van Verordening 1408/71 Nederland slechts onder de daar genoemde voorwaarden, het recht om te heffen. En dat is wel een dwingende regel, waarvan niet kan worden afgeweken.

 

Overigens is het woord "solidariteit" hier misplaatst, aangezien elke (verticale) solidariteit met buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden ontbreekt in de Zvw. Doordat de bijdrage wordt gerelateerd aan de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan de gehele bevolking[3], is de bijdrage in veel gevallen hoger dan het bedrag dat Nederland onder de Verordening moet afdragen aan het woonland. Terwijl kosten van verstrekkingen aan 65+-ers uit solidariteitsoverwegingen juist in belangrijke mate door jongeren (moeten) worden opgebracht, maakt Nederland zelfs "winst" op in het buitenland wonende gepensioneerden. Met "solidariteit heeft dat niets te maken.

 

42.               Nu er geen verplichting bestaat tot inschrijving met een E-121 formulier –, hetgeen ook is erkend door de Minister van VWS –, is CVZ ten onrechte tot de conclusie gekomen dat Appelant Verdragsgerechtigde is en bijdrageplichtig.

 

43.               CVZ heeft het keuzerecht miskend door voordat Appellant zich überhaupt had ingeschreven / had kunnen inschrijven, reeds bij toezending van het E-121 formulier Appellant als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige aan te merken. Derhalve dient het Besluit te worden vernietigd.

 


 
V.a.3    Situatie voor 1 januari 2006 bevestigt het bestaan van het keuzerecht

 

Verzekering van ziektekosten: ziekenfonds en particuliere verzekering

 

44.               Illustratief voor het bestaan van een keuzerecht is de manier waarop de regelgeving voor particulier verzekerde buiten Nederland wonende AOW-gerechtigden voor 1 januari 2006 van verdragsgerechtigdheid uitsloot. Een belangrijk deel van de gemigreerde AOW-gerechtigden was niet onderworpen aan de Nederlandse sociale ziektewetgeving vastgelegd in de Ziekenfondswet ("Zfw"). Slechts voor gemigreerde ziekenfondsverzekerde AOW-gerechtigden gold het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 al voor 1 januari 2006.

 

45.               De socialezekerheidspositie van gemigreerde particulier verzekerde AOW-gerechtigden in het woonland kon van geval tot geval sterk uiteenlopen. In de meeste gevallen waren migrerende gepensio­neerden evenmin verzekerd ingevolge het socialezekerheidsstelsel van hun woonland (namelijk in de landen die werknemersverzekeringsstelsels kennen). Voorbeelden zijn België en Frankrijk. Sommige landen kennen een recht op verstrekkingen voor alle ingezetenen die worden gefinancierd uit de algemene middelen (dat wil zeggen een volksverzekering zonder premieplicht). De belangrijkste voorbeelden zijn het Verenigd Koninkrijk, Zweden en een groot aantal comunidades in Spanje. Weer andere landen voorzien in een verplichte verze­kering met premieplicht voor ingezetenen (dit geldt voor sommige Spaanse comunidades).

 

46.               In de grote meerderheid van de gevallen waren in het buitenland wonende pensioengerechtigden tot 1 januari 2006 particulier verzekerd, al dan niet in aanvul­ling op aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van het woonland. Dit hangt mede samen met het feit dat de kwaliteit van en de vergoedingen voor verstrek­kingen ingevolge de socialezekerheidsregelingen van de woonlanden pleegt achter te blijven bij datgene wat onder Nederlandse verzekeringen placht/pleegt te worden geboden.

 

In tegenstelling tot de in Nederland geboden dekking van ziektekosten hebben gepensioneerden onder het Spaanse ziektekostenstelsel geen volledig vrije artsenkeuze, in het geheel geen vrije ziekenhuiskeuze; onder het Belgische stelsel dienen verzekerden substantiële inkomensafhankelijke eigen bijdragen te betalen, die kunnen oplopen tot duizenden euro's per jaar en kosten van ziekenhuisopnamen worden voor niet meer dan 60 tot 70% vergoed; in Frankrijk is dit niet anders.]

 

47.               Door Appellant aan te merken als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtig miskent CVZ volledig dat Appellant tot 1 januari 2006 als particulier verze­kerde AOW-gerechtigde placht te beschikken over een verzekeringsdekking die een zeer veel uitgebreidere dekking verschafte dan de basisvoorzieningen in het woonland. CVZ kiest er bewust voor deze gepensioneerden terug te werpen op het basisniveau van de sociale zekerheid in het woonland in "ruil" voor een zeer hoge verplichte bijdrage aan de (Nederlandse) Staat, en met verlies van de zekerheid van de bestaande particuliere dekking door hen als Verdragsgerechtigde aan te merken. Het aanmerken door het CVZ als Verdragsgerechtigde doet afbreuk aan de verzekeringspositie van de buiten Nederland wonende pensioengerechtigde.

         

48.               Voor pensioengerechtigden is voorts van belang dat zij in geval van grote ingrepen desgewenst kunnen terugvallen op artsen en ziekenhuizen uit hun land van herkomst, mede vanwege lopende behandelingen die zijn gecontinueerd na emigratie, aanwezigheid van familie na of tijdens de behandeling, de mogelijke taalproblemen, etc. De particuliere verze­keringen voorzien in dekking van dergelijke verstrekkingen.

 

49.               De betreffende AOW-gerechtigden waren in de meeste gevallen aangeslo­ten bij een Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering. Veelal hadden zij hun binnenlandse verzekering op enigszins aangepaste condities gecontinu­eerd nadat zij Nederland metterwoon hadden verlaten. De poliskosten waren in de regel ook niet noemenswaardig hoger dan die voor aangeslotenen met een "binnenlanddekking". Voor tal van gepensioneerden gold voorts dat zij na hun pensionering aangesloten waren gebleven bij de collectieve particuliere ziekte­kostenregeling van hun voormalige werkgever. Hun pensionering leidde niet tot wijziging van de verzekeringsdekking of van de verschuldigde premie.

 

50.               Tot slot: particuliere ziektekostenverzekeraars plachten ten behoeve van buiten Nederland wonende verzekerden onder meer contracten af te sluiten met artsen ter plaatse die de Nederlandse taal machtig waren, teneinde aldus deze verzekerden in staat te stellen in hun woonland te worden geholpen door Nederlandstalige artsen conform de in Nederland vigerende standaarden. Ook dat komt te vervallen door het feit dat Appellant door het CVZ is aangemerkt als Verdragsgerechtigde en de daaropvolgende opzegging van zijn particuliere verzekering.

 

            Verzekering van zorgkosten onder de AWBZ: bewuste uitsluiting door Nederland

 

51.               Waar in Nederland in het sociale ziektekostenstelsel onderscheid werd gemaakt tussen ziekenfonds en particuliere verzekeringen, werd in het sociale zorgkostenstelsel in de vorm van AWBZ een dergelijk onderscheid niet gemaakt. In beginsel waren Nederlandse ingezetenen AWBZ-verzekerd, ongeacht of zij ziekenfonds of particulier waren verzekerd. De hoofdregel / het systeem van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zou er dan voor hebben gezorgd dat een buiten Nederland wonende particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigde was geweest. Immers, had hij in Nederland gewoond, dan was hij AWBZ-verzekerd geweest en dus voldoet hij aan de criteria gesteld in artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 en heeft hij het recht aanspraak te maken op het woonlandpakket (althans in ieder geval voor de verstrekking van zorg - daargelaten dat die ver­strekkingen naar het nationale recht van het woonland in de meeste landen inexistent zijn of niets voorstellen).

 

52.               Nederland had echter een uitzondering doen laten opnemen die inbreuk maakt op de hoofdregel van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71, door in Bijlage VI van Verordening 1408/71 (nationale toepassingsmodaliteiten) de navolgende passage te laten opnemen:

 

"1 ziektekosten
a) wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving, wordt voor de toepassing van hoofdstuk 1 van Titel III [lees: artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71] onder rechthebbende op verstrekkingen verstaan degene die verzekerd dan wel medeverzekerd is krachtens de in de Ziekenfondswet geregelde verzekering".

 

53.               Door in Bijlage VI voorgaande bepaling op te nemen, werden artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 voor particulier verzekerde AOW-gerechtigden buitenwerking gesteld. Daardoor konden zij geen enkel recht konden ontlenen, hoewel zij daar op grond van het volksverzekeringskarakter van de AWBZ - althans voor wat betreft AWBZ-achtige verstrekkingen - in beginsel wel aanspraak op zouden kunnen maken.

 

54.               Het feit dat Nederland tot 1 januari 2006 via de band van Bijlage VI bij Veror­dening 1408/71 particulier verzekerden van het recht op AWBZ-achtige ver­strekkingen in het woonland heeft uitgesloten doet eens te meer de vraag rijzen waarom het CVZ diezelfde gepensioneerden vanaf 1 januari 2006 opeens dwingt om op diezelfde verstrekkingen in het woonland aanspraak te maken en hen niet het keuzerecht te laten.

 

55.               De door Nederland tot 1 januari 2006 gehanteerde regeling onderstreept de ongeloofwaardigheid van het thans door het CVZ ingenomen standpunt dat migrerende gepensioneerden binnen het systeem van Verordening 1408/71 te allen tijde gedwongen zouden zijn zich te onder­werpen aan het verstrekkingenregime van het woonland en miskent het keuzerecht. Immers het valt niet in te zien waarom dit recht tot 1 januari 2006 via een speciale uitzonderingsbepaling voor wat betreft de AWBZ aan Nederlandse particulier verzekerde gepen­sioneerden heeft onthouden.

 

56.               Het feit dat tot 1 januari 2006 aan een particulier verzekerde AOW-gerechtigde het recht op verstrekking van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 heeft onthouden, onderstreept eens te meer dat in die bepalingen een keuzerecht besloten moet liggen. Het keuzerecht is noodzakelijk om migre­rende gepensioneerden in staat te stellen zich aan de evidente nadelen van het in casu door de Nederlandse wetgever speciaal voor hen ontworpen dwangbuismodel te onttrekken.

 

V.a.4    Aanwijsregels van Titel II voorzien in opt-out mogelijkheid specifiek voor gepensioneerde werknemers in woonland

 

57.               Titel II van Verordening 1408/71 bevat in artikel 17bis een uitzonderingsbepaling op het stelsel van dwingende aanwijsregels, die specifiek is bedoeld voor gepensioneerde werknemers. De betreffende bepaling luidt als volgt:

 

"Degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een Lid-Staat of op pensioenen of renten krachtens de wettelijke regelingen van verscheidene Lid-Staten en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van deze laatste Lid-Staat mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen."

 

58.               Ingevolge deze bepaling kan de gerechtigde tot een Nederlands pensioen op diens verzoek worden vrijgesteld van aansluiting bij het socialezekerheids­stelsel van zijn woonland (met inbegrip van de sociale zekerheidsregeling inzake ziektekosten). Deze bepaling is met name relevant voor gepensio­neerden die in het woonland naar het recht van dat land verplicht aangesloten zijn bij takken van sociale zekerheid. De betreffende gepensioneerden hebben een ongeclausuleerd recht[4] om desgevraagd van aansluiting bij de sociale zekerheid te worden vrijgesteld. De betreffende bepaling in de Verordening maakt geen onderscheid al naar gelang tevens sprake is van aansluiting bij de sociale zekerheid van het woonland noch naar gelang al dan niet sprake is van premieplichtigheid in het woonland. De Verordening laat onmiskenbaar de mogelijkheid open dat de pensioengerechtigde ervoor kan kiezen nergens (noch in het woonland noch in het pensioenland) verzekerd te zijn.

 

59.               Ingevolge artikel 17bis staat het gepensioneerden in bijvoorbeeld Spanje vrij om op verzoek te worden vrijgesteld van aansluiting bij de socialezekerheids­regelingen inzake ziektekosten, zowel in de comunidades die een premieplicht kennen als in de comunidades die geen premieplicht kennen. Gepensioneerden die een dergelijk verzoek indienen, vallen niet langer binnen het bereik van artikel 28bis van de Verordening, maar zouden automatisch binnen het bereik van artikel 28 komen. Er kan – uiteraard – geen sprake van zijn dat het wils­recht dat in artikel 17bis besloten ligt doorkruist zou kunnen worden door een automatische indirecte aansluiting bij de wetgeving van het woonland uit hoofde van artikel 28 van Verordening 1408/71.

 

Overigens meent Appellant dat indiening van een verzoek ex artikel 17bis strikt genomen niet nodig is om de toepassing van het regime van artikel 28bis te vermijden: het afzien van registratie ex artikel 29 van Verorde­ning 574/72 zou voldoende moeten zijn. Hoe dit zij: geen verdragsge­rechtigde kan via de toepassing van de artikelen 28 en 28bis gedwongen worden een recht geldend te maken waarvan hij op grond van artikel 17bis nu juist afstand moet kunnen doen.

 

60.               Het is evident dat ook in die gevallen waarin artikel 17bis buiten beeld blijft omdat een migrerende pensioengerechtigde in zijn woonland naar nationaal recht niet is aangesloten bij de socialezekerheidswetgeving, niet via de achterdeur van artikel 28 een indirecte aansluitplicht kan worden geconstrueerd.

 

61.               Het is evenzeer evident dat het enkele feit dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 mee­brengen dat door de ziekenkas van het woonland te verlenen verstrekkingen voor rekening komen van het pensioenland, geen enkele grond biedt om de migrerende pensioengerechtigde het hem toekomende wilsrecht jegens diens woonland te ontnemen.

 

62.               Het doel van de artikelen 28 en 28bis – evenals van artikel 17 bis - is het vrije verkeer van werknemers te bevorderen, niet om pensioenlanden een middel te geven om verplichte bijdragen te heffen van pensioengerechtigden door hen te dwingen zich aan te sluiten bij de sociale ziektekostenregeling van het woonland.

 

V.a.5    Bevestiging in communautaire jurisprudentie van het wilsrecht in de context van artikel 28 van Verordening 1408/71

         

63.               Dat sprake is van een wilsrecht van de migrerende (gepensioneerde) werkne­mer in de context van artikel 28 van Verordening 1408/71 is uitdrukkelijk onder­schreven door advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in diens conclusie in zaak C-156/01, Van der Duin.[5] In paragraaf 26 van zijn conclusie overweegt hij dat de verantwoor­delijkheid voor het verstrekken van medische prestaties niet automatisch wordt overgeheveld naar de ziekenkas van de woonplaats: "de overdracht geschiedt niet door de loutere verandering van woonplaats, maar vereist, om effectief te zijn, een wilsuiting van de betrokkene." Met andere woorden: het mechanisme van artikel 28 treedt slechts in werking na een daartoe strekkende wilsuiting van de pensioengerechtigde.

 

64.               Ook het Hof van Justitie merkt in zijn arrest in die zaak op dat de regeling van artikel 28 van Verordening 1408/71 eerst toepassing krijgt "wanneer de rechthebbenden op een pensioen of rente en de leden van hun gezin bij het orgaan van de woonplaats zijn ingeschreven".[6] Van een aansluiting van rechtswege bij het stelsel van het woonland is derhalve geen sprake.

 


 
65.               Van der Duin was een Nederlandse gepensioneerde met een AOW-pensioen, die in Frankrijk woonde, maar verzekerd was krachtens de Zfw. Door zich te laten inschrijven bij het ziekenfonds in Frankrijk verkreeg hij recht op verstrekkingen in Frankrijk, maar verloor hij het recht op verstrekkingen onder de Zfw. De premieplicht ingevolge de Zfw bleef doorlopen: Nederland gebruikte op basis van artikel 33 van Verordening 1408/71 de Zfw-premie teneinde de betalingen ex artikel 95 van Verordening 574/72 aan de Franse ziekenkas te financieren. Niet valt in te zien dat het door de advocaat-generaal onderkende wilsrecht met ingang van 1 januari 2006 zou zijn komen te vervallen - respectievelijk dat de relevante Verordeningsbepalingen anders zouden moeten worden geïnterpreteerd - vanwege het enkele feit dat Nederlandse gepensioneerden in het buitenland van de aansluiting bij de Zvw zijn uitgesloten (wat betekent dat Van der Duin geen keuze meer heeft tussen het Franse en het Nederlandse stelsel, maar tussen het Franse stelsel en géén aansluiting).

 

66.               De casus Van der Duin dateert van vóór de invoering van de Zvw. Onder de Zfw had Van der Duin de keuze tussen daadwerkelijke verzekering krachtens de Zfw in Nederland en recht op verstrekkingen in het woonland cum bijdrageplicht. Met de invoering van de Zvw is de eerste keuzemogelijkheid vervallen, doordat de Zvw - in tegenstelling tot de Zfw - niet-ingezetenen categorisch van de verzekering uitsluit. Daarmee verandert de mogelijkheid van keuze tussen het regime van het woonland en het regime van het pensioenland in de mogelijkheid van keuze tussen het regime van het woonland en géén wettelijke sociale verzekering. Deze wijziging is echter uitsluitend het gevolg van de keuze van de Nederlandse wetgever om de toepassingssfeer van de Zvw (anders dan voorheen de Zfw) te beperken tot ingezetenen. Deze eenzijdige keuze van de Nederlandse wetgever mag personen in de positie van Van der Duin (resp. Appellant, die zich sedert 1 januari 2006 in dezelfde situatie bevindt als Van der Duin), niet het voorheen door het Gemeenschapsrecht verleende keuzerecht ontnemen, resp. niet leiden tot een andere uitleg van de (ongewijzigde) relevante regels van Gemeenschapsrecht.

 

V.a.6    Erkenning in de communautaire jurisprudentie van het wilsrecht van migrerende werknemers in de context van Titel III van Verordening 1408/71

 

67.               De centrale rol van het wilsrecht van de migrerende werknemers in de context van Titel III van Verordening 1408/71 is reeds eerder door het Hof van Justitie expliciet bevestigd. In het oog springt het arrest in zaak C-117/89, Kracht.[7] Het arrest heeft betrekking op de uitleg van artikel 76 van Verordening 1408/71 dat ziet op prioriteitsregels bij de cumulatie van rechten op gezinsbijslagen uit hoofde van verschillende nationale wetgevingen. Artikel 76 bepaalt – kort samengevat - dat het recht op uitkeringen krachtens de wetgeving van het werkland van de ouder wordt geschorst wanneer en voorzover overeenkom­stige gezinsbijdragen onder wetgeving van het woonland van het betreffende kind worden toegekend. Het Hof van Justitie had in eerdere arresten geoor­deeld dat deze schorsing enkel van kracht werd wanneer aan alle voorwaarden voor de daadwerkelijke toekenning van de gezinsbijlagen in het woonland van het kind was voldaan "daaronder begrepen de voorwaarde dat een aanvraag om toekenning is ingediend."[8] In de zaak Kracht verzocht de verwijzende Duitse rechter – daarbij ondersteund door de Duitse regering - het Hof van Justitie expliciet de eerdere arresten in heroverweging te nemen met als redengeving "dat artikel 76 van Verordening 1408/71 een dwingende priori­teitsregel is, die niet door een wilsverklaring van de rechthebbende buiten toe­passing kan worden gesteld." Het Hof van Justitie wees dit verzoek resoluut af met de volgende overwegingen:[9]

 

"Het Hof kan zich bij deze zienswijze niet aansluiten. Zoals het Hof bij herhaling heeft beslist, is het doel van artikel [39 EG-Verdrag], namelijk de totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers, bepalend voor de uitlegging van de verordeningen die de Raad inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers heeft vastgesteld. De uitlegging van artikel 76 in eerdergenoemde arresten is met dat doel in overeenstemming.

            Volgens de uitlegging van het Hof heeft artikel 76 immers tot doel, de mogelijk­heid van cumulatie van bijslagen te beperken. Zo gezien, is artikel 76 een aanvulling op artikel 73 van Verordening 1408/71, dat het voor migrerende werknemers gemakkelijker moet maken kinderbijslagen te ontvangen in hun land van tewerkstelling, wanneer hun gezin zich niet ook in dat land heeft gevestigd.

            Zou de betrokken bepaling daarentegen, zoals de Bondsregering meent, als een dwingende prioriteitsregel moeten worden gezien, dan zou zij leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de migrerende werknemer dankzij artikel 73 beschikt."

 

68.               De strekking van het arrest van het Hof is duidelijk: Verordening 1408/71 heeft ten doel het vrij verkeer van werknemers te bevorderen. Verordening 1408/71 heeft niet ten doel migrerende werknemers tot het claimen van aanspraken uit hoofde van de Verordening te dwingen wanneer dezen daarop om hen move­rende redenen geen aanspraak wensen te maken.

 

V.a.7    Erkenning wilsrecht in kader toepassing artikelen 28 en 28bis noodzakelijk in het licht van het vrij verkeer van werknemers

 

69.               Doordat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 voorzien in gelijktijdige toepassing van de wet­geving van twee lidstaten – de ene lidstaat voor het vaststellen van de verstrek­kingen en de andere lidstaat voor het vaststellen van de premie/inhouding – wordt het risico gecreëerd dat substantiële discrepanties ontstaan tussen het niveau van de verstrekkingen en de hoogte van de bijdragen. Wil het vrij ver­keer van werknemers worden bevorderd in plaats van verhinderd, dan moet het migrerende gepensioneerde werknemers vrijstaan om in die gevallen waarin naar hun oordeel sprake is van een te groot verschil tussen verstrekkingen­niveau in het woonland en bijdrageniveau in het pensioenland, van toepassing van het regime van de artikelen 28 en 28bis te kunnen afzien (met als gevolg dat zij afhankelijk van het geval terugvallen op een verplichte of vrijwillige sociale verzekering in hun woonland of – mede in lijn met het bepaalde in artikel 17bis – kiezen voor een oplossing buiten de sociale zekerheid). Met andere woorden: de potentiële onevenwichtigheid die besloten ligt in het regime van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 dwingt tot het erkennen van keuzevrijheid. Miskent men dat keuzerecht, dan wordt het vrij verkeer van werknemers geweld aan gedaan. De situatie van de Nederlandse verdrags­gerechtigden is in dit verband exemplarisch.

 

V.a.8    Gevolgen voor de toepassing van artikel 69 Zvw en artikel 2.5.2 Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet

 

70.               Waar in het licht van Verordening 1408/71 geen sprake kan zijn van een ver­plichting voor pensioengerechtigden om zich in hun woonland te melden bij de lokale ziekenkas met het oog op het verkrijgen van geneeskundige verstrekkingen, staat Verordening 1408/71 resp. artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag er a fortiori aan in de weg dat de pensioengerechtigden die niet van de rechten ex artikel 28 resp. 28bis van Verordening 1408/71 gebruik maken, zich alsnog zouden moeten melden bij enigerlei instantie in het pensioenland die is belast met de administratieve afhandeling van aanspraken waarvan deze pensioengerechtigden geen gebruik willen maken, zoals het CVZ.

 

71.               Voorts staat vast dat artikel 33 van Verordening 1408/71 resp. artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag zich verzetten tegen het opleggen door het pensioenland van enige heffing op migre­rende pensioengerechtigden ter financiering van geneeskundige verstrekkingen in gevallen waarin die verstrekkingen niet ten laste komen van het pensioenland. Dit is door het Hof van Justitie reeds bevestigd in zaak 275/83, Commissie/­België.[10] In dit arrest oordeelde het Hof dat het pensioenland in het licht van artikel 33 van Verordening 1408/71 geen inhoudingen op wettelijke pensioenen mag doen terzake van prestaties bij ziekte "wanneer de betrokken prestaties niet voor rekening van een orgaan van [het pensioenland] komen." Dit betekent dat Nederland geen bijdragen mag heffen – ook niet door middel van inhouding op pensioenen - van verdragsgerechtigden die zich niet overeenkomstig artikel 29 van Verordening 574/72 hebben ingeschreven bij de ziekenkas van de woonplaats. Het ontbreekt Nederland dan aan een heffingsrecht.

 

Overigens vloeit uit het arrest Kracht tevens voort dat een migrerende werknemer in beginsel (met effect ex nunc) moet kunnen terugkomen op een eerder gemaakte keuze. Zie in dit verband ook de conclusie van de advocaat-generaal in die zaak, rnr. 5 op blz. I-2790.

 

72.               Een Verdragsconforme (of zo men wil Verordeningsconforme) uitleg van artikel 69 Zvw brengt mee dat deze wetsbepaling niet van toepassing kan worden geacht op pensioengerechtigden die zich in hun woonland niet op de voet van artikel 29 van Verordening 574/72 hebben doen registreren (resp. een dergelijke registratie hebben ingetrokken).

 

V.a.9    Vonnis van de voorzieningenrechter van 31 maart 2006

 

73.               De Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland heeft de Staat reeds in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft op 31 maart 2006 vonnis gewezen. Dat vonnis is bijgevoegd als Bijlage 3. De voorzieningenrechter bracht het geschil terug tot twee kernpunten (rov. 4.8). Allereerst vraagt hij zich af of de in het buitenland wonende gepensioneerden een (keuze)recht hebben om te kiezen om niet onder de Nederlandse zorgwet te vallen. Deze vraag beantwoord hij voorshands negatief (rov. 4.14). Vervolgens vraagt hij zich af of de hoogte van de AWBZ-bijdrage onrechtmatig is. Dat is volgens de voorzieningenrechter het geval, nu ongelijke gevallen in dit opzicht ten onrechte gelijk worden behandeld. Volgens de voorzieningenrechter is de regeling inzake de AWBZ-bijdrage klaarblijkelijk strijdig met het gelijkheidsbeginsel, bezien in samenhang met de artikelen 18 en 39 EG-Verdrag. (rov. 4.24 en 4.25).

 

74.               De voorzieningenrechter concludeerde op dit punt dat (rov. 4.13 en 4.14):

 

"[het t]wijfelachtig is of artikel 29 van Verordening 574/72 meebrengt dat de artikelen 27, 28 en 28 bis een keuzerecht toelaten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna ook: het Hof of ‘HvJ EG’) dienen de socialezekerheidsverordeningen van de Raad te worden bezien in het licht van de bevordering van het vrije verkeer van werknemers. In zijn arrest van 4 juli 1990 inzake Kracht (C-117/89) heeft het Hof bij de uitleg van artikel 76 van Verordening 1408/71 beslissende betekenis toegekend aan het doel van artikel 51 EEG-Verdrag (thans: artikel 42 EG), namelijk de totstandbrenging van het vrije verkeer. Daarmee heeft het Hof, in die zaak, een keuzemogelijkheid voor de rechthebbende erkend. Ook het reeds aangehaalde arrest van 3 juli 2003 inzake Van der Duin (C-156/01) impliceert dat er, voor de in die zaak bedoelde rechthebbenden, de facto een keuzerecht bestond.
Er zijn echter relevante verschillen tussen de situaties van de rechthebbenden in de zaken waarop deze arresten zien en die van Appellant. In beide arresten ging het om personen die per saldo een aanspraak op uitkering beoogden, in onderhavige beroepschriftprocedure wenst Appellant erkenning van het recht om ervoor te kiezen dat hij géén aanspraken heeft (en daarvoor ook niet hoeft te betalen). In het arrest van 10 mei 2001 inzake Rundgren (C-389/99) heeft het Hof een dwingende conflictregel aangenomen: het stelsel van de artikelen 28 en 28 bis is, ook als het recht op prestaties in het woonland ontbreekt, steeds van toepassing indien de pensioengerechtigde, zo hij in het pensioenland zou wonen, daar recht op vestrekkingen zou hebben. Ook hier geldt dus dat de premie-inhouding door het pensioenland haar grondslag behoudt."

 

75.               De voorzieningenrechter baseert zijn voorlopig oordeel in hoofdzaak in een eigen interpretatie van het arrest Rundgren, waarin hij een bevestiging van het bestaan van een dwingende aanwijsregel leest. In het arrest kan evenwel geenszins het bestaan van een dergelijke regel lezen; het arrest gaat daar ook niet over. De overweging van de voorzieningenrechter is voorts des te verbazingwekkender omdat noch de Staat zelf noch ook de Europese Commissie te eniger tijd een beroep op genoemd arrest hebben gedaan ten betoge dat de artikelen 28 en 28 bis van Verordening 1408/71 een dwingende aanwijsregel zouden bevatten. Het door de voorzieningenrechter gemaakte onderscheid tussen de casusposities in de zaken Kracht en Van der Duin enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds, overtuigt evenmin, om de redenen die in het voorgaande zijn uiteengezet: het verschil tussen de casuspositie in de zaak Van der Duin en de onderhavige casuspositie vloeit enkel voort uit het feit dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen met ingang van 1 januari 2006 alle niet-ingezetenen – met inbegrip van voormalig Zfw-verzekerden zoals Van der Duin –, van verzekering krachtens de Nederlandse wetgeving uit te sluiten. Het is toch wel evident dat deze handelwijze geen rechtvaardiging kan vormen voor een differentie van gevallen als door de voorzieningenrechter aangenomen.

 

V.b.      SUBSIDIAIR:

 

76.               Mocht de afdeling tot de conclusie komen dat artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 geen ruimte laten voor de interpretatie dat het recht op ziektenkostendekking in de woonstaat slechts wordt verkregen wanneer een AOW-gerechtigde daarvoor (actief) kiest, dan dient geconcludeerd te worden dat die bepalingen onverbindend zijn omdat zij niet in die keuzemogelijkheid voorzien. Het ontbreken van die keuzemogelijkheid is in strijd met het vrij verkeer van personen en het beginsel van gelijke behandeling.

 

77.               De eerste overweging van de preambule van Verordening 1408/71 geeft aan

 

"dat de voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden".

 


 
78.               De vijfde overweging van de preambule van Verordening 1408/71 geeft aan

 

"dat er in het kader van deze coördinatie moet worden gegarandeerd dat binnen de Gemeenschap alle werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten, alsmede hun rechthebbenden en nabestaanden, gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen".

 

79.               Deze voorschriften moeten volgens de eerste overweging van de preambule bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard. Verplichte aansluiting bij het woonlandpakket kan echter ook leiden tot een verslechtering van de levensstandaard nu de dekking van het woonlandpakket te laag is. De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bieden zonder keuzerecht dus niet de garantie die zij beogen te bieden, aangezien die bepalingen zelfs tot een verslechtering van de levensstandaard kan leiden.

 

80.               Tot 1 januari 2006 had Appellant een particuliere verzekering bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Hiermee kon hij aanspraak maken op zorg in het woonland, maar ook in Nederland, het pensioenland. Op grond van artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet heeft Appellants oude Nederlandse zorgverzekeraars de particuliere verzekeringen opgezegd en volgens het CVZ is Appellant verplicht zich aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats. Gevolg hiervan is dat de dekking van zorg- en ziektekosten beperkt is tot het minimale verstrekkingenniveau van het woonlandpakket, terwijl Appellant onder zijn oude particuliere verzekering een dekking had die gelijk was aan de in Nederland gegeven dekking. Nu die dekking wegvalt, omdat er geen keuzerecht is, is er sprake van een verslechtering van de levensstandaard.

 

81.               Door de noodgedwongen aansluiting bij het woonlandpakket is bijverzekering noodzakelijk. Appellant en ook andere pensioengerechtigden zijn 65 jaar of ouder en komen daarom vaak niet meer voor bijverzekering in aanmerking of slechts tegen zeer hoge premiebetaling, omdat er voor de bijverzekering geen acceptatieplicht is. Ook dat draagt bij aan een verslechtering van de levensstandaard.

 

82.               Deze verslechteringen van de levensstandaard belemmeren het vrij verkeer van personen, omdat de AOW-gerechtigden niet ongestoord kunnen genieten van het recht om zich vrij te verplaatsen en te vestigen in één van de lidstaten van de EG. Terugkeer naar Nederland zou dit probleem verhelpen, omdat Appellant in Nederland meteen een verzekering kan afsluiten bij een zorgverzekeraar, omdat voor hen een acceptatieplicht bestaat en er meteen recht ontstaat op het Nederlandse verstrekkingenpakket. Juist dit toont aan dat een gebrek aan keuzerecht het vrij verkeer belemmert. Immers, een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer om na zijn pensionering vanuit Nederland naar een andere lidstaat te emigreren en die wordt gedwongen te remigreren omdat het gebrek aan keuzerecht zijn levensstandaard aantast, wordt in zijn recht op vrij verkeer ex artikel 18 EG-Verdrag belemmerd.

 

83.               Nu er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen dient het Besluit dient te worden vernietigd.

 

VI.        VERGOEDING VAN SCHADE - OMVANG NOG ONBEKEND

 

84.               Appellant heeft door het primaire besluit schade geleden, waarvan de omvang op dit moment nog niet goed is te bepalen. Appellant verzoekt de Afdeling bestuursrechtspraak, nadat zij het beroep gegrond zal hebben bevonden, het onderzoek te heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent vergoeding van die schade door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon.

 

OP DEZE GRONDEN VERZOEKT APPELLANT DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

 

om met versnelde behandeling:

 

a)                  het in punt 2 genoemde Besluit geheel te vernietigen en primair zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de uitspraak van de Afdeling in de plaats treedt van het bestreden Besluit; subsidiair CVZ een termijn te stellen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling; meer subsidiair CVZ een termijn te stellen om een nieuw besluit te nemen;

b)                  te bepalen dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent vergoeding van de schade die door Appellant is geleden door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon;

c)                  aan Appellant door CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon, het griffierecht te laten vergoeden;

d)                  CVZ, althans de door de Afdeling aan te wijzen rechtspersoon, te veroordelen tot vergoeding van de kosten die door Appellant in deze procedure zijn gemaakt.

 

Den Haag, 18 september 2006

 

Advocaat-gemachtigden

Deze zaak wordt behandeld door Mr E.H. Pijnacker Hordijk en Mr W.W. Geursen, De Brauw Blackstone Westbroek N.V., Postbus 90851, 2509 LW Den Haag, T +31 70 328 5565, F +31 70 328 4089.


 
--------------------------------------------------------------------------------
 
[1] Pb 1998, L 195/37

[2] Pb 2004, L 229/35

[3] zie Bijlage 7 bij de Wijzigingsregeling Regeling zorgverzekering, Stcrt 2006, 104, p. 12

[4] In die zin ook uitdrukkelijk Kavelaars, "Toewijzingsregels in het internationaal fiscaal- en sociaalverzekeringsrecht", Deventer, Kluwer 2003 (Fiscale monografieën 108), p. 417.

[5] Conclusie van 24 oktober 2002, Jurispr. 2002, blz. I-7045.

[6] R.o. 40 en 47.

[7] Arrest van 4 juli 1990, Jurispr. 1990, blz. I-2781.

[8] Zaak 191/83, Salzano, arrest van 13 november 1984, Jurispr. 1984, blz. 3741 en zaak 153/84, Ferraioli, arrest van 23 april 1986, Jurispr. 1986, blz. 1401. Zie r.ov. 11 van het arrest Kracht.

[9] R.o. 13-16.

[10] Arrest van 28 maart 1985, Jurispr. 1985, blz. 1097.

 

Toon alle artikelen (19)

Deze pagina is laatst gewijzigd op 30-01-2008 om 16:24.


het weer in Frankrijk
het weer in Frankrijk
21 nov 2008