De visie van de vroegere minister Els Borst

In mei 2000 schreef de voorganger van minister Hoogervorst, mevrouw Els Borst van D66, een brief aan de Tweede Kamer, waarin zij haar visie gaf over de gevolgen van de afschaffing van de AWBZ voor Nederlanders die in het buitenland wonen. Haar visie staat soms haaks op dat van de huidige minister.

(De vet gedrukte passages zijn van de redactie van Wonen en leven in Frankrijk).


Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 3 mei 2000

Met brief van 11 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd over de consequenties van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). In die brief heeft mijn ambtgenoot meegedeeld dat ik, voor wat betreft de consequenties van het KB 746 voor de AWBZ, bereid ben te onderzoeken of tegemoet kan worden gekomen aan de behoefte aan bescherming van personen van wie de verzekeringsplicht AWBZ per 1 januari 2000 is beëindigd. Dit betreft personen met een langlopende Nederlandse sociale verzekeringsuitkering. In dit verband breng ik het volgende onder uw aandacht.

Consequenties KB 746

De consequenties van het KB 746 voor de AWBZ zijn in essentie de volgende:

Verzekerd voor de AWBZ blijven degenen die verzekerd zijn voor de Ziekenfondswet en in een land wonen waar zij op grond van de EU/EER-sociale zekerheidsverordening of een sociaal zekerheidsverdrag recht hebben op medische zorg ten laste van Nederland.

Voor degenen die niet verzekerd zijn krachtens de Ziekenfondswet is de AWBZ-verzekering per 1 januari 2000 beëindigd. Dit betreft personen met een particuliere ziektekostenverzekering. Particuliere verzekeringen vallen niet onder de toepassing van de hiervoor bedoelde internationale sociale zekerheidsregelingen.

Voor degenen van wie de verzekeringsplicht is geëindigd maar die op 31 december 1999 nog recht hadden op een (aanvullende) financiële vergoeding van de kosten van intramurale zorg ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten is een overgangsregeling getroffen. Deze personen behouden hun recht op vergoeding van intramurale zorg (dus zonder dat sprake is van AWBZ-verzekering en
-premiebetaling). Extramurale zorg is niet in de overgangsregeling besloten omdat hiervan niet op voorhand voor alle zorgvormen kan worden gesteld dat deze onverzekerbaar zijn. Met de overgangsregeling is aangesloten bij het Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering op grond waarvan mensen die zich in Nederland vestigen en daardoor AWBZ verzekerd worden, maar die reeds een indicatie voor intramurale AWBZ-zorg hebben, alleen voor die zorgvormen een wachttijd van maximaal een jaar hebben alvorens intramurale zorg wordt vergoed.

Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, welke nadere maatregelen wenselijk en mogelijk zijn is het nuttig eerst stil te staan zowel bij de historie en de achtergrond van het KB 746 als bij de relevante internationaal rechtelijke ontwikkelingen.

Geschiedenis AWBZ-verzekering

In de loop der jaren is het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden diverse malen gewijzigd, waardoor zich verschuivingen voordeden in de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen. Zo was vanaf de totstandkoming van de AWBZ in 1968 tot en met het jaar
1989 de AWBZ, in tegenstelling tot de overige volksverzekeringen, uitsluitend van toepassing op ingezetenen. De redenen van het uitsluiten van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen van buiten Nederland wonende personen was, dat AWBZ-verstrekkingen (d.w.z. verstrekkingen in natura) niet in het buitenland konden worden geleverd en dat het niet aanging mensen te verzekeren voor iets waar ze toch niets aan hadden tenzij men naar Nederland zou terugkeren. In het buitenland wonende Nederlanders waren dus niet AWBZ-verzekerd en hoefden uiteraard ook geen AWBZ-premie te betalen.
Bij de belastingherziening van Oort werd in
1990, in
het kader van de vereenvoudiging van de belasting- en premieheffing volksverzekeringen, een einde gemaakt aan de uitzondering voor de AWBZ. In het buitenland wonende gepensioneerden werden aldus verzekerings- en premieplichtig krachtens de AWBZ. Om het probleem op te heffen dat verstrekkingen uitsluitend in Nederland geldend konden worden gemaakt, is in 1992 een vergoedingsregeling tot stand gebracht op grond waarvan in het buitenland wonende AWBZ-verzekerden aanspraak kregen op vergoeding voor op de particuliere markt door hen ingekochte zorgvormen mits die vergelijkbaar waren met in de AWBZ geregelde verstrekkingen. Voor AWBZ-verzekerden die in het buitenland wonen had de AWBZ derhalve het karakter van een restitutieverzekering.

Met ingang van 1 januari 1999, respectievelijk 1 januari 2000 voor de «overgangsgevallen» is de AWBZ-verzekeringsplicht weer geëindigd, met uitzondering van de in een EU/EER - of verdragsland wonende verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet. Daarmee werd, wat de AWBZ betreft, weer teruggekeerd naar de situatie die tussen 1968 en 1989 bestond.

Doelstelling KB 746

Reeds bij de wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden van 1989 heeft de regering de Tweede Kamer toegezegd de verzekeringspositie van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden te zullen heroverwegen. Redenen daarvoor waren wijzigingen in internationale regelgeving (met name Verordening (EEG) nr. 1408/71). Die heroverweging heeft uiteindelijk geleid tot het KB
746.

De doelstelling van het nieuwe besluit is om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen, namelijk dat slechts diegenen die in Nederland wonen, verzekerd zijn. Zoals mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief reeds heeft aangegeven, is de consequentie van het KB
746 in het overleg met de Tweede Kamer uitvoerig aan de orde geweest. Die consequentie is, eenvoudig gezegd, dat diegenen die in een ander land gaat wonen, zich onderwerpt aan de wet- en regelgeving van dat land. Hierbij is wederom geen uitzondering voor de AWBZ gemaakt.

Europeesrechtelijke aspecten

Uit de Europese regelgeving op het terrein van de sociale zekerheid volgt dat op post-actieven, die niet langer onderworpen zijn aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, in beginsel de socialezekerheidswetgeving (inclusief de medische zorg) van toepassing wordt van hun woonland (artikel 13, lid 2, sub f) van Verordening (EEG) nr. 1408/71). Bij de totstandkoming van het KB 746 is onderkend dat men voor wat betreft de AWBZ-vervangende dekking afhankelijk is van regelingen in het woonland en dat een aantal mensen zich niet adequaat zou kunnen verzekeren. Immers, de vraag of betrokkenen ook daadwerkelijk verzekerd worden in het woonland en soortgelijke verstrekkingen aldaar kunnen genieten als voorzien in de AWBZ is afhankelijk van de voorwaarden die de wetgeving ter zake van verzekering stelt en het verstrekkingenpakket waarin de wetgeving van het woonland voorziet. Aangezien binnen de EU geen sprake is van harmonisatie van socialezekerheidswetgeving kan dat per lidstaat verschillen. Dit geeft begrijpelijkerwijs voeding aan de gedachte dat vanuit Nederland een voorziening zou moeten worden getroffen om te voorkomen dat deze mensen minder aanspraken zouden hebben dan ingezetenen van Nederland. Daar staat evenwel het volgende tegenover.

In de zaak Kuusijärvi heeft het Hof bevestigd dat een nationale woonplaatsvoorwaarde mag worden tegengeworpen aan een persoon die ophoudt met werken en verhuist naar een andere lidstaat zonder dat hij in die andere lidstaat gaat werken.

Recentelijk is door de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen België aanhangig gemaakt, waarin de Europese Commissie zich op het standpunt stelt dat post-actieven die hun woonplaats overbrengen naar een andere lidstaat altijd en uitsluitend onderworpen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van hun nieuwe woonland.

Conclusies

De problemen die particulier verzekerden ondervinden voor wat betreft het kunnen verwerven van een adequate ziektekostendekking in het buitenland is feitelijk het gevolg van ons, in Europees opzicht, bijzondere systeem waarbij slechts circa 60% van de bevolking volledig ingevolge een sociale ziektekostenverzekering is gedekt. Alleen voor deze categorie van personen (degenen die verplicht verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet) geldt dat op grond van de Europese socialezekerheidsverordening en andere internationale socialezekerheidsregelingen in het woonland aanspraak kan worden gemaakt op het daar geldende verstrekkingenpakket, ten laste van de Nederlandse sociale ziektekostenverzekering. In dit verband wijs ik nog op de mogelijkheid die de Ziekenfondswet biedt voor personen van
65 en ouder en van wie het inkomen tezamen met dat van de eventuele partner per jaar een bepaald bedrag niet overschrijdt (voor 2000: f 41.100,-) om toe te treden tot de verplichte ziekenfondsverzekering. Van deze opt-in regeling kunnen ook personen die in een EU/EER-lidstaat wonen gebruik maken onder voorwaarde dat zij in het verleden verzekerd zijn geweest krachtens enige tak van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.

De invoering van een algemene basisverzekering voor het tweede compartiment (dat wil zeggen ongeveer dat deel van de medische zorg dat thans door de Ziekenfondswet wordt gedekt) zou een structurele oplossing bieden, doch alleen ten behoeve van mensen die in een EU/EER-lidstaat wonen en in landen waarmee Nederland een verdrag heeft afgesloten op het terrein van de ziektekosten. Immers in dat geval ontstaan voor alle Nederlandse postactieven, dus ook voor diegenen die tot dan toe particulier verzekerd waren, in het woonland aanspraken op medische zorg volgens de desbetreffende internationale sociale zekerheidsregelingen.

Voor het moment ligt de vraag voor hoe om te gaan met de thans ontstane situatie. Daarbij doen zich, voor zover ik het thans kan overzien, de volgende benaderingswijzen voor.

Geen wijziging brengen in de bestaande situatie omdat het eindigen van de AWBZ voor nieuwe gevallen in overeenstemming is met de Europese ontwikkeling dat post-aktieven voor hun sociale zekerheidsbescherming aangewezen zijn op hun woonland.
De overgangsregeling die is getroffen voor bestaande gevallen kan op grond van de eerste rechtspraak die daarover heeft plaatsgevonden voldoende worden geoordeeld.

Uitbreiding van de overgangsregeling voor bestaande gevallen met extramurale zorg onder handhaving van het uitgangspunt dat voor nieuwe gevallen de AWBZ-verzekering wordt beëindigd.

Introductie van een vrijwillig voortgezette verzekering voor personen van wie de verplichte AWBZ-verzekering eindigt wegens vertrek naar het buitenland.

Herintroductie van de verplichte AWBZ-verzekering voor in het buitenland woonachtigen. Deze optie staat haaks op de Europese ontwikkelingen en zal ook weer leiden tot protest van mensen die juist niet verzekerd willen worden omdat zij geen premie willen betalen (dat is in 1990 op grote schaal gebeurd). Bovendien moet ermee rekening worden gehouden dat op grond van de zogeheten «sterke werking» een verplichte verzekering ingevolge de AWBZ ertoe zou leiden dat dan in het kader van sociale zekerheidsverdragen en de europese sociale zekerheidsverordening ook de sociale uitkeringswetten weer van toepassing worden. Dat zou dan de doelstelling van het nieuwe KB vrijwel geheel te niet doen. Tegen die achtergrond acht ik deze optie de minst passende.

Het geheel overziende acht ik de optie van een voortgezette vrijwillige verzekering de meest adequate. Ik ben bereid de uitvoeringstechnische mogelijkheden daarvan te onderzoeken. Op 17 mei a.s. zal in dit verband overleg plaatsvinden met verschillende instanties die bij de uitvoering van deze aangelegenheid betrokken zijn.

De Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers

Tweede Kamer der Staten Generaal 

Print Print dit artikel

Toon alle artikelen (19)

Deze pagina is laatst gewijzigd op 30-01-2008 om 16:24.


het weer in Frankrijk
het weer in Frankrijk
21 nov 2008