Eerste Kamer uit kritiek over behandeling WAO'ers in het buitenland
Op 9 mei hebben leden van de Eerste Kamer de staatssecretaris van Volksgezondheid aan de tand gevoeld over zaken die zijdelings verband houden met de invoering van de Zorgverzekeringswet en de overgangsregels voor mensen die de toeslagen op hun WAO-uitkering mochten meenemen bij emigratie.
Hieronder zijn de nog niet geautoriseerde handelingen weergegeven.
Aan de orde is de behandeling van: het wetsvoorstel Overgangsrecht inzake de beëindiging van het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet binnen de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland (30063).
Mevrouw Westerveld (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Het zal de staatssecretaris niet ontgaan zijn: er leven bij mijn fractie ernstige twijfels over de rechtmatigheid van dit wetsvoorstel. Wij hebben er begrip voor dat de staatssecretaris geen gehoor heeft willen geven aan het verzoek van deze Kamer om met dit wetsvoorstel terug te gaan naar de Raad van State. Wij begrijpen alleen niet waarom hij niet alles in het werk heeft gesteld om een stevige second opinion aan te vragen, alvorens met dit dossier door te denderen. Er staat namelijk nogal wat op het spel. Of wil de staatssecretaris dat niet? Voelt hij zich niet beschaamd als ons land elke keer van de rechter te horen krijgt dat de wetgever slordig of onrechtmatig bezig is geweest? Er zijn drie voor ons land negatieve rechterlijke uitspraken en dan tel ik de uitspraak in eerste aanleg nog niet eens mee.
Nederland heeft gedingen verloren tegen Turkse ingezetenen, wat heeft geleid tot opzegging van het ILO-Verdrag, en tegen remigranten in Marokko en Canada. Acht de staatssecretaris dat geen blamage? Onderkent hij dat de regering de complexiteit van dit onderwerp indertijd wat heeft onderschat? De staatssecretaris zal straks mogelijk antwoorden dat dit uitspraken zijn geweest in een ander dossier. De regering heeft de EU juist losgekoppeld van andere verdragsrelaties vanwege de zwaardere voorwaarde, namelijk de plaatsing op de 2 bis-lijst die binnen de EU geldt. Hierdoor weten wij nu nog niet zeker hoe de rechter deze beleidslijn jegens bestaande rechthebbenden zal bezien in het licht van het Europese coördinatierecht. Is het nu zo’n gewaagde veronderstelling dat de eerdere uitspraken, inclusief het oordeel van de rechtbank Amsterdam die ook het Europese mensenrechtenverdrag erbij heeft gehaald, een zekere indicatie vormen voor de rechtmatigheid van deze bejegening van EU-onderdanen?
Wat mijn fractie aan dit hele dossier, inclusief het BEU-dossier uit 2000, opvalt, is dat het vraagstuk van de rechtmatigheid van de gefaseerde afbouw nauwelijks ter discussie heeft gestaan. Daarvoor was, mede gezien het karakter en de ontstaansgeschiedenis van de Toeslagenwet, wel degelijk aanleiding geweest. De Toeslagenwet is immers in 1987 in het leven geroepen als reactie op het verwijderen uit de werknemersverzekeringen van de minimumdagloonbescherming van kostwinners. Zij was bedoeld als alternatief van deze bescherming: een voorziening voor de generatie werkenden uit de tijd dat de man nog overwegend het geld verdiende en de vrouw nog overwegend zorgde. De wet werd indertijd ook absoluut niet aangemerkt als een soort bijstand. Het was een voorziening bedoeld om werknemers in een periode van verzekerde werkloosheid of arbeidsongeschiktheid uit de bijstand te houden. De wet wordt dan ook niet toevallig uitgevoerd door de uitvoerder van de werknemersverzekeringen. Deze zienswijze weerspiegelt zich enkele jaren later als in de EU de mogelijkheid wordt gecreëerd om bijstandachtige prestaties non-exporteerbaar te verklaren. De regering meldt de Toeslagenwet op dat moment niet. Deelt de staatssecretaris deze analyse? Stel dat hij het doet. Erkent hij dan ook de signaalwerking die daarvan is uitgegaan, zowel voor de nieuwe rechthebbenden als voor de andere lidstaten?
Eind jaren ’90 keert het tij. Er komt meer aandacht voor fraude met uitkeringen in het buitenland. De Wet beperking export uitkeringen introduceert een beperking op termijn en als uitgangspunt van de export van uitkeringen naar landen waar geen goede handhavingsafspraken mee te maken zijn. Daarnaast, de andere kant van de Wet BEU, gaan regering en parlement de Toeslagenwet opeens wel als een soort bijstand aanmerken. Het politieke besluit wordt genomen dat toeslagen niet langer exporteerbaar zijn. Laat er geen misverstand over bestaan: mijn fractie steunt deze koerswijziging van harte. Het gevolg van deze late inkeer is wel dat er op het moment van deze koerswijziging een flinke club rechthebbenden in het buitenland bestaat. Het zijn mensen die ten tijde van hun migratie niet beter wisten dan dat hun exportuitkering bestond uit WAO plus toeslag. Het zijn ook mensen die hun besluit tot migratie mede op deze veronderstelling gebaseerd kunnen hebben. Om deze reden acht mijn fractie het gelijktijdige besluit om de toeslagen gefaseerd af te bouwen aanvechtbaar. Zij vindt het Europeesrechtelijk slecht te rijmen met het feit dat de introductie van de mogelijkheid tot een exportverbod in Europa wel volledig eerbiedigend is doorgevoerd, maar los van alle internationaal-rechtelijke verplichtingen waar ons land zich zo op verkeken heeft.
Wij vragen ons ook af hoe dit besluit zich laat rijmen met onze eigen nationale regels van overgangsrecht. Volgens die regels immers vindt er bij een wijziging ten kwade steeds een zorgvuldige afweging plaats tussen het beginsel van rechtsgelijkheid en rechtsvertrouwen. De regering schrijft het zo fraai in een van de toelichtende stukken. Bij onmiddellijke werking wringt het vertrouwensbeginsel. Bij een volledige eerbiediging komt het beginsel van rechtsgelijkheid onder druk te staan. Is die afweging indertijd wel in volle omvang gemaakt? Zo ja, waarom is dan niet meegewogen dat er bij deze wijziging helemaal geen nieuwe, gelijke gevallen zullen komen? Er is namelijk één cruciaal verschil tussen degenen die ons land hebben verlaten voor de Wet BEU en zij die dat later doen. De laatsten weten – dat kunnen zij althans weten – dat zij dat doen met achterlating van de toeslag op de uitkering. De eersten hebben die wetenschap niet. Dat is meteen het springende verschil tussen dit dossier en de overgangsrechtelijke weging bij maatregelen als de invoering van scherpere beoordelingsnormen in de WAO of de introductie van een ander uitkeringsregime voor nabestaanden. De gevallen oud en nieuw zijn hier ongelijk.
Opvallend genoeg heeft ook de Raad van State nimmer aandacht besteed aan dit aspect van de Wet BEU, niet in de context van het EU-recht en evenmin in die van bilaterale verdragen, zoals het associatieverdrag met Turkije. Aandacht was er wel – en dat jaren achtereen – voor die ene kant van de Wet BEU: de positie van de bestaande rechthebbenden in landen waarmee geen handhavingsafspraken te maken zijn. Het parlement achtte het namelijk onbehoorlijk om mensen die al gemigreerd zijn te confronteren met het feit dat ons land extra voorwaarden is gaan stellen aan exportuitkeringen en dat hun geval door omstandigheden die zij niet kunnen beïnvloeden daaraan niet voldoet. Wij kennen inmiddels de afloop van deze parlementaire aandacht. Met de meeste landen zijn handhavingsafspraken gemaakt. In dat opzicht is de Wet BEU wel gepresenteerd als een succesnummer. Voor de pechvogels die in landen wonen waarmee dat niet gaat lukken, komt er een pardonregeling. Als zij al gemigreerd waren voordat de Wet BEU in werking trad, loopt hun recht gewoon door: eerbiedigend overgangsrecht dus. De staatssecretaris corrigeert mij wel wanneer ik het verkeerd zie.
Al die aandacht staat in schril contrast tot de onverschilligheid die de BEU-toeslaggerechtigden ten deel valt. Het lijkt wel of iedereen zich er zo voor geneert dat wij de toeslagen indertijd zonder lastige vragen hebben laten exporteren dat er een soort communis opinio is ontstaan dat wij dit foutje uit het verleden maar zo snel mogelijk moeten wegwerken.
Mijn fractie wil dan ook de woorden, die eigenlijk al in 1999 uitgesproken hadden moeten worden, vandaag wel gezegd hebben, onder meer in het licht van alle sedertdien door de rechter aangereikte wijsheid. Vertrouwen van de burger in de overheid, een overheid die staat voor wat zij eens heeft gezegd, is een essentieel element van wat juristen een "rechtsstaat" noemen. Daarbij komt dat nationale regelgeving het vrije verkeer van werkenden binnen de EU niet mag frustreren of achteraf onaantrekkelijk mag maken. Een lidstaat die dit wel doet, handelt EG-rechtelijk in strijd met het vertrouwensbeginsel, en wel in twee opzichten: ten opzichte van degenen die ervaren dat lidstaten een eens verstrekte sociale bescherming na hun vertrek mogen ontmantelen, ook als de migratie al geruime tijd een feit is, en verder ten opzichte van de andere nieuwe woonlidstaat, die wordt geconfronteerd met de verslechtering van de door de migrant meegenomen sociale bescherming. Eenvoudig gezegd, gaat het hierom. Je kunt het ook ingewikkelder maken, met meer juridische kwalificaties, maar dit is de bottom line van het wetsvoorstel.
Mijn fractie heeft dan ook de volgende vragen aan de staatssecretaris. Ten eerste, deelt hij onze observatie dat bij de totstandkoming van artikel 4a Toeslagenwet zes jaar geleden, een gefundeerde gedachtewisseling over de weging tussen het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtsgelijkheid in deze context is uitgebleven? Kan hij die weging van destijds nogmaals uitleggen en staat hij daar, wetend wat hij nu weet, nog altijd achter? Ten tweede, kan hij reageren op de stelling van prof. Pennings in een notitie die inmiddels in zijn bezit is, dat de zesde considerans van de plaatsingsverordening eerbiedigend overgangsrecht impliceert? Kan de staatssecretaris ook reageren op diens vergelijking met het arrest-Asmundsen, waar het mensenrechtenhof de ingreep disproportioneel achtte, en dus in strijd met het EVRM, met name vanwege het feit -- in dit dossier bijzonder interessant -- dat de groep die het recht verliest, bescheiden in omvang is? Ten derde, wat is de achtergrond van de pardonregeling voor rechthebbenden op WAO of AOW die voor 2000 zijn verhuisd naar een land waarmee geen handhavingafspraken te maken zijn? Ten vierde, bestaat er niet een zekere parallel tussen deze mensen en de bestaande gevallen van artikel 4a Toeslagenwet, tenminste degenen onder hen die vóór 2000 met medeneming van de toeslag op de uitkering gemigreerd zijn?
Geheel tot slot wil ik de mensen om wie het gaat een gezicht geven. Zelf zullen zij dat niet doen; het gaat tenslotte maar om een kleine groep mensen, die op dit moment waarschijnlijk niet eens weten wat hun boven het hoofd hangt. Deze groep bestaat uit mensen die in meerderheid vijftig jaar of ouder zijn; dat zijn mensen die wij bij verslechteringen in de sociale zekerheid doorgaans uit de wind houden. Het zijn vrijwel allemaal WAO'ers die in het verleden voor een ander woonland hebben gekozen, misschien wel een land met een wat vriendelijker klimaat voor hun kwalen. Ik wil daaraan toevoegen dat het voor een deel om dezelfde mensen gaat die tegen de regering hebben geprocedeerd over de exorbitante verhoging van hun zorgpremie; dat proces hebben zij ten dele gewonnen. Voor deze mensen is het spreekwoord, dat het niet uitmaakt of je door de kat of door de hond wordt gebeten, een te zonnige voorstelling van zaken: zij worden namelijk door allebei gebeten. Om die reden sluit ik mijn betoog af met de vraag waarmee ik ben begonnen: waarom geneert de regering zich niet wat meer voor dit dossier dan ik uit de stukken kan aflezen? Mijn fractie wacht de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling af.
Mevrouw Swenker (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie heeft slechts één vraag aan de staatssecretaris, en wel over het procesrisico: met andere woorden, of door de invoering van deze wet, waarbij voor de toekomst enerzijds de toeslag niet meer exporteerbaar zal zijn en anderzijds voor diegenen die nu een toeslag ontvangen een afbouwregeling wordt getroffen, wel wordt voldaan aan het overgangsrecht zoals dat wordt beschreven in de verordening van 1992, te weten 1408/71, met name in artikel 95.
De VVD-fractie heeft er op zich geen probleem mee dat in de toekomst geen toeslagen meer worden geëxporteerd. In dit opzicht is de VVD-fractie het ermee eens dat de Toeslagenwet alsnog op de bijlage van verordening 1408/71 wordt geplaatst. Deze wijziging is goedgekeurd in de Europese gremia en van kracht geworden op 5 mei 2005 onder nummer 647/2005.
De staatssecretaris is voornemens, deze wet terugwerkende kracht te geven tot 5 mei 2005. Het punt is dat Verordening 1408 uit 1992 zelf een regeling geeft omtrent het overgangsregiem dat door de lidstaten in acht moet worden genomen. Dit komt erop neer dat bij het vaststellen van de overgangsregeling sprake moet zijn van eerbiedigende werking ten aanzien van "bestaande uitkeringsgerechtigden". De in 2005 gewijzigde Verordening 1408 geeft aan dat bij plaatsing op de lijst iedere lidstaat zelf overgangsmaatregelen moet treffen en "rekening moet houden met de situatie van personen van wie de verkregen rechten dientengevolge kunnen worden aangetast".
De vraag aan de staatssecretaris is dan ook of de door hem voorgestelde afbouwregeling hieraan voldoet. Weliswaar eist de bepaling niet precies dat er een volledig eerbiedige werking moet zijn van verkregen rechten, maar als het gaat om sociale zekerheid is in het algemeen in de Europese regelgeving vrijwel altijd sprake van eerbiedige werking. Eén ding is immers zeker: degenen die getroffen worden door de afbouwregeling zullen zich wenden tot de Centrale Raad van Beroep, die zich eventueel tot het Hof in Luxemburg zal wenden. Het komt de geloofwaardigheid van onze wetgeving niet ten goede als blijkt dat deze regelgeving, zoals een aantal andere maatregelen in het verleden, in strijd blijkt te zijn met de EU-regels of regelgeving van de ILO.
Kortom, hoe schat de staatssecretaris het procesrisico in? Dat er geprocedeerd zal worden, lijkt duidelijk, maar hoe groot acht de staatssecretaris de kans dat hij een dergelijke procedure wint? In dit verband kunnen er ook vraagtekens worden geplaatst bij de terugwerkende kracht die in dit wetsontwerp wordt voorgesteld, waarvan sprake zou zijn indien er toeslagen zijn uitbetaald na 5 mei 2005. De vraag van de VVD-fractie is dan ook: zijn er na 5 mei 2005 nog toeslagen uitbetaald? Zo nee, dan is er waarschijnlijk geen probleem met de terugwerkende kracht. Zo ja, wat gaat de staatsecretaris dan doen? Gaat de staatssecretaris deze dan met terugwerkende kracht afbouwen? Of laat hij de toeslagen voor deze periode tot op heden ongemoeid, zoals eerder in andere situaties is voorgekomen?
Samenvattend: de VVD-fractie heeft grote aarzelingen met betrekking tot het procesrisico. Het is ook een moeilijke taxatie. Enerzijds is het in de Europese regelgeving gebruikelijk dat in het kader van sociale zekerheid het uitgangspunt van de eerbiedigende werking wordt voorgeschreven, anderzijds moet worden toegegeven dat de tekst van de huidige verordening in de onderhavige situatie geen expliciet gebod levert om de verkregen rechten te eerbiedigen. Nederland moet "rekening houden met de situatie van personen van wie de verkregen rechten dientengevolge kunnen worden aangetast".
Enerzijds is het niet goed om een wet uit te vaardigen waarbij van tevoren duidelijk is dat het procesrisico erg groot is, ofwel het reële risico dat de rechter deze wet onderuithaalt; anderzijds is de VVD-fractie het ermee eens dat de toeslagen worden beëindigd. Het moge duidelijk zijn dat de VVD-fractie met zeer grote belangstelling het antwoord van de staatsecretaris afwacht.
Mevrouw De Wolff (GroenLinks): Voorzitter. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij de vragen van de leden Westerveld en Swenker over het coördinatierecht, met name bij de laatste vragen van mevrouw Swenker over het procesrisico dat de Staat der Nederlanden loopt als dit wetsvoorstel kracht van wet krijgt. Dit staat in relatie tot het overgangsrecht dat Verordening 647/2005 voorschrijft, nu de Toeslagenwet geplaatst is op bijlage 2 bis en de toeslagen conform deze wet niet langer exporteerbaar zijn. Het overgangsrecht dat bij dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, lijkt mij niet alleen op gespannen voet te staan met de opdracht aan de lidstaten om rekening te houden met de situatie van personen van wie de verkregen rechten kunnen worden aangetast; het lijkt mij ook in strijd met afspraken -- al is dit wat zwaar uitgedrukt, dus wellicht liever richtsnoeren of aanbevelingen -- die in het onderlinge verkeer tussen deze Kamer en de regering in het verleden zijn vastgelegd met betrekking tot het overgangsrecht in de sociale zekerheid in het algemeen -- los dus van het coördinatierecht.
Ik heb nog eens gekeken naar de notitie Overgangsrecht in de sociale zekerheid (25900, nr. 87), daterend uit het vergaderjaar 1999/2000, die een van de ambtsvoorgangers van de staatssecretaris hier heeft gepresenteerd en verdedigd. Naar aanleiding daarvan is de Kamerbrede motie-Jaarsma aangenomen. In de notitie staan met zoveel woorden aandachtspunten vermeld, die ik in mijn betoog zal langslopen. Indien wij deze notitie en de daarin verstopte aandachtspunten hadden losgelaten op de beëindiging van de toeslagen op basis van geëxporteerde rechten op grond van de Toeslagenwet, was de gevolgtrekking anders uitgevallen dan die van de regering.
In de notitie wordt gesteld dat er spanning bestaat tussen de beginselen rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Mevrouw Westerveld heeft terecht gesteld dat die spanning in dit geval wel meevalt, aangezien het gaat om het aantasten van verkregen rechten. Het betreft verwachtingen van uitkeringsgerechtigden die destijds met een toeslag naar een andere lidstaat zijn verhuisd. In dat licht zijn er geen nieuwe gevallen die anders behandeld zullen worden, want die nieuwe gevallen kunnen de afweging maken om in Nederland te blijven wonen en hun toeslag te blijven genieten. Zij hebben een keuze die al ge(re)migreerde toeslaggerechtigden niet kunnen maken. Er is weliswaar een spanning tussen rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, maar die is heel anders dan bij normale wijzigingen in de sociale zekerheid waarbij er vergelijkbare oude en nieuwe gevallen zijn.
Een volgend aandachtspunt in de notitie is dat moet worden gekeken naar de aard van de te wijzigen regeling: is het een verzekering of is het een voorziening? Ik ben de eerste om toe te geven dat de Toeslagenwet geen sociale verzekering is maar een sociale voorziening. Het is echter wel een regeling die voortkomt uit de werknemersverzekeringen, die indertijd nog een minimumloongarantie kenden. Voor velen heeft een toeslag bovendien het karakter van een aanvulling op een werknemersvoorziening. In die zin wordt de toeslag ervaren als een sociale verzekering. Dat het toch als voorziening wordt gedefinieerd, volgt slechts uit de financiering. Bij wijzigingen in sociale verzekeringen is er eerder sprake van een gerechtvaardigd gewekt vertrouwen dat moet worden geëerbiedigd.
Verder wordt in de notitie gesteld dat moet worden gekeken naar de aard en het doel van de beoogde wijziging. Als het gaat om een grootscheepse wijziging in de sociale zekerheid met als doel de overheidsfinanciën op orde te brengen -- zoals dat in de jaren tachtig gebeurde -- is het logisch om niet te kiezen voor een volledig eerbiedigende werking omdat de gestelde bezuinigingen anders niet worden gehaald. In dit geval lijkt bezuinigen geen doelstelling; de besparingen zijn buitengewoon beperkt. In dat licht ligt het meer voor de hand om uit te gaan van een eerbiedigende werking dan van onmiddellijke werking. Bovendien staat in de notitie dat het bij een ingreep in de hoogte en de duur van een uitkering -- daar gaat het in dit geval om -- meer voor de hand ligt om uit te gaan van eerbiedigende werking van reeds ingegane rechten dan bij bijvoorbeeld een wijziging van controlevoorschriften. In het laatste geval is het logisch om die meteen voor de hele groep van oude en nieuwe gevallen op hetzelfde tijdstip in te voeren.
Een volgend element is de groep van gedupeerden, de grootte en de samenstelling: wat voor mensen betreft het eigenlijk? Mevrouw Westerveld heeft daar al iets over gezegd. Het is geen grote groep, wat mijns inziens pleit voor volledig eerbiedigende werking. Mevrouw Westerveld heeft terecht betoogd dat het doorgaans gaat om oudere werknemers die veelal arbeidsongeschikt zijn. De kans op herintreding op de arbeidsmarkt is voor hen buitengewoon gering. Bovendien is het een minimumbehoeftenregeling. Al deze factoren pleiten voor een volledig eerbiedigende werking van het overgangsrecht.
Het laatste aandachtspunt in de notitie is de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. Een argument om te kiezen voor onmiddellijke werken is dat je niet te lang twee systemen met een eigen handhavingssystematiek naast elkaar wilt laten bestaan. Dat gaat in dit geval echter niet op: de Toeslagenwet blijft gewoon bestaan voor mensen die op Nederlands grondgebied blijven wonen. Er is dus niets op tegen om de Toeslagenwet ook te blijven hanteren voor de groep nu reeds gerechtigden die in het verleden zijn ge(re)migreerd naar een andere lidstaat. Dit belast de uitvoering niet en het is even goed handhaafbaar als in het verleden.
Los van alle kritiek die er op basis van het coördinatierecht kan worden geleverd op dit wetsvoorstel, wil ik de staatssecretaris uitnodigen om nog eens aan de hand van de notitie van een van zijn ambtsvoorgangers te reflecteren op de gemaakt keuze. Had voluit eerbiedigende werking in het licht van de genoemde aandachtspunten niet veel meer voor de hand gelegen? Mijn fractie had dat wenselijk geacht.
Mevrouw Vedder-Wubben (CDA): Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, ligt al bijna een jaar in deze Kamer. Met name de terugwerkende kracht en de afbouwregeling hebben een aantal partijen lang bezig gehouden, maar dan nu toch de plenaire behandeling.
Met de inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen (Wet Beu) op 1 januari 2000 is aan de Toeslagenwet (TW) artikel 4a toegevoegd, waarin is bepaald dat de toeslag niet wordt uitbetaald indien een gerechtigde buiten Nederland woont. Beperking van de export van toeslagen binnen de EU/EER was nog niet mogelijk omdat verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen zich hiertegen verzette. Hierop kan één uitzondering gemaakt worden, namelijk voor bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, indien ze op bijlage II-bis worden vermeld. In de memorie van toelichting bij de Wet Beu is vermeld dat de export van toeslagen binnen de Europese Unie wordt voortgezet totdat de TW op bijlage II-bis is geplaatst.
Op 5 mei 2005 is de Verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europese Parlement en de Raad van 13 april 2005 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 in werking getreden. Met deze wijzigingsverordening is de TW op de bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 behorende bijlage II-bis geplaatst. Als gevolg hiervan is met ingang van 5 mei 2005 export van toeslagen op grond van de TW niet langer noodzakelijk binnen de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. Dit houdt in dat in de EU en de EER wonende gerechtigden op een Nederlandse loondervingsuitkering, geen recht op TW-toeslag meer hebben maar afhankelijk zijn van het uitkeringsstelsel in het land waarin zij gevestigd zijn. Anderzijds kunnen in Nederland wonende gerechtigden op een buitenlandse loondervingsuitkering juist recht op TW-toeslag gaan krijgen. Dit wetsvoorstel voorziet in een overgangsregeling voor toeslaggerechtigden die in een van de eerder vermelde landen wonen. De uitkering uit hoofde van de TW wordt in een periode van drie jaar lineair afgebouwd.
De Raad van State onderschrijft in haar advies van 3 maart 2005 de strekking van het wetsvoorstel, maar plaatst een opmerking over de intrekking van verordening 1408/71. Verordening 883/2004 zal verordening 1408/71 intrekken. De beperking van de exporteerbaarheid zal echter gecontinueerd worden op basis van bijlage X bij verordening 883/2004, zodat er vanuit de Raad van State geen belemmeringen meer worden geconstateerd.
Wellicht ten overvloede: in de verordening 883/2004 staat geen 95 ter meer en er wordt dus geen eerbiedigende werking meer vermeld. In de nota naar aanleiding van het verslag van 21 juni 2005 wordt vermeld: "Het UWV verwacht de betrokkenen in september 2005 op de hoogte te stellen van de voorgenomen wijzigingen door middel van een persoonlijke mailing." Graag verneemt de CDA-fractie van de staatssecretaris of de betrokkenen al ingelicht zijn. En indien het antwoord "nee" is, of de staatssecretaris het terecht vindt dat, indien het wetsvoorstel wordt aanvaard, de uitkering van betrokkenen al onmiddellijk per 1 juni 2006 met een derde wordt verlaagd. Graag vernemen wij van de staatssecretaris wat er gebeurt als het wetsvoorstel niet wordt aanvaard. Als de staatssecretaris het niet terecht vindt dat de uitkering wordt verlaagd bij aanvaarding van het wetsvoorstel, vernemen wij graag van de staatssecretaris op welke wijze hij dit gaat oplossen.
In verordening nr. 1408/71 is in artikel 95 ter, achtste lid, voorzien in overgangsrecht voor prestaties die per 1 juni 1992 op bijlage bis II zijn geplaatst en die uit hoofde van titel III van de verordening zijn toegekend. Dit overgangsrecht schrijft eerbiedigende werking voor dergelijke prestaties voor. Verordening (EEG) nr. 1408/71 kent echter geen overgangsregeling ten behoeve van prestaties die na 1 juni 1992 op de bijlage worden vermeld. Ook de wijzigingsverordening waarmee de Toeslagenwet op bijlage II bis wordt geplaatst bevat geen overgangsrecht. Het wordt aan de lidstaten overgelaten of er overgangsrecht komt en, zo ja hoe dit wordt vormgegeven.
In de memorie van toelichting wordt bij het overgangsrecht vermeld: "Door de Toeslagenwet binnen de EU/EER gefaseerd af te bouwen, wordt voorkomen dat de betrokken toeslaggerechtigden gedurende zeer lange tijd in een gunstiger positie verkeren dan personen die niet onder het overgangsrecht vallen. Daarnaast is er sprake van eenzelfde behandeling ten aanzien van personen die buiten de EU/EER wonen en wier toeslag met ingang van 1 januari 2000 in drie jaarlijkse termijnen werd afgebouwd."
Deze argumentatie is niet helemaal valide nu nog -- zie de nadere memorie van antwoord van 12 december 2005 -- naar veertien landen buiten de EU TW-toeslagen betaald worden, omdat de Toeslagenwet onder de werkingssfeer van bilaterale verdragen valt en de toeslag op grond van die verdragen geëxporteerd moet worden. Kan de staatssecretaris, wellicht ten overvloede, nog eens aangeven waarom hij, wetende dat er ook buiten de EU/EER nog toeslagen betaald worden en dat het UWV het procesrisico hoog inschat, toch vasthoudt aan deze overgangsregeling? De CDA-fractie wacht de antwoorden van de staatssecretaris af.
De heer Van den Berg (SGP): Voorzitter. Ik spreek deze bijdrage mede namens de ChristenUnie-fractie uit. Als het over sociale zekerheid gaat, met name binnen de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, is er nog al eens sprake van tegengestelde uitgangspunten. De nationale autonomie enerzijds en, Europees gezien, de individuele sociale zekerheid anderzijds kunnen op gespannen voet met elkaar staan. Dit viel mij ook weer op bij de bestudering van dit wetsontwerp. Immers, iedere Nederlander heeft onder bepaalde voorwaarden recht op een zodanig levenspeil dat hij/zij in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Zeg maar het sociaal minimum. Daarvoor hebben wij de Toeslagenwet. Zij voorziet namelijk in een aanvulling tot aan het van toepassing zijnde sociale minimum.
Nu zijn er in het Europees parlement, bij een wijzigingsvoorstel van verordening 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de gemeenschap verplaatsten, door leden en fracties in het Europees parlement amendementen ingediend. Dit om te voorkomen dat de Toeslagenwet op bijlage II bis geplaatst zou worden. Desondanks is door de Raad van Ministers besloten om dit wel te doen. Dit heeft tot gevolg dat aan de al jaren bestaande legitieme praktijk een einde is gekomen. Weliswaar zal dit gefaseerd worden toegepast, maar onze fracties zijn echter van mening dat dit op gespannen voet staat met het gemeenschapsrecht. Wij verzoeken de staatssecretaris dan ook het tegendeel aan te tonen.
Vervolgens vragen de fracties van SGP en ChristenUnie ruime aandacht van de staatssecretaris voor het procesrisico dat hierdoor voor ons land ontstaat. Dit geldt met name de terugwerkende kracht tot 5 mei 2005, alsmede de voorgestelde afbouwregeling. Temeer daar ook ten aanzien van de Wajong in het Europees parlement amendementen werden ingediend die tot doel hadden om de Wajong niet te plaatsen op bijlage II bis van verordening 1408/71. Ook daarbij is ondanks deze amendementen door de Raad van Ministers besloten om de Wajong toch op de bewuste bijlage te plaatsen. Ondertussen is duidelijk geworden dat de gekozen handelwijze discutabel is. Inmiddels heeft de Rechtbank van Amsterdam besloten om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Het gaat dan om de vraag of de Wajong wel geplaatst had mogen worden op bijlage II bis, wat de meeneembaarheid van de Wajong onmogelijk maakt. Alleen al de politieke ontstaansgeschiedenis die in zulke processen ook wordt meegenomen, is naar de mening van onze fracties reden om omzichtig om te gaan met de conclusies over het karakter van de regeling. Voorheen was deze uitkering immers onderdeel van de volksverzekering AAW. Om redenen die niets met de regeling zelf van doen hadden, namelijk loskoppeling van de WAO en de AAW in verband met het invoeren van premiedifferentiatie in de WAO, is de afzonderlijke Wajongregeling tot stand gekomen.
Voorzitter. Onze fracties vinden dat zorgvuldigheid uitgangspunt moet zijn. Onze inzet is erop gericht dat wij uit moeten gaan van de situatie van personen, zodat voluit rekening moet worden gehouden met verkregen rechten. Daarom wachten wij met belangstelling de beantwoording af.
Mevrouw Meulenbelt (SP): Voorzitter. Dit onderhavige wetsvoorstel is voor mijn fractie haast eerder een aanleiding om nog eens te praten over de functie van de Eerste Kamer dan alleen over het wetsvoorstel zelf. Dit wetsvoorstel is als hamerstuk aangenomen in de Tweede Kamer. Niemand heeft zich daar verder druk over gemaakt. Ik kijk dan ook met grote waardering naar onze collega Westerveld die de moeite heeft genomen om dat te doen wat de Tweede Kamer niet heeft gedaan, namelijk zorgvuldig kijken naar de inhoud en consequenties van het wetsvoorstel. Is het niet ook de functie van de Eerste Kamer om erop toe te zien dat er niet al te gemakkelijk wetten worden aangenomen waarmee burgers vervolgens naar de rechter kunnen lopen? Dat kan een keer gebeuren en dat mag een burger altijd, maar als dat te vaak gebeurt en de regering te vaak ongelijk krijgt, dan kun je zeggen dat het vertrouwen in de rechtsstaat daarmee tamelijk wordt aangetast. Het is onze taak om te proberen de regering daarvoor te bewaren.
Op zich zou onze fractie weinig moeite hebben met het feit dat regelingen en verworven rechten een keer afgebouwd moeten worden. Dat zal in de geschiedenis zelden te vermijden zijn. Als het maar zorgvuldig en transparant gebeurt, mensen het op tijd weten en er niet meer schade aan oplopen dan nodig is. Wij zouden er op zich ook geen moeite mee hebben als er met de export van uitkeringen rekening wordt gehouden met het feit dat in sommige landen een euro meer waard is dan hier. Daar is wat ons betreft best over te praten. Mevrouw Westerveld heeft gevraagd -- en mevrouw De Wolff heeft zich daarbij aangesloten -- of met deze wet niet veel te laat wordt geprobeerd om iets te veranderen. Hierdoor wordt meer schade aangebracht dan ermee wordt opgelost.
De groep waarom het gaat, blijkt niet groot te zijn. Wij kunnen ons werkelijk afvragen of de schade die wordt aangericht wanneer veel mensen naar de rechter stappen om terug te eisen wat nu van hen wordt afgenomen niet groter is dan wanneer een aantal mensen -- en dat aantal blijkt dus niet groot te zijn -- een beetje meer luxe krijgt dan wij nodig vinden. Ik kijk dus met belangstelling uit naar de antwoorden die de staatssecretaris zal geven op de reeds gestelde vragen, bij welke vragen ik mij van harte aansluit. Ik zou graag eens een discussie willen voeren over de vraag of het ten eeuwigen dage zo moet blijven dat de Eerste Kamer wetsvoorstellen alleen maar integraal mag goed- of afkeuren. Kan er niet eens een tussenweg worden bewandeld, waar een wetsvoorstel als onaf en te weinig doordacht wordt teruggestuurd naar de Tweede Kamer, zonder dat meteen het kabinet hoeft te vallen? In dit geval heeft de staatssecretaris zelf misschien een creatieve oplossing. Tamelijk veel fracties zijn immers niet erg tevreden over dit wetsvoorstel.
De vergadering wordt van 14.15 uur tot 14.40 uur geschorst.
Staatssecretaris Van Hoof: Voorzitter. U zult mij niet kwalijk nemen dat ik niet inga op de woorden van de geachte afgevaardigde mevrouw Meulenbelt over de positie en de rol van de Eerste Kamer bij de behandeling van wetsvoorstellen. Ik beperk mij tot het wetsvoorstel zelf en zal daarover eerst in algemene zin enkele opmerkingen maken. Daarna zal ik ingaan op een groot aantal specifieke vragen die zijn gesteld. Ten slotte zal ik iets zeggen over de stand van zaken rond de behandeling van het wetsvoorstel en het tijdsverloop daarbij.
Meerdere woordvoerders hebben gememoreerd dat op 5 mei 2005 de Toeslagenwet in bijlage II bis van Verordening 1408/71 EEG is geplaatst. Die verordening bevat het Europese coördinatierecht op het gebied van de sociale zekerheid. Met de plaatsing in de bijlage is bereikt dat de Toeslagenwet is uitgezonderd van de exportverplichting van Verordening 1408/71. Omdat de Toeslagenwet zelf ook een exportverbod bevat, is er sinds 5 mei 2005 geen titel meer om toeslagen naar andere landen van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte en naar Zwitserland te exporteren. Dat was ook de analyse van mevrouw Vedder. Mensen die vanaf deze datum naar het buitenland zijn verhuisd hebben hun toeslag niet meegekregen. Omdat het niet redelijk was om onmiddellijk de toeslag te beëindigen van mensen die al in het buitenland woonden, is er een overgangsregeling tot stand gebracht. Dit onderstreept dat het kabinet de zorgvuldige invalshoek heeft gekozen om de toeslag van mensen die al in het buitenland verbleven niet van de ene op de andere dag stop te zetten. Het wetsvoorstel dat nu aan de orde is bevat dan ook een afbouwregeling voor personen die op 5 mei 2005 met een toeslag in een ander EU- of EER-land of in Zwitserland woonden.
Over de niet-exporteerbaarheid van de Toeslagenwet merk ik het volgende op. De Toeslagenwet is op 1 januari 1987 in werking getreden als onderdeel van de stelselherziening sociale zekerheid in de jaren tachtig. De wet kwam in de plaats van de regeling inzake het minimumdagloon. Het doel van de Toeslagenwet is, rechthebbenden op een loondervingsuitkering een inkomensgarantie te bieden op minimumniveau. Op het moment dat de Toeslagenwet in werking trad, kende deze nog geen exportbeperking. Bij de totstandkoming van de Wet BEU is het standpunt ingenomen dat de toeslag niet geëxporteerd dient te worden, omdat het een sociale voorziening is die gefinancierd wordt uit de algemene middelen en waarvan de hoogte is afgestemd op het sociale minimum in Nederland. In de Toeslagenwet zelf is toen een exportbeperking opgenomen. Bestaande toeslagen van personen die op 1 januari buiten de EU woonden, zijn met ingang van 1 januari 2002 over een periode van drie jaar afgebouwd. Beperking van de export van toeslagen binnen de EU en de EER was op dat moment nog niet mogelijk, omdat EEG-verordening 1408/71 zich daartegen verzette. Daarmee heb ik ook antwoord gegeven op een van de vragen van mevrouw Westerveld. In het kader van de verordening kan de Toeslagenwet worden aangemerkt als een bijzondere non-contributieve uitkering.
Uitkeringen zijn non-contributief als zij uit de openbare middelen worden gefinancierd. Uitkeringen zijn bijzonder wanneer zij enerzijds als aanvulling dienen op een sociale verzekering zoals de WW of de WIA – en daarmee dus geen sociale verzekeringen zijn maar sociale voorzieningen -- en anderzijds bijstandsachtige kenmerken hebben, zoals een inkomens- en partnertoets. Bijzondere non-contributieve prestaties kunnen worden uitgezonderd van de algemene exportverplichting van verordening 1408/71 mits deze zijn vermeld op bijlage 2 bij die verordening. In 2000 is de Toeslagenwet aangemeld bij de Europese Commissie voor plaatsing op bijlage 2 bis. In 2003 heeft de Commissie een voorstel voor een wijzigingsverordening ingediend bij de Raad. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 5 mei 2005, waarmee de Toeslagenwet op bijlage 2 bis is geplaatst. Die plaatsing leidt tot wederkerigheid tussen lidstaten. Dat betekent weliswaar dat export van toeslagen niet langer mogelijk is naar andere EU- of ER-lidstaten, maar de betrokken uitkeringsgerechtigden kunnen mogelijk aanspraak maken op een bijzondere non-contributieve uitkering in het woonland als de wetgeving van dat woonland daarin voorziet.
Andersom kunnen gerechtigden op een buitenlandse loondervingsuitkering die wonen in Nederland in aanmerking komen voor een Nederlandse toeslag op hun buitenlandse uitkering. Dit vormt de achtergrond voor de niet-exporteerbaarheid van de Toeslagenwet.
Over de in het wetsvoorstel vervatte overgangsregeling merk ik graag het volgende op. De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van uw Kamer heeft in haar brief van 27 januari jl. twijfels geuit over de verenigbaarheid van de afbouwregeling met het Europees recht en heeft de vraag opgeworpen of het Europese vertrouwensbeginsel ons niet verplicht tot een eerbiedigend overgangrecht.
In verband met de formele aspecten die ik in mijn brief heb genoemd, heb ik de brief niet kunnen doorzenden naar de Raad van State. Ik heb begrepen dat daarvoor van de zijde van uw Kamer begrip bestaat. Toch wil ik hierover nog wel iets zeggen. In het EG-verdrag zijn namelijk geen bepalingen opgenomen die overgangsrecht regelen bij een wijziging van wetgeving. Bij het ontbreken van overgangsbepalingen is in het Europees recht onmiddellijke werking de stelregel. Dat blijkt ook uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. Bestaande rechten dienen alleen te worden ontzien als dit in de desbetreffende regeling uitdrukkelijk wordt bepaald. De wijzigingsverordening waarmee de Toeslagenwet op de bijlage is geplaatst, bevat geen overgangsrecht. Nederland heeft dat indertijd wel aan de orde gesteld, maar de Europese Commissie was van mening dat het treffen van overgangsrecht in deze situatie een nationale aangelegenheid was. Dit standpunt is ook tot uitdrukking gekomen in overweging 6 van de wijzigingsverordening, die als volgt luidt: “De herziening van bijlage 2 bis zal leiden tot de opname van bepaalde nieuwe vermeldingen. In het laatste geval moeten de lidstaten nagaan of overgangsregelingen of bilaterale oplossingen nodig zijn om rekening te houden met de situatie van personen van wie de verkregen rechten dientengevolge kunnen worden aangetast”. De beoordeling of een overgangsregeling is aangewezen, is dus expliciet aan de lidstaten overgelaten.
Bij de totstandkoming van verordening 1408/71 en sommige wijzigingsverordeningen zijn overgangsbepalingen opgenomen. Bij de wijzigingsverordening waarmee de Toeslagenwet op de bijlage is geplaatst, is dat bewust niet gebeurd. Nu deze wijzigingsverordening geen overgangsrecht bevat en ook het EG-verdrag en 1408/71 niet voorzien in toepasselijk overgangsrecht, heeft de plaatsing van de Toeslagenwet op bijlage 2 dus onmiddellijke werking.
Dit zou er echter op neerkomen dat de toeslagen direct na de plaatsing van de Toeslagenwet op de bijlage hadden moeten worden beëindigd. Dat vond het kabinet ook niet reëel. Omdat het kabinet de toeslaggerechtigden in de gelegenheid wilde stellen om zich in te stellen op de wijziging van de financiële situatie, regelt het hier aan de orde zijnde wetsvoorstel dat de toeslagen van personen die op 5 mei 2005 in een ander land van de EU, de ER of Zwitserland woonden in drie jaar worden afgebouwd.
Mevrouw Westerveld (PvdA): Ik meen dat ik de staatssecretaris met zijn betoog een impliciet antwoord hoor geven op mijn vraag of de zesde considerans van de plaatsingsverordening niet eerbiedigend overgangsrecht impliceert. Wij kunnen wel tegen elkaar zeggen dat dat overgangsrecht niet is voorgeschreven en dat wij dat dus ook niet hoeven toe te passen, maar het gaat hier om de implicatie.
Staatssecretaris Van Hoof: De reactie draait om het woord “moeten”. In de notitie staat dat overweging 6 een eerbiedigende werking verlangt. Mevrouw Westerveld herhaalt dat hier. Er staat verder dat lidstaten moeten nagaan of overgangsregelingen of bilaterale oplossingen nodig zijn, niet dat zij die moeten creëren. Het gaat dus om het woord “moeten”. Nederland zou in gebreke zijn als het niet voorkwam dat bestaande rechten verloren gaan. Ik wijs er echter op dat Nederland aanvankelijk heeft verzocht om opneming van dit overgangsrecht in de wijzigingsverordening. De Europese Commissie was van mening dat het treffen van overgangsrecht een nationale aangelegenheid is. Dat standpunt is uiteindelijk tot uitdrukking gekomen in overweging 6, volgens welke wij moeten nagaan of een overgangsregeling nodig zal zijn. De nadruk ligt hierbij dus niet om het woord “moeten” maar op het woord “nagaan”. Soms is taalgevoel bij een uitleg heel belangrijk, soms ook het gevoel voor een buitenlandse taal. In dit opzicht vind ik de originele Engelse tekst duidelijker dan de vertaling. Die tekst luidt als volgt: “It is then for these member states to consider the need for transitional arrangements or bilateral solutions”. De bedoeling van de overweging is duidelijk: het is aan lidstaten om af te wijken van het uitgangspunt van onmiddellijke werking als de nationale omstandigheden of andere invalshoeken daartoe aanleiding geven. Overigens is de schrijver, de heer Pennings, wel van mening dat aan onderdelen van de considerans betekenis moet worden toegekend voor de uitleg van het gemeenschapsrecht en dat deze ook voor het Europees Hof van Justitie een rol kunnen spelen. Ik heb echter al aangegeven dat de strekking van de considerans een andere is.
Mevrouw Westerveld (PvdA): Voorzover ik het kan overzien, kan de Europese Unie bij zo´n maatregelen kiezen tussen drie varianten. De eerste variant is de lidstaten dicteren in een uniforme regeling hoe zij de zaak moeten aanpakken. Ik begrijp dat Nederland aan de Europese Unie heeft gevraagd om met zo´n uniforme regeling te komen opdat iedereen weet waaraan hij toe is, maar dat de EU dat niet heeft gedaan. De tweede variant is helemaal niets doen, dus geen enkele overweging wijden aan het vraagstuk van het overgangsrecht. Een tussenvariant zou wat mij zijn dat een vermaning wordt uitgesproken dat zorgvuldig moet worden gekeken naar het mogelijk teloor gaan van rechten en of daarop maatregelen denkbaar zijn. Ik hoor graag de opvatting van de staatssecretaris hierover.
Het ligt met andere woorden niet zo zwart wit. Je kunt namelijk niet zeggen dat er helemaal niets hoeft te worden gedaan met het argument dat men het anders wel had geregeld. Er is gekozen voor de tussenweg: u zult daar rekening mee moeten houden, want de Unie heeft redenen om het niet uniform voor te schrijven. Overigens was dit in 2005 wel ingewikkelder dan in 1992.
Mevrouw De Wolff (GroenLinks): De staatssecretaris citeert ook in het Engelse origineel van de considerans selectief. Het tweede deel van de zin die hij citeert, luidt namelijk: dat de lidstaten na moeten gaan of er iets nodig is óm rekening te houden met de situatie van personen van wie de rechten aangetast zouden kunnen worden. De considerans impliceert dus dat er rekening gehouden moet worden met reeds verworven rechten. Hoe dat wordt gedaan, is aan de lidstaten. Zij kunnen, zoals de staatssecretaris terecht opmerkt, kiezen voor overgangsrecht of bilaterale afspraken. Die vrijheid heeft de regering.
Staatssecretaris Van Hoof: Wat u en mevrouw Westerveld zeggen, is geregeld in het wetsvoorstel. Mevrouw Westerveld merkt terecht op dat de Commissie niet heeft voorgeschreven dat er iets moet gebeuren. De Commissie heeft tegelijkertijd ook niet gezegd dat zij zich hier helemaal niet mee wil bemoeien en dat zij er daarom helemaal niets over opneemt. Integendeel: de Commissie heeft bepaald dat de nationale staten zelf moeten nagaan of zij wel of niet de voorkeur geven aan overgangsrecht. De Commissie houdt dus wel degelijk rekening met de aanvulling van mevrouw De Wolff.
Wij hebben ons de vraag gesteld of er overgangsrecht moet komen en vervolgens vastgesteld dat het niet zorgvuldig is om op 5 mei al te stoppen. Mensen moeten volgens ons namelijk de tijd krijgen om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Overigens kunnen mensen als zij geen of een lagere toeslag krijgen, zich ook oriënteren op de wederkerigheid die in de regeling is vervat. Zij kunnen namelijk bekijken of in het land waar zij vrijwillig zijn gaan wonen, een aanvullende regeling bestaat die het karakter heeft van de Nederlandse Toeslagenwet.
Ik vind al met al nog steeds dat de regering op een goede manier heeft ingespeeld op de ruimte die de Commissie haar heeft geboden.
Mevrouw Westerveld (PvdA): De regering leest de considerans dus zo dat de EU heeft gezegd dat men zich achter het oor moet krabben of een overgangsregeling geboden is. Als de regering zich achter het oor heeft gekrabd en zomaar ergens voor kiest, is het dus altijd goed omdat er geen impliciete norm is voor de inhoud van de overgangsregeling?
Staatssecretaris Van Hoof: De Commissie heeft de Nederlandse regering de ruimte gelaten om te kiezen voor een overgangsregeling. De regering heeft vervolgens geoordeeld dat er een overgangsregeling moet komen. Dat is uiteindelijk deze regeling geworden, een regeling die volgens ons voldoet aan alle eisen die je aan een dergelijke regeling kunt stellen.
De overgangsregeling bepaalt dat men in het eerste jaar, 5 mei 2005 t/m 1 juni 2006, de toeslag volledig doorbetaald krijgt. Vanaf 1 juni 2006 wordt de toeslag met een derde verminderd. De jaren daarop wordt de toeslag met een identiek percentage verminderd, zodat er na drie jaar geen recht meer op een toeslag bestaat. Daarmee sluit de regering aan bij het overgangsrecht dat gold voor toeslaggerechtigden buiten de EU.
Door de Toeslagenwet binnen de EU gefaseerd af te bouwen wordt tegelijkertijd voorkomen dat betrokken toeslaggerechtigden gedurende zeer lange tijd in een gunstiger positie verkeren dan personen die niet onder het overgangrecht vallen. Met dit wetsvoorstel heeft het kabinet uitvoering gegeven aan de overweging bij de wijzigingsverordening. Aangezien de wet nog niet in werking is getreden, is het UWV gevraagd om vooruit te lopen op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en de toeslagen van de betrokken gerechtigden vanaf 5 mei door te betalen.
Mevrouw Westerveld (PvdA): U wilt voorkomen dat mensen door eerbiedigend overgangsrecht langere tijd in een gunstiger positie verkeren. De groepen waarop u doelt, zijn de mensen die Nederland hebben verlaten voordat er sprake was van een exportbeperking en mensen die Nederland hebben verlaten op het moment dat men wist dat er sprake was van een exportbeperking. De eerste groep, is de groep die volgens u ten onrechte bevoordeeld zou worden. Zie ik dat juist?
Staatssecretaris Van Hoof: Dat geloof ik niet. Ik heb mensen binnen en mensen buiten de EU vergeleken. Wij sluiten namelijk aan bij het overgangsrecht dat gold voor toeslaggerechtigden buiten de EU. Door de Toeslagenwet binnen de EU gefaseerd af te bouwen, voorkomen wij dat betrokken toeslaggerechtigden zeer lange tijd in een gunstiger positie verkeren dan personen die niet onder het overgangsrecht vallen.
Mevrouw Westerveld (PvdA): Dat is inderdaad een andere benadering. Zegt u hiermee eigenlijk dat er een regel is voor de verdragsrelatie met andere landen die bepaalt dat mensen die onder verschillende verdragsrelaties vallen, gelijk moeten worden behandeld als een van die verdragsrelaties wordt veranderd? Het maakt u met andere woorden niet uit wat de bilaterale verdragsrelatie is, omdat u nu eenmaal moet opteren voor gelijke behandeling van alle landen waarmee wij verdragen hebben gesloten.
Staatssecretaris Van Hoof: U zegt nu dat mijn woorden iets impliceren en verbindt daar vervolgens ook nog eens een conclusie aan. Ik heb dit helemaal niet bedoeld te zeggen. Ik heb namelijk alleen maar een feitelijke vergelijking willen maken tussen toeslaggerechtigden buiten de EU en toeslaggerechtigden binnen de EU. Het is een feitelijke constatering dat voor beide groepen dezelfde overgangsregeling geldt.
Mevrouw Swenker (VVD): Mensen die op 5 mei 2005 Nederland hebben verlaten, komen dus niet in aanmerking voor de overgangsregeling.
Staatssecretaris Van Hoof: Dat klopt.
Mevrouw Swenker (VVD): Mensen die op 5 mei 2005 al in het buitenland verbleven, binnen of buiten de EU, ontvangen de toeslag nog steeds. De overgangsregeling beperkt zich met andere woorden tot mensen die op 5 mei 2005 al iets ontvingen. Is dat correct?
Staatssecretaris Van Hoof: Dat is correct.
Voorzitter. Mevrouw Westerveld vroeg mij naar de Wet BEU. Bij deze wet is gekozen voor een afbouw in drie jaar. Iedereen heeft daar destijds mee ingestemd. Dat roept de vraag op waarom wij nu deze discussie zouden moeten voeren over het voorstel van de regering om de regeling voor mensen binnen de EU af te bouwen. Die discussie zou alleen noodzakelijk zijn als het EU-recht iets anders zou voorschrijven dan het doet. Dat is niet het geval en de regering doet dan ook niets anders dan bij de uitvoering van de Wet BEU.
Mevrouw Swenker vroeg of de afbouwregeling in strijd is met Europees recht omdat dat zou verplichten tot eerbiedigende werking. Ook mevrouw Westerveld heeft hierover gesproken. In mijn inleiding heb ik al aangeven dat een van het EG-verdrag afgeleide regeling een algemene regeling bevat over het overgangsrecht bij wijze van regelgeving. Op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie kan worden gesteld dat de hoofdregel onmiddellijke werking is. Ik vind het belangrijk om dat nog een keer vast te stellen. Als een nieuwe verordening of regeling geen overgangsregeling bevat, moet worden aangenomen dat er sprake is van onmiddellijke werking.
Dat geldt zowel voor nieuwe rechten als voor bestaande rechten en op alle terreinen waarvoor het Europees Recht geldt, dus ook op het gebied van de sociale zekerheid. Bestaande rechten dienen alleen te worden ontzien wanneer de desbetreffende regeling hierover uitdrukkelijk iets bepaald. Dit is de basis van de redenering die onder dit wetsvoorstel ligt. Deze is niet
Toon alle artikelen (19)
Deze pagina is laatst gewijzigd op 30-01-2008 om 16:24.