|
|
Vierendertigste aflevering, januari 2008 Devenir ou ne pas devenir… ‘Worden’ wordt in het Nederlands vaak gebruikt, en het wordt vaak lastig om te weten of het ‘worden’ wordt, of toch iets anders. Het werd tijd voor een aantal voorbeelden, zodat het enigszins duidelijker wordt… Print de tabel hieronder, bestudeer het, en vouw het daarna verticaal, zodat je of het Frans of het Nederlands ziet. Vindt een partner, ga tegenover elkaar zitten met het papier tussen jullie, en speelt ‘tafeltennis’.
Samenvattend: 1. een Frans bijvoeglijk naamwoord wordt een werkwoord: grossir (= wordt dik)/ rapetisser/s’assouplir/se fortifier/ s’affaiblir /verdir/rougir… 2. Passief èactief (het wordt nacht/la nuit tombe) 3. ‘Devenir’ wordt gebruikt… of een ander werkwoord (tourner, marcher, être…) 4. Aller + werkwoord (naaste toekomst: va-t-on encore manger ?)
Deze pagina is laatst gewijzigd op 06-11-2008 om 18:46.
|
|