Vierendertigste aflevering, januari 2008

Devenir ou ne pas devenir…

 

‘Worden’ wordt in het Nederlands vaak gebruikt, en het wordt vaak lastig om te weten of het ‘worden’ wordt, of toch iets anders. Het werd tijd voor een aantal voorbeelden, zodat het enigszins duidelijker wordt…

Print de tabel hieronder, bestudeer het, en vouw het daarna verticaal, zodat je of het Frans of het Nederlands ziet. Vindt een partner, ga tegenover elkaar zitten met het papier tussen jullie, en speelt ‘tafeltennis’. 

 

Het wordt niets…

 

Ça ne marchera jamais…

Het wordt menens…

 

Ça tourne mal…

Hij wordt groot!

 

Comme il grandit!

Het werd tijd!

 

Il était temps!

Ik word oma!

 

Je deviens grand-mère!

Het zal nog moeilijk worden…

 

Ça (ne) va pas être facile!

Word wakker!

 

Réveille-toi!

Het wordt nacht…

 

La nuit tombe…

Alle vragen zullen worden beantwoord!

 

On répondra à toutes les questions!

Nu wordt het leuk!

 

Maintenant, ça devient chouette!

Als ik te veel eet dan word ik dik…

 

Si je mange trop, je grossis…

Wordt er nog geluncht?

 

Va-t-on encore manger ?

Hoe laat worden we verwacht?

 

À quelle heure sommes nous attendus ?

Wordt het huis nog schoongemaakt?

 

Est-ce qu’on nettoie encore la maison?

Ik word moe…

 

Je deviens fatigué(e)…

Hij is honderd jaar geworden.

 

Il a eu (atteint) cent ans.

Samenvattend:
er zijn vier processen die kunnen spelen, en verder is het goed luisteren en het inprenten.

1.    een Frans bijvoeglijk naamwoord wordt een werkwoord: grossir (= wordt dik)/ rapetisser/s’assouplir/se fortifier/ s’affaiblir /verdir/rougir…

2.    Passief èactief (het wordt nacht/la nuit tombe)

3.    ‘Devenir’ wordt gebruikt… of een ander werkwoord (tourner, marcher, être…)

4.    Aller + werkwoord (naaste toekomst: va-t-on encore manger ?)

Print Print dit artikel

Toon alle artikelen (55)

Deze pagina is laatst gewijzigd op 06-11-2008 om 18:46.


het weer in Frankrijk
het weer in Frankrijk
21 nov 2008