|
|
De juridische aspecten volgens de advocaat van Achmea
Vooruitlopend op de mondelinge behandeling van het kort geding van 23 december en om tijd tijdens de zitting te besparen, heeft de advocaat van Achmea Zorgverzekeringen een uiteenzetting gegeven van de juridische aspecten van het geschil dat haar en de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland en de heer A. Kiffen verdeeld houdt. Relevante wettelijke bepalingen. 1. Artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de wet van 16 juni 2005, Stb. 2005, 358, bepaalt: "In het buitenland wonende rechthebbenden op pensioen of rente en hun gezinsleden, die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Cemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige zorg of vergoeding van kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor geneeskundige zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College voor zorgverzekeringen aan. 2. De aanmelding is vereist in verband met de verplichting die artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet op de personen als bedoeld in het eerste lid, legt op een bij ministeriele regeling te bepalen bijdrage te betalen. De hoogte van die bijdrage is vastgesteld bij besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 oktober 2005, Stc. 2005, 203 tot wijziging van de Regeling zorgverzekering vastgesteld bij besluit van diezelfde minister van 1 September 2005, Stc. 2005, 171. De bijdrage als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigd is bestaat uit drie componenten: een inkomensafhankelijke bijdrage berekend met inachtneming van paragraaf 5.2, van de Zorgverzekeringswet, een inkomensafhankelijke bijdrage berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de gewogen gemiddelde premie voor een zorgverzekering overeenkomstig het bedrag opgenomen in de Rijksbegroting voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze component wordt bepaald op het bedrag van de gemiddelde nominale premie vastgesteld op € 1.105,- verminderd met de no-claim korting van € 255,- zodat een bijdrage resteert ter grootte van om en nabij € 850,- per jaar. 3. Artikel 2.5.2, van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet, de wet van 6 oktober 2005, Stb. 2005, 525, bepaalt voor zover ten deze van belang: 2. Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een in het buitenland wonende verzekerde die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid recht heeft op zorg of vergoeding van kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg in het woonland, vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde voor 1 mei 2006 voldaan heeft aan de verplichting tot aanmelding bij het College voor zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de Zorgverzekeringswet. Het eerste lid van de bepaling regelt het vervallen van de overeenkomst van ziektekostenverzekering op 1 januari 2006 voor degene die verzekeringsplichtig is in de zin van de Zorgverzekeringswet voor zover de aanspraken die aan de bij en krachtens die wet gegeven voorschriften gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die ontleend kunnen worden aan de overeenkomst. Het derde lid ten slotte regelt de premierestitutie voor de vervallen overeenkomsten of het vervallen gedeelte van de overeenkomsten. 4. Aan de parlementaire geschiedenis van het ontwerp van wet dat geleid heeft tot de Zorgverzekeringswet kan worden ontleend dat het College voor zorgverzekering belast is met de administratie van de regeling die het volgende inhoudt: In het buiteniand wonende personen met recht op een Nederlands pensioen of (langlopende) uitkering hebben, indien zij niet op grond van de wetgeving van hun woonland voor ziektekosten verzekerd zijn, recht op (vergoeding van) geneeskundige zorg indien zij - nadat zij zich verzekerd zouden hebben - recht op Zvw-prestaties zouden hebben, indien zij in Nederland zouden hebben gewoond. In het woonland worden dan de verstrekkingen verleend naar het recht van het woonland, voor rekening van Nederland. Hiertoe wordt jaarlijks een bedrag aan het betreffende woonland betaald. (...) (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 763, nr 3, p. 163) Artikel 69, van de Zorgverzekeringswet is gewijzigd uit hoofde van de Invoeringsen aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Aan de parlementaire geschiedenis van het ontwerp van wet dat geleid heeft tot de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet kan worden ontleend dat artikel 69, van de Zorgverzekeringswet de administratie en bijdragebetaling regelt van in het buiteniand wonende personen die niet verzekeringsplichtig zijn op grond van de Zorgverzekeringswet maar op grond van Verordening 1408/71 of een verdrag inzake sociale zekerheid, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte daaronder begrepen, recht hebben op zorg ten laste van Nederland. Het volgende citaat is ontleend aan de memorie van toelichting op het ontwerp van wet dat geleid heeft tot de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet: Voor alle verdragsgerechtigden geldt dezelfde procedure. Zij dienen zich te registreren bij het CVZ, zij betalen aan het CVZ een bij ministeriele regeling te bepalen bijdrage. Door of vanwege het CVZ wordt een formulier verstrekt waarmee de betrokkenen zich ten laste van Nederland kunnen inschrijven bij de voor hen relevante uitvoeringsinstantie (bij voorbeeld een daar werkend ziekenfonds) in hun woonplaats in het buiteniand. Die buitenlandse verzekeringsinstantie verzorgt de zorgverlening aan de betrokkenen voor rekening van Nederland. (...) Materieel gezien verandert er voor de genoemde verdragsgerechtigden niet voor zover zij eerst ziekenfondsverzekerd waren: zij waren en blijven ingeschreven bij de uitvoeringsinstantie in hun woonplaats in het buiteniand dat voor hen de zorg ter plaatse organiseert. Nieuw is dat dit ook gaat gelden voor personen die tot nu toe particulier verzekerd waren, zowel waar het gaat om gepensioneerden en hun gezinsleden als om gezinsleden van werknemers. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005,30124, nr 3, p. 34) 6. Artikel 2.5.2, tweede lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet heeft zijn huidige redactie gekregen bij Nota van Wijzigingen: zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 124, nr 10, p. 37. Aan de toelichting bij die nota is het volgende citaat ontleend: Het voorgestelde tweede lid van artikel 2.5.2 geeft een overgangsregeling voor in een verdragsland wonende personen en hun gezinsleden die een Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering hebben. Deze verdragsrechtigde personen zijn niet verzekeringsplichtig ingevolge de Zvw hebben met ingang van 1 januari 2006 recht op medische zorg ten laste van Nederland in het verdragsland waarin zij woonachtig zijn. Zij dienen zich ingevolge artikel 69 Zvw te melden bij het CVZ en betalen een bij ministeriele regeling te betalen (lees: bepalen, AV) bijdrage. De buitenlandse verzekeringsinstantie verzorgt de zorgverlening aan de betrokkenen voor rekening van Nederland. Bepaald wordt dat de overeenkomst met ingang van i januari 2006 vervalt voor zover de betrokkene gelijkwaardige aanspraken ontleent aan de toepassing van de Europese sociale zekerheidsverordening of een sociaal zekerheidsverdrag. Daarbij geldt de voorwaarde dat de verzekerde (...) zich voor 1 mei 2006 bij het CVZ heeft gemeld. Vdor zover de particuliere verzekering aanspraken biedt die uitgaan boven de aanspraken waarop de betrokkene met toepassing van de verordening of een sociaal zekerheidsverdrag recht heeft, worden die door de voorgestelde overgangsregeling niet aangetast. (...) Ter voorkoming van dubbele kosten zal de verdragsgerechtigde de ziektekostenverzekeraar er van op de hoogte moeten stellen dat hij zich bij het CVZ heeft gemeld en deswege een bijdrage betaalt. U". (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 124, nr 10, p. 14) 7. Op niet naleving van de verplichting zich te melden bij het College voor zorgverzekeringen staat een boete: artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet bepaalt dat die boete 130% van een bij ministeriele regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage bedoeld in het tweede lid, van de bepaiing over een periode verstreken tussen de dag dat de aanspraken ontstonden en de dag waarop de melding is geschied, met een maximum van 5 jaar. Op de oplegging van de boete zijn de artikelen 101, tot en met 113, van de Zorgverzekeringswet van toepassing: zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005,30124, nr 10, p. 35. 8. De inwerkingtreding van de beide hiervoor genoemde wetten is geregeld in het Koninklijk Besluit van 9 december 2005, Stb. 2005, 649. 9. Verordening 1408/71 van de Raad van Ministers van 14 juni 1971, voor zover thans van belang aangepast bij Verordening 2864/72 van de Raad van 19 december 1972 regelt de aanspraken van "loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Cemeenschap verplaatsen". Artikel 28, eerste lid, van de verordening regelt dat de rechthebbende op een pensioen of rente die geen recht heeft op verstrekkingen op grond van de wettelijke regeling van de lid-staat op het grondgebied waarvan hij woont, niettemin recht heeft op die verstrekkingen voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lid-staat recht op verstrekkingen zou hebben indien hij op het grondgebied van die staat zou wonen. Artikel 28bis, aan de verordening toegevoegd bij Verordening 2864/72 bepaalt dat als de rechthebbende op een pensioen of rente woont op het grondgebied van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering, de aan hem verleende verstrekkingen voor rekening komen van de lid-staat verantwoordelijk voor de uitkering van het pensioen of de rente op voorwaarde dat de rechthebbende, zou hij gewoond hebben in laatstbedoelde lid-staat, aanspraak op die verstrekkingen zou hebben gehad. interpretatie van de wettelijke bepalingen door Achmea. 10. Achmea verstaat de hiervoor beschreven wettelijke bepalingen als volgt: Verordening 1408/71 geeft enerzijds een regeling voor het geval iemand die een pensioen of rente geniet ten laste van Nederlandse instellingen geen aanspraak heeft op verstrekkingen in zijn woonland - in dat geval bestaat er aanspraak op verstrekkingen als ware er sprake van een verzekeringsplicht in Nederland - en geeft anderzijds een regeling voor het geval iemand die zo'n pensioen of rente geniet, in zijn woonland aanspraken kan doen gelden onder de daar van kracht zijnde wettelijke regelingen. In beide gevallen komen de kosten van de verstrekkingen in het woonland ten laste van Nederland indien de pensioen- of rentegerechtigde, zou hij in Nederland hebben gewoond, aanspraak hebben kunnen maken op prestaties in de zin van de Zorgverzekeringswet 11. Met de in de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet tot stand gebrachte overgangsregeling, heeft de Nederlandse wetgever bewerkstelligd, althans willen bewerkstelligen dat overeenkomsten van particuliere ziektekostenverzekering die pensioen- of rentegerechtigden woonachtig in een andere lidstaat gesloten hebben met een Nederlandse ziektekostenverzekeraar, met ingang van 1 januari 2006 vervallen voor zover die overeenkomsten een dekking bieden die gelijkwaardig is met de dekking die in het woonland bestaat. Aan het (deels) vervallen van de bestaande overeenkomsten heeft de wetgever de voorwaarde verbonden dat degene die aanspraken ontleent aan ofwel de verordening dan wel de wetgeving in zijn woonland, zich voor 1 mei 2006 meldt bij het College voor zorgverzekeringen. 12. Ook al kan er debat worden gevoerd over de vraag of de overgangsregeling al dan niet duidelijk geformuleerd is en of de toelichting op de bepaling al dan niet de duidelijkheid biedt die van wetgeving gevraagd mag worden, voor Achmea staat wel vast wat de bedoeling van de wetgever is geweest: als er in een woonland aanspraak bestaat op dekking - ongeacht of die dekking voortvloeit uit Verordening 1408/71 dan wel de ter plaatse geldende wetgeving - vervalt een bestaande overeenkomst voor zover de dekking gelijkwaardig is aan de dekking in het woonland. Binnen dit juridisch kader dienen volgens Achmea de vorderingen van eisers te worden beoordeeld.
Deze pagina is laatst gewijzigd op 30-01-2008 om 16:24.
|
|