|
|
Pleitnota kort geding 3 maart tegen de Staat
VOORZIENINGENRECHTER IN DE RECHTBANK DEN HAAG Kort geding, zitting d.d. 3 maart 8.30 uur Pleitaantekeningen Mr E.H. Pijnacker Hordijk inzake 1. de stichting STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (de "Stichting") gevestigd te ’s-Gravenhage en tegen de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), met zetel te Den Haag Inleiding 1. De eerste termijn zal relatief kort zijn. De Staat heeft tot nu toe nauwelijks inzicht gegeven in de eigen juridische stellingname, en dat brengt mee dat ik eerst in tweede termijn inhoudelijk op de standpunten van de Staat zal kunnen reageren. In eerste termijn zal ik kort stilstaan bij de kern van de problematiek en de noodzaak van de gevraagde voorlopige voorzieningen. In dat kader zal ik tevens een enkele opmerking plaatsen bij de producties namens de Staat.
2. Eerst kort iets over de positie van eisers. De Stichting is in korte tijd uit de grond gerezen ter behartiging van de belangen van Nederlandse gepensioneerden in het buitenland in het kader van de invoering van de Zorgverzekeringswet. Het bestuur bestaat uit gepensioneerden uit Spanje, Frankrijk en België, terwijl mij uit uitgebreide correspondentie is gebleken dat ook tal van gepensioneerden uit met name Noorwegen, Zweden, Finland, Italië, Griekenland, Duitsland, Oostenrijk zich actief met de materie bemoeien. Volgens een eigen inschatting van het Ministerie staat de Stichting voor de belangen van meer dan 100.000 gepensioneerden in het buitenland. 3. Namens de Stichting heb ik als eerste stap de Minister aangeschreven. Aan het schrijven had ik een eerste concept van de dagvaarding gehecht in een streven op basis van zo groot mogelijke transparantie tenminste een inhoudelijke reactie te kunnen uitlokken over de juridische positie van de gemigreerde gepensioneerden onder de Zorgverzekeringswet. De - overigens tardieve - summiere schriftelijke reactie is bekend. Hieruit valt méér valt op te maken dan dat de Minister meent dat gepensioneerden gedwongen moeten worden aanspraak te maken op het verstrekkingenpakket van hun woonland, omdat anders sprake zou zijn van wat hij noemt "een systeem van zelfselectie", terwijl het er in feite slechts gaat om het voorkomen van een veelal dramatische verslechtering van de verzekeringspositie van hen die tot nog toe binnen het Nederlandse stelsel waren aangewezen op een particuliere ziektekostenverzekering. De Minister blijft ontkennen dat er überhaupt een probleem is. Daarmee was het kort geding definitief onafwendbaar. 4. Eisers sub 2-6 zijn individuele gepensioneerden, die zich niet in een wezenlijk andere positie bevinden dan de tienduizenden anderen wier belangen de Stichting behartigt, maar die ermee hebben ingestemd dat hun individuele omstandigheden in de dagvaarding uiteen worden gezet, teneinde daarmee de algemene problematiek een concreet gezicht te geven. Uit betrouwbare bron is aan bestuursleden van de Stichting bekend geworden, dat in kringen rond de Minister de problematiek van de buitenlandse gepensioneerden nog altijd pleegt te worden afgedaan als het non-probleem van de rijke renteniers uit Brasschaat, die niet moeten zeuren over sterk gestegen kosten in verband met ziektekosten. Een bij de materie nauw betrokken ambtenaar liet zich tegenover mij in een onbewaakt ogenblik ontvallen dat het gaat om een kleine kring van raddraaiers. De feiten mogen voor zich spreken. Beide besproken percepties helpen het onrechtmatige handelen van de Staat verklaren, maar zijn niettemin geheel bezijden de realiteit. De kernproblemen nader beschouwd 5. Waar gaat het in dit kort geding nu precies over. Het gaat om de behandeling die de buiten Nederland wonende gerechtigden tot een Nederlands pensioen ten deel valt. Niet alle buiten Nederland wonende gepensioneerden, maar zij die wonen in de zogenaamde Verdragslanden. Dat zijn in de eerste plaats de EU-landen plus Noorwegen, Ijsland en Lichtenstein (samen de EER) en Zwitersland; onderdelen van het voormalige Joegoslavië; Turkije, Marokko en de Tunesië en de Kaapverdische eilanden . Nederlandse gepensioneerden in andere landen – bijvoorbeeld de VS, Canada en Latijns Amerika - hebben geen last van de stelselwijziging, anders dan dat Nederlandse zorgverzekeraars zullen trachten premies te verhogen. 6. Ik concentreer mij op de positie van gepensioneerden die wonen in de EU-landen, omdat de achterban van de Stichting in die landen woonachtig is, en omdat alle betrokkenen aan éénzelfde internationale regeling onderworpen zijn. Het lijdt echter geen twijfel dat de uitkomst van dit kort geding ook gevolgen zal hebben voor gepensioneerden in andere Verdragslanden. 7. Er zijn twee kernproblemen. Het eerste betreft de draconische gevolgen voor pariculier verzekerden van de regels in het nieuwe zorgverzekeringsstelsel die specifiek zien op voor in Verdragslanden wonende gepensioneerden. Het tweede betreft de AWBZ-component in de verplichte bijdrage die wordt opgelegd aan in Verdragslanden wonende gepensioneerden. Deze maatregel treft alle bijdrageplichtigen. 8. Om de problematiek inzichtelijk te maken is het onontbeerlijk om precies op een rijtje te zetten wat de verzekeringspositie van gepensioneerden was vóór 1 januari 2006 en is nú, na invoering van de Zorgverzekeringswet. Dat verklaart in belangrijke mate de omvang (in pagina's) van de dagvaarding in kort geding. Het is allemaal niet buitengewoon complex, maar het moet wel helder op een rijtje worden gezet. 9. Voor wat betreft de periode vóór 1 januari 2006 moet een onderscheid worden gemaakt tussen de ziekenfondsverzekerden en de particulier verzekerden. Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen de verzekering tegen ziektekosten en de verzekering tegen kosten van (kort gezegd) langdurige zorg oftewel AWBZ-zorg. In het eerste geval betreft het kosten die normaalgesproken worden gedekt door het ziekenfonds c.q. de particuliere verzekering, in het tweede geval veelal om kosten die binnen de sfeer van de AWBZ vallen. 10. Voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2006 worden weliswaar alle gepensioneerden over één kam geschoren, maar dat laat onverlet dat er significante verschillen zijn tussen de gevolgen voor particulier verzekerden en voormalig ziekenfondsverzekerden. Ook hier geldt dat een precieze uitleg van de AWBZ-positie onontbeerlijk is voor een goed begrip van de problematiek. De positie van de particulier verzekerden 11. Particulier verzekerden plachten – tot 1 januari 2006 - in hun woonland volledige dekking te hebben tegen ziektekosten – ook voor behandelingen in Nederland – op dezelfde voet als particulier verzekerden in Nederland. De premies waren doorgaans wel iets hoger, maar andere verschillen waren er feitelijk niet. Deze situatie is met ingang van 1 januari 2006 radicaal veranderd. 12. Voor particulier verzekerden geldt dat hun particuliere verzekeringen massaal zijn opgezegd per 1 januari 2006 met een beroep op de Invoeringswet Zorgverzekeringswet. Terwijl de Minister van de verzekeraars expliciet heeft bedongen dat zij alle inwoners van Nederland onder de Zorgverzekeringswet in ieder geval eenmalig een pakket aanbieden tegen redelijke voorwaarden dat qua verstrekkingenpakket precies dezelfde overeenkomst met de verzekering die deze verzekerden vóór 1 januari 2006 hadden, heeft de Minister kennelijk welbewust nagelaten overeenkomstige waarborgen te bedingen ten behoeve van in het buitenland wonende verzekerden. De Minister zal aanvoeren dat hij in de Tweede Kamer op 6 december 2005 heeft toegezegd dat alle particulier verzekerden alsnog een aanbod krijgen voor een aanvullende woonlandverzekering. Zie producties 2 en 4 van de Staat, brochure van Wielborgh, p. 2. De Minister heeft dit echter niet afgedwongen. Blijkens de Handelingen van de Tweede Kamer d.d. 6 december 2005 (30 – 2074) heeft de Minister niet meer gedaan dan de koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland erop wijzen dat zorgverzekeraars juridische risico's zouden lopen als zij geen aanvullende woonlanddekking zouden aanbieden aan particulier verzekerden: "Als een verzekerde naar de rechter zou gaan met de stelling dat het opzeggen van het contract juridisch niet in orde is, is er een grote kans dat dit spaak loopt voor ZN. ZN heeft vervolgens zelf een juridische analyse laten maken en is toen tot dezelfde conclusie gekomen. Daarna heeft zij haar leden aangeraden om een andere koers te varen." Dat is alles. De Minister heeft niets willen afdwingen. Ik kom op de aanvullende woonlanddekking dadelijk nog terug. 13. De voormalig particulier verzekerden worden geacht met ingang van 1 januari 2006 aanspraak te maken op het minimumverstrekkingenpakket tegen ziektekosten volgens de sociale zekerheidswetgeving van hun woonland. De kosten daarvan komen op grond van Europese regelgeving op forfaitaire basis voor rekening van Nederland. Voor de goede orde: dat laatste automatisme wordt niet betwist; wel de verplichting voor migrerende gepensioneerden om zich bij het ziekenfonds van hun woonplaats te laten inschrijven. Nederland heft op haar beurt een verhoudingsgewijs zeer hoge bijdrage van deze buiten Nederland wonende gepensioneerden. 14. De Minister tracht deze aanpak te rechtvaardigen met de stelling dat dit het regime is dat vóór 1 januari 2006 ook al voor ziekenfondsverzekerden gold, en dat deze groep gepensioneerden in het verleden nooit geklaagd heeft over de verstrekkingen in het woonland. Op het eerste gezicht kun je met een dergelijke redenering nog wel een eindje op weg komen, maar het is een redenering die wel heel erg gemakkelijk is en die zich ook erg gemakkelijk laat doorprikken. Het eerste gegeven is dat het niveau van de basisverstrekkingen ingevolge de sociale zekerheid van veel Europese landen ver achterblijft bij het Nederlandse niveau: hoge eigen risico's en bijdragen, beperkingen van de artsen- en ziekenhuiskeuze, etc. Die stelsels zijn daarom ook veelal een stuk goedkoper. Duitsland komt nog het dichtst bij het Nederlandse niveau in de buurt, maar gepensioneerden die daar wonen zijn gek genoeg nu juist weer niet bijdrageplichtig in Nederland (zie productie 19). De Minister mag dit alles consequent en met veel aplomb blijven bagatelliseren, maar het is een feit. Ik heb daarover zoveel sprekende voorbeelden vanuit de achterban van de Stichting zien passeren, dat ik met het reciteren daarvan al de gehele duur van deze zitting zou kunnen vullen. Even voor alle duidelijkheid: de Europese regelgeving op het terrein van sociale zekerheid voorziet in coördinatie van wetgevingen, maar in het geheel niet in harmonisatie van sociale zekerheidsaanspraken en premieregimes. De verschillen tussen de EU-landen zijn dan ook enorm. Nederland heeft – met de AWBZ erbij – veruit het omvangrijkste verstrekkingenpakket, zonder eigen bijdragen van enige betekenis, met vooralsnog zeer ruime keuzevrijheid voor patiënten, etc. De premies voor Zorgverzekeringswet en AWBZ tezamen genomen zijn overigens navenant hoog, maar dat wordt gecompenseerd door zeer lage belastingtarieven in de laagste schijven. Productie 23 maakt dat inzichtelijk. 15. Een belangrijk feit is dat op grond van de Europese regelgeving voorafgaande toestemming van het lokale ziekenfondsverzekering nodig is voor iedere medische behandeling buiten het woonland – behalve in noodgevallen – welke toestemming in de meeste gevallen wordt en ook kan worden geweigerd . Dat betekent dat een in een ander EU-land wonende voorheen particulier verzekerde gepensioneerde het recht verliest om zich desgewenst in Nederland te laten behandelen. 16. Voor veel Ziekenfondsverzekerden met een Nederlands pensioen geldt dat zij na gedane arbeid zijn teruggekeerd naar hun land van oorsprong, alwaar zij dezelfde verstrekkingen krijgen als hun landgenoten die het land nooit hebben verlaten. Deze gepensioneerden hebben een totaal ander referentiekader dan de particulier verzekerde Nederlanders die na hun pensionering Nederland metterwoon verlaten. Dat is een feit dat moeilijk valt te loochenen. De ziekenfondspremie is pensioeninkomen gerelateerd. Dat geldt ook voor de Zorgverzekeringswetbijdrage, maar feit is dat particulier verzekerden in de meeste gevallen de maximumpremie betalen. Die beloopt – dankzij de AWBZ-bijdrage, waarover dadelijk méér – doorgaans een veelvoud van de premie voor een particuliere verzekering met volledige dekking. 17. Veel op de sociale zekerheid aangewezen gepensioneerden hadden in hun woonland bij hetzelfde ziekenfonds of elders een aanvullende verzekering afgesloten. Die aanvullende verzekering vormde een vaak onontbeerlijk geachte aanvulling op het minimumpakket. Dat geldt ook voor buiten Nederland wonende ziekenfondsverzekerden. De extra dekking en de extra premie vallen buiten het mechanisme van de Europese regelgeving. Nederlandse particulier verzekerde gepensioneerden die vanaf 1 januari 2006 worden teruggeworpen op de sociale zekerheid van het woonland, kunnen zich in theorie voor eigen rekening aanmelden voor de aanvullende verzekering in hun woonland. Door eisers is aangevoerd dat gepensioneerden in hun positie in de regel worden afgewezen vanwege hun leeftijd of hun lichamelijke staat. Het zijn – uiteraard – de zwaksten die aldus buiten de boot vallen. Dit punt is inmiddels in confesso. In de door de Staat als productie 4 overgelegde brochure wordt immers vermeld dat zij die 65 jaar of ouder zijn in Spanje niet meer in aanmerking komen voor een aanvullende verzekering, die in diezelfde brochure overigens van harte wordt aanbevolen. Dit is precies het dilemma waar eisers op doelen. - A beschikt over een brief van 8 februari 2006 van VGZ aan zijn echtgenote, waarin verzekeraar VGZ de verzekering van haarzelf en haar gezinsleden opzegt (productie 5). Dat is niet bepaald hetzelfde als een aanbod voor aanvullende woonlanddekking. - B heeft na een eerste opzeggingsbrief, waartegen hij heeft geprotesteerd, niets meer gehoord van zijn verzekering (productie 6). Intussen heeft hij in de krant mogen lezen dat oud-werkgever X honderden miljoenen euro heeft bespaard door de collectieve ziektekostenregeling voor gepensioneerden te schrappen. - C heeft zich mogen verblijden met een op 27 februari 2006 ontvangen afrekening van EUR 3.185, welke vermoedelijk bedoeld is voor een aanvullende woonlandverzekering (productie 21). 19. De positie van deze drie is tekenend voor de positie van de totale achterban van de Stichting. Het is een chaos. En voor zover al een aanbod is gedaan voor een aanvullende woonlanddekking wijst het bedrag van de polis uit dat de zorgverzekeraar ervan uitgaat dat de woonlanddekking niets voorstelt. Waarom zou anders een buiten Nederland wonende met zo'n polis drie keer zo veel moeten betalen als de gemiddelde ingezetene met een restitutiepolis met aanvullend pakket? 20. In dit verband zij tot slot opgemerkt dat de positie van C niet al te veel afwijkt van de positie van eisers in het eerdere kort geding tegen verzekeraars. Het vonnis gaf echter blijk van een – helaas nogal fundamenteel – misverstand. Er werd aangenomen dat in Spanje wonende gepensioneerden slechts een bijdrage van EUR 850 aan de Nederlandse Staat verschuldigd zijn, naast de kosten van een particuliere polis. Uit de processtukken in het onderhavige kort geding zal duidelijk zijn geworden dat de jaarlijkse bijdrage voor betrokkenen uitkomt op EUR 5.000 of meer. 21. Dat is de positie van de particulier verzekerden: zij verliezen hun particuliere verzekering, krijgen daarvoor vooralsnog niets of iets onbetaalbaars in de plaats, en mogen verplicht aan de Staat de hoofdprijs gaan betalen in ruil voor een veelal gebrekkig verstrekkingenpakket in het woonland. De financiële gegevens de zijn overgelegd met betrekking tot de individuele eisers wijzen uit dat de financiële consequenties enorm zijn. 22. Wat de situatie in de praktijk overigens extra onaanvaardbaar maakt is het ontbreken van een overgangsregime. Er is zelfs geen poging gedaan door de Staat om de praktische gevolgen van de invoering van het nieuwe regime voor reeds geëmigreerde – in veel gevallen reeds vele jaren geleden – particulier verzekerde gepensioneerden te verzachten. 23. In deze situatie is er slechts één oplossing: erkenning van de mogelijkheid voor rechthebbenden op een Nederlands om in het woonland af te zien van afspraken op resp. aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel. De Europese regelgeving biedt die mogelijkheid, en de Nederlandse overheid dient die mogelijkheid te respecteren en te faciliteren. Aldus wordt een enorme hoop ellende voorkomen. De AWBZ-component in de verplichte bijdrage 24. Niet-ingezetenen zijn met ingang van 1 januari 2006 categorisch uitgesloten van verzekering krachtens de AWBZ. Ook de voormalig ziekenfondsverzekerde gepensioneerden in het buitenland. Niettemin dienen Verdragsgerechtigden onder de Zorgverzekeringswet een verplichte bijdrage te betalen die voor gemiddeld rond 50% gebaseerd is op de AWBZ-premie. 25. Deze bijdrage, die kan oplopen tot bijna EUR 2700 per jaar, is beweerdelijk bedoeld ter dekking van de kosten van AWBZ-achtige verstrekkingen volgens het wettelijke systeem van hun woonland. In de dagvaarding – en meer nog in productie 17 – is uitvoerig toegelicht dat dit in de meeste gevallen weinig tot niets voorstelt. Er is dan ook geen enkele rechtvaardiging voor de exorbitante AWBZ-gerelateerde bijdrage. De korting van 30% op de premie van de "echte" AWBZ is op niets anders gebaseerd dan willekeur. 26. Blijkens productie 3 van de Staat wordt thans ook door de Staat erkend dat AWBZ-verstrekkingen in het woonland een non-issue zijn. Immers, in de overgelegde brochure van de commerciële exploitant van een woonvoorziening voor 55+-ers in Spanje wordt uitdrukkelijk bevestigd dat recht op zorg van het AWBZ-type in Spanje niet bestaat. Ten aanzien van andere landen heeft de Staat in het geheel geen informatie overgelegd. 27. In de dagvaarding is reeds omstandig toegelicht waarom de AWBZ-gerelateerde bijdrage als détournement de pouvoir moet worden aangemerkt: het is blijkens expliciete uitlatingen van de Minister niet zozeer bedoeld ter dekking van kosten van verstrekkingen in het buitenland c.q. woonland, maar als een soort solidariteitsheffing ter dekking van kosten van verstrekkingen aan ingezetenen; iets wat het Europese recht ten enen male niet toelaat. Voorts zijn in de dagvaarding de nodige redenen aangevoerd waarom de AWBZ-gerelateerde bijdrage ook strijdig moet worden geacht met andere algemene rechtsbeginselen. 28. Nadat de dagvaarding was uitgebracht heeft de voorbereiding van het kort geding niet stilgestaan. In productie 17 is nog een aantal nieuwe argumenten opgevoerd. Het meest in het oog springende punt is wel het gegeven dat beweerdelijke AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland in het verleden altijd zijn gefinancierd uit de Algemene Kas van de Ziekenfondswet. De financiele stromen verband houdende met de financiering van de AWBZ bleven buiten beeld. De AWBZ-premies die van ziekenfondsverzekerde gepensioneerden werden geheven, strekten ter dekking van de kosten van échte AWBZ-verstrekkingen en niet ter dekking van het zogenaamde woonlandpakket. 29. Wanneer men vervolgens bedenkt dat met de invoering van de Zorgverzekeringswet niets, maar dan ook niets, is gewijzigd in de aanspraken van voormalig ziekenfondsverzekerden op het AWBZ-woonlandpakket, is eens te meer evident dat de verdubbeling van de Zorgverzekeringswetbijdrage ten opzichte van de Ziekenfondswetpremie door toevoeging van de bestreden AWBZ-gerelateerde bijdrage op geen enkele wijze valt te rechtvaardigen. 30. Tot zover de – vanuit juridische perspectief – meest in het oog springende onrechtmatigheden in het optreden van de Staat jegens de in het buitenland wonende gepensioneerden. De prima facie onrechtmatigheden in het handelen van de Staat 31. Het optreden van de Staat kan om tal van redenen de toets van de juridische kritiek niet doorstaan: het is in strijd met hogere (Europese) regelgeving, het is onzorgvuldig, het is disproportioneel, het voorziet niet in enige vorm van – laat staan in adequate – overgangsmaatregelen, het discrimineert doordat het fundamenteel verschillende gevallen bij benadering gelijk behandelt: het getuigt van willekeur en levert op één wezenlijk onderdeel détournement de pouvoir op. Op een tweetal onderdelen is de onrechtmatigheid dermate ernstig van aard dat ingrijpen in kort geding mogelijk is en ook voor de hand ligt. Het eerste betreft de onjuiste toepassing van de toepasselijke Europese regelgeving, waardoor in het bijzonder de voormalig particulier verzekerden een keuzemogelijkheid wordt onthouden die wel degelijk bestaat, en die de ergste hardships voor deze categorie kan wegnemen. Ik kom hier in tweede instantie nog ander op terug. Ik zal dan ook iets nader ingaan op alternatieve mogelijkheden waarover de Minister beschikt om de door hemzelf gecreëerde dwangpositie voor de particulier verzekerden op te heffen. 32. Het tweede betreft de onmiskenbaar onrechtmatige AWBZ-component in de Zorgverzekeringswetbijdrage. Ook hierop kom ik in tweede termijn terug. Voorlopig verwijs ik naar het gestelde in de dagvaarding en in productie 17. Toelichting op noodzaak voorlopige maatregelen 33. In eerste termijn wil ik wél nader ingaan op de noodzaak en de passendheid van de voorlopige voorzieningen. 34. Het eerste betreft het punt van de keuzevrijheid die besloten ligt in het stelsel van artikel 28/28bis van Verordening 1408/71. Wanneer deze keuzevrijheid – al is het maar in het kader van een voorlopige maatregel – tot voorlopig uitgangspunt wordt genomen, dan betekent dit allereerst een voorlopige handhaving van de status quo, althans van de mogelijkheid daarvoor te kiezen. De Minister stelt (zie de brief aan de Kamer van 24 februari 2006; productie 26) dat buitenlandse gepensioneerden met dit kort geding erop uit zijn om "naar believen aanspraken (te) doen gelden op grond van de Europese socialezekerheidsverordening". Dat duidt wederom op een volstrekte miskenning van de werkelijke problemen. Het gaat particulier verzekerden erom dat zij hun particuliere verzekering kunnen continueren. Niet om een speculatieve handelwijze mogelijk te maken. De Minister doet het voorkomen alsof de betrokkenen niet of onvoldoende verzekerd het moment afwachten waarop zich een serieus gezondheidsrisico manifesteert, om zich dan terug te laten vallen in de veilige armen van de sociale zekerheid. Een aantijging die door eisers – met recht – als uiterst krenkend wordt ervaren. Ik vertrouw erop dat ik hier verder geen woorden aan hoef te wijden. 35. Op dit moment is het op het toepassingsfront onverminderd een chaos. Het enige wat vast staat is dat de Sociale Verzekeringsbank alvast begonnen was met het inhouden van bijdragen op AOW-pensioenen, maar die inhoudingen vervolgens deels weer heeft teruggedraaid. Lokale ziekenfondsen in het woonland zitten in het geheel niet te wachten op een massale toestroom van oudere Nederlandse verzekerden met een E121-formulier. CVZ heeft enorme achterstanden met de administratieve afhandeling van meldingen. Verzekeraars hebben artikel 2.5.2 Invoeringswet aangegrepen om massaal verzekeringen van gepensioneerden in het buitenland op te zeggen. Aanvankelijk gebeurde er aan het front van de verzekeraars nadien weinig of niets. Vervolgens werden in veel gevallen schoorvoetend aanbiedingen aan particulier verzekerden gedaan die veelal een premieverdubbeling of –verdrievoudiging inhielden. De besproken feiten met betrekking tot A, B en C spreken boekdelen. In deze bende is een standstill gewenst zo niet noodzakelijk. De verzekeraars hebben kennelijk hun zaken evenmin op orde als de overheidsinstellingen. Wat moeten ze ook met al die verschillende woonlanden en de binnen die landen ook weer uiteenlopende stelsels. In deze situatie is het voor de verzekerden ook niet mogelijk om verantwoord een keus te maken. De buitenlandse gepensioneerden zijn de stiefkinderen van de stelselherzieningsoperatie. Gezien hun leeftijd is dat een prestatie, maar niettemin is het geen aantrekkelijke positie. 36. Toewijzing van de eerste vier vorderingen heeft tot gevolg dat vooralsnog geen onherstelbare verandering wordt gebracht in de verzekeringspositie van particulier verzekerden, althans dat deze verzekerden ervoor kunnen kiezen om vooralsnog niet over te stappen van een particuliere dekking op het socialezekerheidssysteem van het woonland. De vier vorderingen hebben niet tot gevolg dat in het geheel geen wijzigingen kunnen optreden. In het begin van dit pleidooi heb ik er reeds op gewezen dat in de verzekeringsstatus van particulier verzekerden in niet-verdragslanden niets fundamenteels verandert. Dat hoeft niet zonder meer te betekenen dat de premies van de particuliere verzekeringen van deze gepensioneerden geheel ongewijzigd blijven. Toewijzing van het gevorderde sub 1-4 brengt mee dat de in de Verdragslanden wonende particulier verzekerden, wanneer zij ervoor kiezen zich niet te laten registreren bij het ziekenfonds van hun woonplaats, buiten de toepassingssfeer van artikel 69 ZVW blijven. In dat geval kan en mag Nederland geen heffingen opleggen, en vindt artikel 2.5.2. van de Invoeringswet ook geen toepassing. Dat betekent dat de verzekeringspolissen van de betrokken particulier verzekerden niet geacht kunnen worden te zijn vervallen, ook niet deels. Op dat moment kunnen deze verzekerden aanspraak maken op dezelfde behandeling als die welke particulier verzekerden in niet-verdragslanden ten deel valt. De Minister zelf heeft in zijn brief van eind januari 2006, p. 11/12 (productie 12), aangegeven hoe hij meent dat de juridische positie van deze particulier verzekerden moet worden geduid. 37. Toewijzing van de eerste vier vorderingen heeft geen ingrijpende gevolgen: ziekenfondsen in de woonlanden zitten in het geheel niet te wachten op een toevloed van bejaarde tot hoogbejaarde gerechtigden tot een Nederlands pensioen. Nederland hoeft voor degenen die zich niet melden bij het ziekenfonds van de woonplaats ook niets te betalen. Nederland kan ook geen bijdrage heffen van deze pensioengerechtigden, maar omdat de bijdragen niet bedoeld zijn om winst op te behalen maar enkel om een zekere dekking te bieden voor de werkelijke kosten van medische zorg voor de betrokken verzekerden, kan dat ook geen probleem zijn. Tot slot wordt aanzienlijk bespaard op administratieve kosten: CVZ, de Sociale Verzekeringsbank en andere pensioenbetalers hoeven niet in actie te komen. Het enige nadeel is dat de Staat zijn dwangbuismodel niet onverkort kan toepassen. Dat is echter een belang dat niet kan opwegen tegen de onherstelbare schade die de betrokken verzekerden dreigen te lijden. 38. Toewijzing van de vijfde vordering impliceert dat aan degenen jegens wie artikel 69 Zvw toepassing vindt, geen AWBZ-gerelateerde bijdrage mag worden geheven. Het betreffende deel van de Ministeriële regeling wordt buiten werking gesteld. Het gaat dus niet om buitenwerkingstelling van een wet in formele zin, maar om lagere regelgeving. Deze regelgeving is echter dermate onmiskenbaar onrechtmatig dat rechterlijk ingrijpen, ook in kort geding, aangewezen is. De heffing tegen het arbitraire percentage van 70% van de AWBZ-premie mist dermate zonneklaar een valide onderbouwing dat het in redelijkheid geen twijfel lijdt dat de Ministeriële regeling op het betreffende onderdeel ook in een eventuele bodemprocedure zal sneuvelen. 39. Ik wil nog een woord wijden aan het onherstelbare karakter van de schade die eisers dreigen te lijden. Dat onherstelbare karakter dient te worden bezien in samenhang met de ernst van het onrechtmatig handelen van de Staat. Dat handelen – zoals tot uitdrukking komt in schriftelijke stukken en mondelinge uitlatingen van de verantwoordelijke Minister – wordt getekend door een schrijnend dédain voor de positie en de belangen van de talloze in het buitenland wonende gerechtigden tot een Nederlands pensioen. Indien de Staat zich op enige wijze ook maar iets gelegen had laten liggen aan de gerechtvaardigde belangen van die talloze gepensioneerden, dan had de situatie – in ieder geval psychologisch en moreel – al enigszins anders gelegen. Nú moet worden geconstateerd dat de gerechtvaardigde belangen van juist de letterlijk zwaksten in de samenleving – hoe ouder hoe meer de betrokkenen van de overgang naar het nieuwe systeem te lijden hebben, want des te groter is de kostenstijging of valt de terugval in de dekkingsgrondslag uit – volstrekt zijn genegeerd. De slachtoffers van de bestuurlijke misslagen van de Nederlandse overheid zijn in veel gevallen niet meer in staat om zich individueel te weren. 40. Er is door vitale leden van de populatie van gelaedeerden een stichting opgericht met het doel procedures tegen aanvankelijk de verzekeraars en vervolgens ook de Staat te financieren. Indien de vorderingen van de stichting in kort geding worden afgewezen, is het met de Stichting gebeurd. Het vertrouwen van de achterban in de rechtstaat is al ernstig geschaad. Indien blijkt dat de klachten ook bij de rechter geen gehoor vinden, dan is het vertrouwen volledig weg. Dit is mij bij herhaling te verstaan gegeven, en ik heb geen enkele reden om hieraan te twijfelen. De mededeling dat er wel degelijk een goede kans is dat de gepensioneerden in een bodemprocedure na verloop van enkele jaren alsnog in het gelijk worden gesteld – waarbij de mogelijkheid van hoger beroep ook nog eens buiten beschouwing wordt gelaten – maakt geen indruk. 41. Eenieder, ook de Minister, dient te respecteren dat de tijdshorizon waarmee de ouderen in de samenleving rekenen, een beperkte is. Het perspectief dat een thans berokkend onrecht mogelijk over een aantal jaren alsnog op een of andere wijze kan worden gerepareerd, kan nog slechts weinigen onder de ouderen in beweging brengen. Berusting is dan het gevolg, en – in een geval als dit – wrok tegen de Nederlandse Staat. Dat geldt ook met betrekking tot de AWBZ-gerelateerde bijdrage. Alleen al de verplichting deze bijdrage te betalen betekent voor vele gepensioneerden een terugval van het netto-pensioeninkomen met meer dan 10%. Het echtpaar D, met een inkomensterugval van zo'n 10% bruto enkel als gevolg van de AWBZ-component in de verplichte bijdrage, is een schrijnend geval, maar zeker geen uitzondering. Het treft alle particulier verzekerde pensioengerechtigden met een bruto-pensioeninkomen van minder dan EUR 30.000 per jaar. Wanneer een wijziging in het sociale zekerheidsstelsel een dergelijke inkomensterugval voor minder bedeelde inwoners tot gevolg zou hebben, zou geheel politiek Den Haag op de achterste benen staan. Omdat het buiten Nederland wonende gepensioneerden zijn, heeft au fond tot nu toe niemand in de politieke arena een vinger uitgestoken, of beter gezegd, een vuist gemaakt. Maar het gevolg is wel dat de betrokkenen zeer ernstig in hun bestaansmiddelen worden getroffen, en dat de zekerheid van hun pensioenstatus in één keer op de tocht komt te staan. Dat alleen al vormt een spoedeisend belang waarvoor de financiële belangen van de Staat hebben te wijken. En dat alles klemt uiteraard te meer nu het handelen van de Staat in deze – ook op het punt van de AWBZ-gerelateerde bijdrage – zo onmiskenbaar onrechtmatig is. 42. Laat de Staat zijn huiswerk maar opnieuw doen. Het is dan aan de Minister om met een deugdelijk onderbouwd voorstel te komen voor een nieuwe bijdrageregeling, waarbij de gevolgen op enerzijds het verstrekkingengebied en anderzijds op het heffingenfront deugdelijk in kaart worden gebracht, en waarbij de Minister zich er op deugdelijke wijze rekenschap van geeft dat de verstrekkingenpositie – en de financiële lasten die daarmee gemoeid zijn – van land tot land zeer sterk kunnen verschillen. De tijd dat de Minister ongestraft de grote problemen van de in het buitenland wonende gepensioneerden kon negeren is voorbij. Tweede termijn 1. In dit onderdeel van het pleidooi zal kort worden ingegaan op de argumenten die kunnen worden ontleend aan de door de Staat overgelegde stukken en eerdere uitlatingen van de Minister, gericht tegen de erkenning van keuzevrijheid van gepensioneerden onder het regime van Verordening 1408/71. 2. Allereerst de brief van het Ministerie van 30 januari 2006 (productie 4 eisers). In deze brief wordt een aantal argumenten opgesomd waarom particulier verzekerden niet het recht zouden mogen hebben af te zien van het recht op verstrekkingen in het woonland. Ik zal deze achtereenvolgens behandelen. Daarna zal ik ingaan op de brief van een ambtenaar van de Europese Commissie aan een aangeslotene bij de Stichting, de heer Vijverberg, oud plaatsvervangend PV bij de Europese Unie. Deze brief is door de Staat overgelegd als productie 6 gedaagde. 3. Het eerste argument van de Staat is dat de door eisers ingeroepen arresten Kracht en Van der Duin geen toepassing vinden, omdat geen sprake is van een samenloop van sociale rechten. In het onderhavige geval is sprake van samenloop van een sociaal recht en een particuliere verzekering. 4. Allereerst moet worden geconstateerd dat de Staat erkent dat daadwerkelijk sprake is van een keuzerecht wanneer sprake is van een samenloop van sociale rechten. Dat was inderdaad het geval bij Van der Duin. Van der Duin was een rechthebbende op een Nederlands pensioen met woonplaats in Frankrijk. Hij was in Nederland verplicht ziekenfondsverzekerd. De Staat erkent derhalve dat Van der Duin had kunnen kiezen tussen (i) inschrijving bij het ziekenfonds van zijn woonplaats in Frankrijk en (ii) niet inschrijven, waardoor hij zijn rechten op Nederlandse verstrekkingen zou behouden. 5. In de visie van de Staat heeft Van der Duin dit keuzerecht per 1 januari 2006 verloren, niet omdat hij in Nederland particulier verzekerd was, maar omdat Nederland alle niet-inwoners van aansluiting bij de nieuwe Zorgverzekeringswet heeft uitgesloten en hen niettemin op de voet van artikel 69 van de nieuwe wet bijdrageplichtig heeft willen maken. Met andere woorden: Van der Duin verliest het recht omdat hem zijn aansluiting bij de sociale zekerheid in Nederland is ontnomen, tegen gelijktijdige oplegging van een exorbitante bijdrage ter dekking van verstrekkingen in het woonland. 6. Kennelijk hecht de Staat in het geheel niet aan het aanbieden van sociale zorg aan niet-ingezeten gepensioneerden. Als dat zo is, waarom zou dan aan Van der Duin, of aan een tot 1 junuari 2006 particulier verzekerde, het recht moeten worden onthouden af te zien van aanspraken in het woonland, zoals Van der Duin dat tot 1 januari 2006 ook in de visie van de Staat heeft mogen doen? 7. Voor het maken van het onderscheid tussen de casus Van der Duin vóór 1 januari 2006 en de casus Van der Duin resp. particulier verzekerde gepensioneerde ná 1 januari 2006 ontbreekt ieder aanknopingspunt. Met name ontbreekt ook ieder aanknopingspunt in de toepasselijke EG-Verordeningen. Artikel 29 van Verordening 574/72, dat gaat over de melding bij het lokale ziekenfonds, maakt geen enkel onderscheid tussen gevallen waarin de gepensioneerde reeds recht heeft op verstrekkingen onder het recht van het pensioenland (Van der Duin vóór 1 januari 2006) en gevallen waarin de gepensioneerde dat recht níet heeft. 8. Het argument van de Staat deugt dus klaarblijkelijk niet. 9. Vervolgens stelt het Ministerie (productie 4): "Uw visie past niet in een stelsel van sociale zekerheid. Geen enkele EU-lidstaat zal aanvaarden dat de financiële houdbaarheid van zijn stelsel wordt aangetast door een systeem van zelfselectie dat voortvloeit uit uw visie". 10. Deze passage dient te worden gelezen in samenhang met het gestelde in de brief van de Minister aan de Kamer van eind januari 2006, geciteerd in de dagvaarding, rnr. 84: "Nog verdergaande opting-out mogelijkheden leiden onvermijdelijk tot zelfselectie en afwenteling. Mensen zouden wachten tot een gezondheidsrisico intreedt om pas dan hun verdrags/Verordeningsrechten in te roepen. Bovendien zouden dergelijke opting-out mogelijkheden dan ook aan Nederlandse ingezetenen moeten worden geboden, hetgeen de solidariteit in de Zvw én de AWBZ vergaand zou ondermijnen. 11. Met zelfselectie bedoelt de Minister kennelijk dat gepensioneerden zich bewust niet verzekeren totdat zich een serieus gezondheidsrisico openbaart. Dat argument raakt – a fortiori – in de context van de onderhavige kwestie kant noch wal. Het gaat niet om klaplopers die bewust onverzekerd blijven om in gevallen van nood alsnog te kunnen terugvallen op sociale zekerheid waarvoor zij nooit hebben betaald. Het gaat om personen die door het sociale zekerheidssysteem zoals dat tot 1 januari 2006 in Nederland heeft gegolden aangewezen waren op een particuliere verzekering, en nu door de abrupte stelselwijziging in een buitengewoon ongunstige verzekerings-sistuatie dreigen te belanden. 12. De stelling dat de financiële houdbaarheid van het Nederlandse stelsel wordt aangetast wanneer particulier verzekerden zouden afzien van registratie bij het lokale ziekenfonds in hun woonland, impliceert dat de Minister verwacht winst te kunnen maken op de bijdragen ex artikel 69 Zvw. Immers, indien een particulier verzekerde zich niet registreert, betaalt Nederland niets. Indien de verzekerde zich op enig tijdstip alsnog zou inschrijven bij het lokale ziekenfonds, riskeert Nederland nog steeds niets: Nederland kan vanaf dat moment een bijdrage heffen, en is vanaf dat moment op maandbasis een forfaitaire bijdrage aan het woonland verschuldigd. Het beweerdelijke risico ligt dus bij het woonland. Er is overigens geen enkele aanwijzing dat andere lidstaten zich zorgen zouden maken over dit risico in samenhang met de Nederlandse stelselwijziging. Kortom: de financiële houdbaarheid van het Nederlandse stelsel is op geen enkele wijze in het geding. 13. Tot slot valt de stelling van de Minister niet te plaatsen tegen de achtergrond van de erkenning van het keuzerecht van Van der Duin in de pre 2006 periode. Immers, Van der Duin zou zich in de visie van de Minister ongestraft kunnen laten in- en uitschrijven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats al naar gelang zijn zorgbehoefte. Hoe dit zij, er is natuurlijk geen sprake van dat de uitlegging van wetgeving zou moeten afhangen van beweerdelijk strategisch risico-afwentelend gedrag van gepensioneerden, wanneer het werkelijke probleem is dat de betrokken gepensioneerden behoefte hebben aan een "opt out" ter voorkoming van de draconische effecten van de Nederlandse stelselwijziging. 14. Dan een enkel woord over de brief van een ambtenaar van de Europese Commissie van 5 december 2005. Ten eerste moet worden vastgesteld dat het een informele brief betreft, getekend door een afdelingshoofd, gericht aan een particulier persoon. Een dergelijke brief behelst geen standpunt van de Europese Commissie, laat staan een formeel standpunt. Juridisch heeft het document ook overigens geen enkele betekenis. 15. Ten tweede valt op dat in de derde alinea wordt aangegeven dat de Nederlandse ziekenfondsverzekerde het recht krijgt om zich bij migratie naar bijvoorbeeld België te laten inschrijven bij een Belgische mutualiteit en zijn ziektekosten vergoed te krijgen als ware hij een Belgische verzekerde. Het gaat om de vraag of ook sprake is van een plicht. Daarover spreekt de auteur van de brief zich niet uit, noch over het keuzerecht zoals dat is erkend in de jurisprudentie van de Gemeenschapsrechter (en door de Staat). 16. In alinea vier van de brief wordt toegelicht dat Verordening 1408/71 ten doel heeft te voorkomen dat personen wanneer zij hun recht op vrij verkeer uitoefenen, "geen (of zo weinig mogelijk) sociale zekerheidsrechten verliezen". Niet valt in te zien hoe het met dat doel strijdig zou kunnen zijn dat migrerende gepensioneerden afstand doen van rechten, wanneer zij daarmee een aantasting van hun verzekeringspositie als gemigreerde gepensioneerde willen voorkomen. 17. Op p. 2 van de brief wordt gesteld dat Verordening 1408/71 slechts voorziet in coördinatie en niet in harmonisatie, en dat het daarom kan voorkomen dat een gepensioneerden in verhouding hoge premies dient te betalen in het pensioenland in verhouding tot het recht op verstrekkingen in het woonland. Dat is in zijn algemeenheid wellicht juist, maar de auteur van de brief komt niet toe aan een beoordeling van de concrete situatie in het licht van het evenredigheidsbeginsel, en gaat niet in op het keuzerecht dat de migrerende gepensioneerde toekomt ter voorkoming van de negatieve gevolgen van een dergelijke onbalans. De auteur van de brief is specialist op het gebied van Verordening 1408/71, en hij beperkt zijn analyse dan ook tot een globale toetsing aan Verordening 1408/71. De auteur gaat bijvoorbeeld niet in op de vraag of een substantiële discrepantie tussen recht op verstrekkingen en premieplicht niet in bijzondere gevallen een inbreuk op het vrij verkeer van werknemers c.q. personen kan opleveren (dat wil zeggen op het primaire Gemeenschapsrecht). De auteur laat ook de dimensie onbesproken die expliciet blijkt uit het arrest Kracht, te weten dat de bepalingen van Verordening 1408/71 telkens moeten worden uitgelegd in het licht van het algemene doel het vrij verkeer van werknemers te bevorderen. Men kan gissen naar de redenen, maar feit is dat de auteur van de brief dit aspect van het Gemeenschapsrecht geheel onbesproken laat. 18. De eerstvolgende alinea in de brief bevat een fout, waar wordt gesteld dat de positie van de ziekenfondsverzekerde niet wijzigt door de invoering van de Zorgverzekeringswet. Het is de auteur kennelijk niet bekend dat onder de Zorgverzekeringswet buiten Nederland wonende gepensioneerden van de verzekering zijn uitgesloten. Dit maakt een wezenlijk verschil. Verder is de auteur van de brief kennelijk niet bekend met de wijzigingen in de AWBZ-positie van ziekenfondsverzekerden. Nu de auteur er niet blijk van geeft voldoende te zijn geïnformeerd over de gevolgen van de Nederlandse stelselwijziging, kan ook om die reden door de Staat geen steun voor zijn standpunt worden ontleend aan de overgelegde brief. 19. Kern van de brief van de Commissieambtenaar lijkt te zijn dat de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van negatieve gevolgen van de stelselwijziging allereerst de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid is. De Zorgverzekeringswet is als zodanig niet in strijd met Verordening 1408/71, maar het tegendeel wordt – hierover diene geen onduidelijkheid te bestaan – door eisers ook niet gesteld: de strijdigheid schuilt in de toepassingspraktijk en meer in het bijzonder de uitleg die aan artikel 69 Zvw en artikel 2.5.2 Izvw wordt gegeven. 20. De Staat heeft als productie 7 overgelegd vragen van de Nederlandse Europarlementariër Oomen-Ruijten en de antwoorden daarop van de Europese Commissie. Mevrouw Oomen heeft niet de cruciale vraag voorgelegd waar het hier om gaat, namelijk of Nederlandse gepensioneerden verplicht zijn gebruik te maken van het recht op inschrijving ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72. Die vraag wordt ook niet beantwoord. Overigens valt op dat het antwoord van de Commissie een sterk politieke lading heeft: Nederland mag van de Commissie met "haar" postactieven doen wat zij wil, en de Commissie zal haar daarbij geen strobreed in de weg leggen. Rechtsbeginselen als het evenredigheidsbeginsel zijn aan een Commissie kennelijk niet besteed. Het is maar goed dat de rechtsbescherming in handen is gelegd van de onafhankelijke rechter en niet in die van een politiek orgaan als de Commissie. 21. Tot zover het commentaar op de door de Staat aangevoerde argumenten. Laat ik tot slot nog eens kort de argumenten van eisers recapituleren, en zien wat de Staat daar tegenin heeft gebracht. 22. Het eerste argument: in de tekst van artikel 29 van Verordening 574/72 staat geen plicht tout court te lezen; er valt slechts in te lezen dat registratie bij het ziekenfonds van de woonplaats een noodzakelijke voorwaarde is om een recht op verstrekkingen geldend te kunnen maken. [verweer Staat?] 23. Het tweede argument is dat Titel II van Verordening 1408/71 voorziet in een recht, speciaal voor migrerende gepensioneerden, om zich te onttrekken aan aansluiting bij de wetgeving van het woonland. Het bestaan van dit recht onderstreept dat de Verordening gepensioneerden niet in een keurslijf wil drukken. Het recht zou worden ondergraven wanneer het pensioenland migrerende gepensioneerden alsnog zou kunnen dwingen zich aan te sluiten bij het systeem van het woonland met als enkele reden (nota bene) dat als de gepensioneerde dat doet, de kosten voor rekening van het pensioenland komen. [verweer Staat?] 24. Het derde argument is dat het wilsrecht van migrerende werknemers in de communautaire jurisprudentie is erkend. Dit wordt door de Staat niet betwist, maar de Staat wil het toepassingsbereik van het keuzerecht beperken tot gevallen waarin er sprake is van twee potentieel toepasselijke socialezekerheidsstelsels. Een rechtvaardiging voor die beperking valt noch in de relevante bepalingen van de communautaire verordeningen zelf te lezen, noch in de tekst van de twee aangehaalde arresten. Ik heb dit reeds voldoende besproken. 25. Het vierde argument is dat erkenning van het wilsrecht noodzakelijk is om het vrije verkeer van personen/werknemers tot zijn recht te doen komen. In geen geval zijn de discrepanties tussen het niveau van de verstrekkingen en het niveau van de verplichte bijdragen bij benadering zo extreem als in de huidige constellatie. De Nederlandse collectieve gezondheidszorg – Zorgverzekeringswet plus AWBZ – valt binnen de Europese benchmark volledig uit de toon. Zie de kosten die Nederland aan andere pensioenlanden in rekening brengt: EUR 6880 tegen EUR 2586 dat een land als Spanje rekent. De Nederlandse kosten belopen een veelvoud van wat de meeste andere landen in rekening brengen. Nederland mitigeert de financiële lasten door van ingezetenen in de laagste schijven nagenoeg geen belasting te heffen. In feite betalen ingezetenen met lagere inkomens nagenoeg uitsluitend sociale premies. Zie productie 23: de vergelijking tussen de rechthebbende op een Nederlands pensioen die in Nederland woont versus de gepensioneerde die met een zelfde bruto-inkomen naar Spanje is geëmigreerd. De verschillen zijn schrijnend. Dergelijke verschillen – die zijn toe te schrijven aan de verhoudingsgewijs exorbitante bedragen die Nederland in rekening brengt aan in elders in de EU wonende gepensioneerden, gevoegd bij de exorbitante kosten van een aanvullende woonlandverzekering – leveren wel degelijk een ernstige beperking van het vrij verkeer van gepensioneerde werknemers op. De betrokken werknemers moeten zich daartegen kunnen wapenen. En daarvoor is het keuzerecht onontbeerlijk. Ook op dit punt heeft de Staat geen steekhoudende tegenargumenten aangedragen. Het doorzichtige wervingsmateriaal van particuliere instellingen ten spijt. 26. In productie 17 is nog een extra argument aangevoerd: de Staat heeft tot 2006 aan particulier verzekerde migrerende gepensioneerden de vermeende voordelen van het regime van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 onthouden voor wat betreft het recht op AWBZ-verstrekkingen in het woonland. Indien het een lidstaat al vrijstaat om migrerende gepensio-neerden de betreffende rechten te onthouden door een zinnetje met dat effect te laten opnemen in Bijlage VI van de Verordening, waarom zou een migrerende werknemer dan niet het recht mogen hebben af te zien van dezelfde rechten wanneer het betrokken pensioenland deze hen in het kader van een nationale stelselwijziging opeens alsnog wil opdringen. [verweer Staat?] De AWBZ-bijdrage versus het recht op AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland 27. De Staat heeft een aantal producties overgelegd, die er kennelijk toe strekken aan te tonen dat het met de rechten op AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland nog niet zo slecht gesteld is. 28. In dat licht wekt verbazing dat de Staat zich ter onderbouwing van zijn positie slechts beroept op een reclamebrochure van een commerciële instelling Wielborgh, die poogt klanten voor een wooncomplex in Spanje te werven. Ik doel op productie 3 van de Staat. Deze brochure bevestigt dat er in Spanje geen equivalent bestaat voor AWBZ-zorg waarop een migrerende gepensioneerde met een beroep op het via een E121-formulier te bemachtigen woonlandpakket in aanmerking kan komen. Er zijn hooguit wat door gemeenten georganiseerde faciliteiten, maar daar komen volgens Wielborgh alleen degenen met een zeer laag inkomen voor in aanmerking. Dat is dus precies wat eisers hebben gesteld: AWBZ-achtige verstrekkingen bestaan in Spanje niet. De twee argumenten die Wielborgh te berde brengt om de situatie in Spanje voor migrerende Nederlandse gepensioneerden alsnog aantrekkelijk te doen voorkomen zijn even creatief als contra-productief: (i) in Nederland wordt het verstrekkingenpakket (althans) voor thuiszorg in de nabije toekomst ook uitgekleed waarmee overigens wordt bedoeld dat financiering en organisatie worden overgeheveld naar de gemeenten maar niet dat de zorg wegvalt, en (ii) de gepensioneerde hoeft gelukkig enkel maar de vaste bijdrage aan Nederland te betalen en niet de beweerdelijk zeer hoge eigen bijdragen voor daadwerkelijke verstrekkingen. Met andere woorden: de AWBZ-lasten zijn het laagst als je geen aanspraak maakt op zorg. De vraag rijst hoeveel dommeriken Wielborgh met dit soort argumenten denkt te kunnen lokken. 29. Frappant is de laatste alinea van de AWBZ-brochure: als u in verband met een ernstige ziekte toch liever naar Nederland wilt remigreren, dan hebben wij fantastische voorzieningen in eigen land. Bovendien "valt u gelijk weer onder de Nederlandse ziektekostenverzekering en kunt u eventueel een AWBZ-indicatie krijgen voor "zorg met verblijf". Dit lijkt op wat oud-ambassadeur Vijverberg, met Franse vrouw in België wonend, van ambtenaren van zijn oude Ministerie te horen kreeg, toen hij zich beklaagde over de gevolgen van de stelselwijziging voor gepensioneerden: "Henk, dan kom je toch gewoon weer terug naar Nederland". Zo denkt de Nederlandse overheid kennelijk anno 2006 over het vrij verkeer van werknemers. 30. De Staat heeft tot verbazing van eisers geen enkel schriftelijk stuk overgelegd waaruit blijkt dat het een gedegen inventarisatie heeft gemaakt van de AWBZ-achtige verstrekkingen in de woonlanden, laat staan van verstrekkingen die voor rekening van pensioenland Nederland zouden komen. De Staat meent als gezegd te kunnen volstaan met het overleggen van een paar brochures van een commerciële instelling die probeert 55+-ers naar een nieuw woonproject in Spanje te lokken. Producties 1-4 van de Staat komen nota bene alle ook nog eens uit dezelfde koker. 31. Om het beeld voor Spanje compleet te maken hebben eisers op hun beurt nog een verklaring weten te bemachtigen van de directrice van Thuiszorg Costa Blanca, die bevestigt dat met behulp van een E 121-formulier geen enkele vorm van AWBZ-zorg in Spanje kan worden verkregen, met uitzondering van verpleegkundige zorg thuis in uitzonderlijke omstandigheden. De betreffende verklaring is even kort als duidelijk en ook volstrekt eerlijk: voor zover er wel iets bestaat, wordt dat ook expliciet vermeld. Feit is echter dat gepensioneerden in Spanje aan Nederland een enorme bijdrage betalen, beweerdelijk ter financiering van AWBZ-achtige verstrekkingen in het woonland, terwijl die verstrekkingen niet bestaan. Dat laatste is dankzij de producties van de Staat inmiddels een onbetwist vaststaand feit. 32. De Staat heeft nog een tweetal circulaires van Belgische mutualiteiten (= ziekenfondsen) overgelegd die geen enkel licht doen schijnen op het recht op AWBZ-achtige verstrekkingen in België. Feit is namelijk dat in België AWBZ-achtige verstrekkingen geen deel uitmaken – op de spreekwoordelijke uitzonderingen na - van het verstrekkingenpakket van de Belgische ziektekostenregelingen. In Vlaanderen – dit is een kwestie die aan de regio's is overgelaten – is een en ander geregeld in de Vlaamse zorgverzekering. De brochures van de mutualiteiten zeggen daar niets over. Feit is namelijk dat gepensioneerden afkomstig uit andere lidstaten om voor de niet ingewijde volstrekt onnavolgbare redenen uitgesloten is van aansluiting bij resp. verstrekkingen uit hoofde van de Vlaamse volksverzekering. Dit is door een Vlaamse hoogleraar die is gespecialiseerd in sociaalzekerheidsrecht, maar die anoniem wil blijven, bevestigd aan een van de aangeslotenen bij de Stichting (productie 25 eisers). 33. Nog een enkel woord over deze producties. Kennelijk wil de Staat daarmee aantonen dat rechthebbenden op een Nederlands pensioen zonder verdere voorwaarden vooraf alsnog toegang kunnen krijgen tot aanvullende verzekeringen in het woonland. De Staat kan in die opzet niet slagen. Het "bewijs" bestaat uit circulaires van slechts twee van de tientallen Belgische mutualiteiten, die ook nog eens onderling uiteenlopende toelatingsvoorwaarden hanteren. Niet blijkt dat andere mutualiteiten hetzelfde zouden doen, laat staan dat sprake is van een recht waarop de gepensioneerden in het algemeen aanspraak kunnen maken. Ook zeggen de producties niets over de andere lidstaten van de EU, terwijl tot slot uit productie 4 van de Staat duidelijk blijkt dat Spaanse ziekenfondsen geen aanvullende verzekeringen aanbieden aan personen die 65 jaar of ouder zijn. Er is dus zeker geen sprake van een algemene oplossing voor Nederlandse Verdragsgerechtigden. 34. Gelet op al hetgeen eisers dienaangaande hebben aangevoerd is onbegrijpelijk dat de Staat geen producties heeft overgelegd die zelfs maar de minste steun bieden voor de stelling dat migrerende gepensioneerden in tal van lidstaten een glanzend AWBZ-woonlandpakket wacht, in ruil waarvoor de Staat deze gepensioneerden een jaarlijkse bijdrage meent te kunnen opleggen oplopende tot bijna EUR 2700 per persoon per jaar. Overige aspecten 35. Nog een enkel woord over de door de Staat overgelegde folders. In de eerste brochure (productie 1 Staat) wordt in ronkende bewoordingen betoogd dat een verhuizing naar Spanje een substantiële korting op de zorgpremies oplevert: een korting van maar liefst EUR 255,00 (vergeet de cijfers achter de komma niet) op de gemiddelde zorgpremie en een korting van maar liefst 30% op de AWBZ-premie. In totaal kan de korting voor een echtpaar oplopen tot wel EUR 2.786,00, zo luidt de juichende tekst. Verzuimd wordt te vermelden dat in Spanje geen recht bestaat op AWBZ-zorg, dat het kale woonlandpakket van de ziektekostenverzekering aldaar aanmerkelijk minder gunstig is dan in Nederland, terwijl tot slot ook nog eens geldt dat de maximale "korting" enkel behaald wordt door echtparen waarvan beide echtelieden een pensioen genieten dat tenminste het maximumpremie-inkomen in Nederland beloopt. Dergelijke echtelieden betalen samen aan Nederland een AWBZ-bijdrage van bijna EUR 5400, waar in het geheel niets tegenover staat. Geen wonder dat je, als je op deze manier poogt klanten te winnen, ook nog eens de "zeer lage vliegprijzen" ten tonele voert. Zie productie 22 van eisers, die een beter beeld geven van de commerciële organisatie op wier kennis van de Spaanse wet- en regelgeving de Staat zich verlaat. 36. Interessant is tot slot productie 4, de brochure van Wielborgh die het Spaanse zorgstelsel nader beschrijft. Vier punten springen in het oog. Ten eerste wordt onderstreept dat de premiebetaling voor de Spaanse zorg plaatsvindt via de belastingen, waar in feite mee wordt onderstreept dat gepensioneerden twee keer betalen voor dezelfde zorg: via de Spaanse belastingen en via de Nederlandse bijdrage. Ten tweede wordt erkend dat voor "enkele activiteiten" bijbetaling nodig is. Oftewel: het stelsel kent eigen bijdragen die we in Nederland nu juist niet kennen. Ten derde wordt erkend dat "in Spanje (…) een aanvullende verzekering gebruikelijk (is) om een extra en vaak snellere service te krijgen", waaruit iedere goede verstaander kan afleiden dat een aanvullende verzekering eigenlijk onontbeerlijk is. Ten vierde wordt vermeld dat het in Spanje slechts tot de leeftijd van 65 jaar mogelijk is een aanvullende verzekering af te sluiten. Dit laatste is nu juist datgene wat de gepensioneerden nekt die sinds jaar en dag als particulier verzekerde in Spanje hebben gewoond: zij zijn immers bijna altijd 65 jaar of ouder. Zij kunnen geen aanvullende verzekering in Spanje meer afsluiten. 37. Kortom, de door de Staat overgelegde producties bevestigen in alle opzichten het gelijk van eisers. Recapitulatie onderbouwing onrechtmatigheid AWBZ-bijdrage 38. Ik recapituleer nog even kort de argumenten die in dagvaarding en productie 17 zijn aangevoerd ter onderbouwing van de onrechtmatigheid van de AWBZ-bijdrage. 39. Eerste argument: détournement de pouvoir. In de dagvaarding is aangetoond dat de werkelijke reden voor oplegging van de AWBZ-bijdrage niet is dekking van de kosten in het woonland, maar het nemen van een voorschot op eventuele toekomstige kosten wanneer gepensioneerden eventueel weer naar Nederland zullen terugkeren en aanspraak willen maken op AWBZ-verstrekkingen. Dit heeft de Minister uiteindelijk toegegeven bij beantwoording van vragen van het kamerlid Kant op 16 januari 2006 (productie 16). Dit gegeven maakt de bijdrage tevens onmiskenbaar strijdig met artikel 33 van Verordening 1408/71. [verweer Staat?] 40. Tweede argument: strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Particulier verzekerden hebben in het verleden nooit rekening hoeven houden met een heffing door Nederland terzake van beweerdelijke AWBZ-verstrekkingen in het woonland. Hun positie in het woonland wordt er door de stelselwijziging in feite niet beter op, maar zij moeten wel een enorme bijdrage gaan betalen. [verweer Staat?] 41. Derde argument: wanverhouding tussen bijdrage en door Nederland te dragen kosten. De bijdragen zijn gerelateerd aan de kosten van de gezondheidszorg in Nederland, en staan in geen enkele verhouding tot de kosten daarvan in andere landen. Weliswaar is na het uitbrengen van de dagvaarding gebleken dat de kosten die aan Nederland in rekening worden gebracht hoger zijn dan werd aangenomen, maar er blijft sprake van een significante discrepantie, zeker bezien in samenhang met het vierde argument. [verweer Staat?] 42. Vierde argument: miskenning van het verticale solidariteitsbeginsel in de financiering van de sociale zekerheid. De jongeren subsidiëren de ouderen. Zo werkt het systeem. Zo hebben de nú gepensioneerden in het verleden ook de tóen ouderen gesubsidieerd. In dat licht kan er geen sprake van zijn dat Nederland zelfs maar zou mogen streven naar een evenwicht tussen gemiddelde opbrengsten uit bijdragen van gepensioneerden en de gemiddelde vergoedingen die aan woonlanden moeten worden betaald. Die vergoedingen zijn immers gebaseerd op de gemiddelde werkelijke kosten van verstrekkingen aan 65+-ers in de woonlanden. [verweer Staat?] 43. Vijfde argument: schending van het gelijkheidsbeginsel door fundamenteel verschillende gevallen bij benadering gelijk te behandelen. De verschillen tussen de verzekeringspositie van ingezetenen en elders in de EU wonende gepensioneerden zijn dermate groot, dat de bij benadering gelijke behandeling een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. De AWBZ-bijdrage is hier dé steen des aanstoots. De AWBZ-woonlanddekking is immers veelal non-existent. [verweer Staat?] 44. Zesde argument: in het verleden zijn de beweerdelijke woonlandkosten op het gebied van AWBZ-achtige verstrekkingen ten laste gekomen van de ziekenfondspremies. Ook in dat licht is er geen enkele rechtvaardiging voor een AWBZ-bijdrage naast de Zvw-bijdrage die in de plaats komt van de ziekenfondspremies. De vergelijking met Zwitserland 45. Dan nog een enkel woord over de vergelijking met Zwitserland. Zwitserland is hét voorbeeld geweest voor de opzet van de nieuwe zorgverzekeringswet. Zoals aangetoond
|
|