|
Raad van State om oordeel gevraagd over keuzerecht
(18.09.06) Hieronder is het volledige beroepsschrift te lezen van een Nederlander uit Belgie, die de Raad van State verzoekt om een versnelde behandeling van de vraag of er keuzerecht bestaat, zoals veel Nederlanders in het buitenland verlangen bij de invoering en uitwerking van de Zorgverzekeringswet. Volgens kenner Jan de Voogd zullen er op dit punt nog meer proefprocessen komen andere processen over de hoogte van de verlangde verdragsbijdrage.
Daarnaast zullen weer anderen op eigen gelegenheid, waarschijnlijk ook met een geheel eigen argumentatie, beroepsprocedures aanspannen. Het valt te verwachten dat ook processen tegen Nederlandse verzekeraars zullen volgen wegens onterecht opzeggen van de particuliere verzekering of te sterk verhoogde premies. De uitkomst van de proefprocessen over keuzerecht zijn daarbij van groot belang. Af te wachten is of de bestuursrechter direct zelf uitspraak zal doen, danwel dat hij zogenaamde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie zal voorleggen, aldus Jan de Voogd in het forum van deze website.
INLEIDING BEROEPSCHRIFT RAAD VAN STATE INZAKE KEUZERECHT
Als basis is genomen de Belgische situatie. In de beroepschriften voor de Spaanse kandidaten in de proefprocedure voor het keuzerecht is nog het volgende meer subsidiaire argument opgenomen:
MEER SUBSIDIAIR:
1. Artikel 69 lid 1 Zvw heeft rechtsgevolgen voor personen die:
(i) in het buitenland wonen;
(ii) recht hebben op ziekteverzekering op grond van een Verordening en
(iii) buiten de kring van op grond van de Zvw verplicht verzekerden vallen.
2. Nu Appellant op grond van de wetgeving van zijn woonland reeds recht heeft op dekking van ziektekosten, is artikel 28 van Verordening 1408/71 niet op hem van toepassing (maar artikel 28bis). Nu Appellant geen recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten op grond van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen, maar uitsluitend op basis van de nationale wetgeving van zijn woonland, voldoet hij niet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw.
3. Dat artikel 28bis van Verordening 1408/71 wel op hem van toepassing is, doet niets af aan die conclusie. Artikel 28bis zorgt er slechts voor dat de kosten door het woonland kunnen worden verhaald op het pensioenland. Die bepaling creëert echter zélf geen recht op prestaties, maar regelt slechts dat de lidstaat die een recht op prestaties toekent aan gerechtigden tot een pensioen uit een andere lidstaat, de kosten in verband met die prestaties mag verhalen op het pensioenland.
4. Nu Appellant niet voldoet aan de criteria van artikel 69 lid 1 Zvw, is die bepaling niet op hem van toepassing en is ten onrechte door het CVZ geconcludeerd dat hij Verdragsgerechtigd en dus bijdrageplichtig is. Derhalve dient het Besluit van het CVZ te worden vernietigd.
BEROEPSCHRIFT - VERSNELDE BEHANDELING
(artikelen 116 Zorgverzekeringswet jo. 26 en 36 Wet RvS jo. 8:52 Awb)
BEZORGEN
Aan de Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
1. Dhr. X, wonende te Y, België ("Appellant"), die mede woonplaats kiest te Zuid-Hollandlaan 7, 2596 AL Den Haag, ten kantore van de advocaten Mr E.H. Pijnacker Hordijk en Mr W.W. Geursen, die voor Appellant als gemachtigden optreden, met het recht van substitutie, stelt beroep in als hierna bedoeld.
2. Het beroep richt zich tegen het besluit van het College voor Zorgverzekeringen ("CVZ"), genomen op bezwaar op 8 augustus, kenmerk nr. [**], waarin is besloten dat Appellant wordt aangemerkt als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige (het "Besluit"). Een kopie van het Besluit is bij dit beroepschrift gevoegd (Bijlage 1).
3. Het belang van Appellant is bij het Besluit rechtstreeks betrokken. Appellant wenst daarom tegen het Besluit beroep in te stellen op grond van artikel 116 Zorgverzekeringswet, hetgeen hierbij tijdig geschiedt.
GRIFFIERECHT
4. Het verschuldigde griffierecht ten bedrage van EUR 141,- kan worden verrekend in de rekening-courant van De Brauw Blackstone Westbroek N.V., bij voorkeur onder vermelding van nr. [**].
I. VERZOEK OM VERSNELDE BEHANDELING
5. Appellant verzoekt om versnelde behandeling van het beroep overeenkomstig artikel 36 Wet op de Raad van State jo. artikel 8:52 Algemene wet bestuursrecht, aangezien het belang van Appellant een onverwijlde beslissing vordert. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
a) Appellant is één van vele belanghebbenden die bezwaar heeft aangetekend tegen de aanmerking als Verdragsgerechtigde en bijdrageplichtige. Tegen het aan hem gerichte Besluit is de beroepschriftprocedure opgestart. Andere belanghebbenden hebben ook bezwaar aangetekend tegen het Besluit van CVZ. Die bezwaarschriftprocedures zijn aangehouden totdat de afdeling heeft beslist op dit beroepschrift en enige beroepschriften in parallelle bij u aanhangige zaken. Daarnaast heeft de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland reeds een kort geding procedure gevoerd, waarbij de voorzieningenrechter bij vonnis van 31 maart jl. een deel van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving onverbindend heeft verklaard (LJN: AU8874). Er heerst nog steeds onzekerheid over de juistheid van de Zorgverzekeringswet- en regelgeving en bij de uitvoering ervan vinden nog steeds grove onregelmatigheden/achterstanden plaats. Nu de uitkomst van deze en parallelle beroepschriftprocedures voor velen zullen gelden en een einde kunnen maken aan de onzekerheden rond hun zorgverzekering, verzoekt belanghebbende u om versnelde behandeling, opdat spoediger de gewenste duidelijkheid kan worden bereikt.
b) De kring van personen die door de aangevochten interpretatie van de Zorgverzekeringswet worden getroffen, omvat de oudsten en zwaksten in de samenleving, waarvan velen door ouderdom en lichamelijke gebreken niet meer in staat zijn voor hun rechten op te komen. Vertraging bij de afhandeling van deze principezaak brengt mee dat velen bij een voor hen positieve uitspraak geen baat meer zullen kunnen hebben.
c) Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat nog voordat deze kabinetsperiode zal eindigen de regering een wijziging van de Zorgverzekeringswet zal voorstellen, waardoor niet meer uw afdeling, maar de sector bestuursrecht van de rechtbank te Amsterdam bevoegd zal worden beroepen tegen besluiten van CVZ te behandelen. Versnelde behandeling zal kunnen voorkomen dat deze zaak zal dienen te worden overgedragen aan de rechtbank te Amsterdam, met alle eventuele ongewenste vertraging van dien. Op dit moment ligt het wetsvoorstel daartoe ter advisering bij uw Raad en is derhalve nog niet openbaar gemaakt.
II. FEITEN
6. Appellant is [65+] jaar oud en woont in België.
7. Appellant ontvangt vanuit Nederland een AOW-uitkering. Met de overige Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, waaronder de zorgverzekering, had Appellant tot de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet ("Zvw") per 1 januari 2006 niets te maken.
8. Het CVZ heeft Appellant naar aanleiding van de invoering van de Zvw aangemerkt als zogenaamde verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige. Het gevolg daarvan is dat hij volgens het CVZ verplicht is zich aan te melden en aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en er op zijn AOW- en pensioenuitkeringen bijdragen worden ingehouden die aan het door het CVZ beheerde Zorgverzekeringsfonds worden afgedragen. De door Appellant verschuldigde bijdrage beloopt EUR [**],- per jaar.
9. Bij brief van [DDMM] 2005 heeft zijn oude particuliere verzekering – kennelijk in het licht van artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet - opgezegd. Appellant was derhalve onverzekerd. Appellant heeft geen enkele belangstelling voor aansluiting bij een ziekenfonds in zijn woonland, omdat hij – gezien zijn leeftijd – niet in aanmerking komt voor een gelijkwaardige dekking als onder zijn oude particuliere verzekering. Zo kennen de Belgische ziekenfondsen het zogenaamde "remgeld", wat betekent dat zij hoogstens 70% vergoeden van de door het ziekenfonds vergoedbaar geachte kosten, welke doorgaans lager zijn dan de daadwerkelijk door artsen en ziekenhuizen gedeclareerde kosten. Bovendien heeft Appellant via het Belgische ziekenfonds slechts in uitzonderingsgevallen recht op verstrekkingen in Nederland. Appellant zal dus zeker zijn bestaande particuliere verzekering willen continueren. In de opvatting van CVZ is hij echter verplicht zich te laten inschrijven bij een Belgisch ziekenfonds.
10. Uiteindelijk heeft Appellant zich per [DD] mei jl. onder protest ingeschreven met zijn E-121 formulier bij het Belgische ziekenfonds, omdat het onverantwoord is zonder een verzekering ter dekking van ziektekosten door te blijven leven. Daarbij heeft hij zich moeten bijverzekeren via een zogenaamde hospitalisatieverzekering ter dekking van de kosten van een eventuele ziekenhuisopname. Overigens wordt met "bijverzekeren" niet zoals in Nederland bedoeld "uitbreiding van het pakket", maar uitbreiding tot 100% vergoeding van gemaakte kosten.
11. Appellant tekent beroep aan tegen de aanmerking door het CVZ als verdragsgerechtigde en als bijdrageplichtige aangezien hij daar niet voor gekozen heeft. Nu Appellant zich uitdrukkelijk niet wil aansluiten bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, miskent het CVZ dat Nederland geen bijdragen mag heffen van personen die niet ten laste van Nederland komen. Het CVZ kan Appellant niet verplichten zich in te schrijven bij een Belgisch ziekenfonds door hem aan te merken als Verdragsgerechtigd.
III. VAN TOEPASSING ZIJNDE REGELGEVING
III.a Verdragsgerechtigde
12. Verordening 1408/71 coördineert de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten op personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, met name teneinde te voorkomen dat die personen onverzekerd raken of twee maal voor dezelfde verzekering moeten betalen. De Verordening is onder andere van toepassing wanneer de justitiabele in een andere lidstaat woont (woonland), dan de lidstaat waaruit zijn loon of (staats)pensioen wordt betaald (werk-, c.q. pensioenland). De regeling voor gepensioneerden is vervat in de artikelen 28, 28bis, 33 van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72. Verordening 574/72 is een toepassingsverordening van Verordening 1408/71, waarin de meer praktische zaken van Verordening 1408/71 worden geregeld (bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik van (standaard)formulieren).
13. De artikelen 28 en 28 bis van Verordening 1408/71 voorzien in de mogelijkheid tot aansluiting van een gepensioneerde bij het ziekenfonds in zijn woonland, op voorwaarde dat hij in zijn pensioenland aanspraak zou hebben kunnen maken op prestaties in verband met ziekte als hij daar had gewoond.
Artikel 28 Verordening 1408/71
1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat (…) met inachtneming (…) van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde.
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:
a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één
Lid-Staat recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat;
b) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten recht opbedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.
Artikel 28bis Verordening 1408/71
Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (…) woont op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd.
14. Een AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont, zou recht hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond. Hij had dan immers op grond van de Zvw bij een zorgverzekeraar een basisverzekering moeten afsluiten. Om te bewijzen dat een in een andere lidstaat dan Nederland woonachtige AOW-gerechtigde recht zou hebben gehad op ziektekostenverstrekkingen als hij in Nederland had gewoond, verstrekt het CVZ een zogenaamd E-121 formulier.
15. Wanneer de AOW-gerechtigde zich wil laten registreren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats met behulp van een E 121-formulier treedt ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 het mechanisme van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 in werking. Op dat moment kan hij op grond van de Verordening aanspraken maken op het zorgverzekeringsstelsel van zijn woonland. Deze categorie verzekerden worden Verdragsgerechtigden genoemd.
Artikel 29 Verordening 574/72
1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28 bis van de verordening [1408/71], is de pensioen- of rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring [het E 121-formulier][1] waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens één der wettelijke regelingen opgrond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf en voor zijn gezinsleden recht opgenoemde verstrekkingen heeft.
2. Deze verklaring wordt opverzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of één der organen die pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op deze verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker en zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken.
Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de
verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven.
3. Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat de in lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig bedoeld lid heeft verricht.
4. Bij elke aanvraag om verstrekkingen moet aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aan het orgaan van de woonplaats worden bewezen dat het recht op pensioen of rente nog steeds bestaat.
5. De pensioen- of rentetrekker of zijn in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De organen die pensioen of rente verschuldigd zijn, stellen het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker in kennis van deze wijziging.
16. De regeling van artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 betreft uitsluitend het minimale verstrekkingenniveau door het woonland. Op eventuele aanvullende verzekeringen is uitsluitend het nationale recht van toepassing. Indien de gepensioneerde zich niet laat registreren bij het ziekenfonds van zijn woonland, blijven artikel 28 / 28bis van Verordening 1408/71 zonder gevolg.
III.b Verdragsgerechtigdheid leidt tot opzegging van particuliere verzekeringen
17. Wanneer een particulier verzekerde AOW-gerechtigde Verdragsgerechtigd is, geeft artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet de mogelijkheid voor verzekeringsmaatschappij om de particuliere ziektekostenverzekering op te zeggen.
Artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zvw
Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een [Verdragsgerechtigde], vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde voor 1 mei 2006 heeft voldaan aan de verplichting tot aanmelding bij het College zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de Zorgverzekeringswet.
18. Veel Nederlandse verzekeringsmaatschappijen hebben hier aanleiding in gezien om de gehele verzekeringsovereenkomst op te zeggen; zo ook met Appellant.
III.c Bijdrageplicht
19. Het woonland draagt zorg voor verstrekkingen in verband met ziekte aan Verdragsgerechtigden. Het pensioenland dient deze kosten te vergoeden aan het woonland. De vergoeding beloopt 80% van de gemiddelde kosten van de verstrekkingen voor 65+-ers in het woonland (artikel 95 van Verordening 574/72).
20. Wanneer het pensioenland de kosten draagt voor verstrekkingen aan een Verdragsgerechtigde, is het pensioenland op zijn beurt gerechtigd een bijdrage of premie te heffen van de Verdragsgerechtigde en in te houden op zijn staatspensioen/AOW-uitkering. Dit systeem is geregeld in artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71.
Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71
Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.
21. Het pensioenland Nederland heeft slechts een heffingsrecht voorzover de kosten voor de buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde ook daadwerkelijk aan Nederland in rekening worden gebracht.
22. De hoogte van de in te houden bedragen wordt berekend overeenkomstig de nationale wetgeving van het pensioenland. In Nederland is dit geregeld in artikel 69 Zvw en de Regeling zorgverzekering.
Artikel 69 Zvw
1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.
3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een boete op, die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf jaren.
4. Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.
5. Bij ministeriële regeling:
a. kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, door een orgaan dat pensioen of rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen;
b. kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak, bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.
23. Op basis van artikel 69 Zvw is Appellant aangemerkt als bijdrageplichtige.
IV. GRONDEN VAN HET BEROEPSCHRIFT
24. De gronden voor het beroep zijn de volgende:
IV.a Primair
a) De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten geen dwingende aanwijsregel uit hoofde waarvan geëmigreerde AOW-gerechtigden van rechtswege onderworpen zijn aan het verstrekkingenregime van het woonland. Die bepalingen belichamen slechts een recht waarvan de gepensioneerde werknemer kan kiezen al dan niet gebruik te maken. Dat keuzerecht vloeit voort uit het systeem van Verordening 1408/71 en Verordening 574/72, mede bezien in het licht van artikelen 39 en / of 18 EG-Verdrag.
b) Nu Appellant zich niet heeft ingeschreven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, zijn de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 niet op Appellant van toepassing. Dit betekent dat het woonland Spanje geen kosten in rekening mag brengen aan Nederland terzake van (inexistente) prestaties ten behoeve van Appellant.
c) Aangezien Nederland uitsluitend bijdragen mag heffen van pensioentrekkers waarvan de prestaties te haren laste komen, kan Artikel 69 Zvw niet worden toegepast op Appellant.
d) Een en ander leidt er toe dat het Besluit dient te worden vernietigd.
IV.b Subsidiair
a) Wanneer uw afdeling concludeert dat Verordening 1408/71 en de toepassingsverordening 574/72 niet de ruimte bieden voor de primair aangevoerde uitleg dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 een keuzerecht inhouden, dan dienen die bepalingen onverbindend te worden verklaard, voorzover zij niet voorzien in de mogelijkheid te kiezen al dan niet gebruik te maken van het geboden recht. Die onmogelijkheid levert namelijk een belemmering van het vrij verkeer van personen, zoals gewaarborgd door de artikelen 39 en 18 EG-Verdrag en Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.
b) Door niet te voorzien in een keuzemogelijkheid, wordt door een éénzijdige wijziging van de zorgverzekeringswetgeving in Nederland de situatie gecreëerd waardoor de levensstandaard van AOW-gerechtigden die in een andere lidstaat dan Nederland wonen zodanig aangetast dat er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen. Die aantasting wordt veroorzaakt door een (i) verlaging van de dekking van zorg- en ziektekosten door gedwongen aansluiting bij het woonlandpakket, terwijl er (ii) tegelijkertijd sprake is van een verhoging van de bijdragen en premies die Appellant moet betalen en (iii) Appellant geen aanspraak meer kan maken op (lopende) behandelingen in het pensioenland Nederland. De enige oplossing om de levensstandaard die Appellant had voor 1 januari 2006 te garanderen is, bij het ontbreken van een keuzerecht, terugkeren naar Nederland. Zulks is in strijd met het vrij verkeer van personen.
c) Dit leidt tot de conclusie dat het Besluit dient te worden vernietigd.
V. NADERE TOELICHTING OP DE GRONDEN
V.a PRIMAIR
V.a.1 De artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 bevatten een keuzerecht
25. Appellant heeft zich als buiten Nederland woonachtige AOW-gerechtigde dienen te melden bij CVZ. De meldingsplicht bij CVZ ingevolge artikel 69 Zvw vindt zijn grondslag uitsluitend in de aan CVZ in diezelfde wetsbepaling opgelegde taak om de op Nederland rustende verplichtingen ten aanzien van verdragsgerechtigden te kunnen administreren en de verplichte bijdrage te kunnen innen. De verplichte bijdrage vindt haar grondslag (en mogelijke rechtvaardiging in het licht van het EG-recht) uitsluitend in het feit dat Nederland gehouden is op forfaitaire basis de kosten van verstrekkingen te vergoeden waarop verdragsgerechtigden uit hoofde van artikel 28 resp. 28bis van Verordening 1408/71 in hun woonland na inschrijving bij het ziekenfonds aldaar aanspraak kunnen maken.
26. Artikel 69 Zvw heeft echter niet de dwingende werking die CVZ daaraan toedicht. CVZ miskent dat in het buitenland woonachtige gepensioneerden met een Nederlands pensioen onder Verordening 1408/71 niet verplicht zijn zich te doen registreren bij een ziekenfonds in hun woonplaats. Voorts geldt dat wanneer een AOW-gerechtigde van zijn recht daartoe geen gebruik wenst te maken, Nederland ook niet gerechtigd is enige bijdrage van de betreffende AOW-gerechtigde te heffen. Wanneer artikel 69 Zvw conform de regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 en artikel 29 van Verordening 574/72 wordt uitgelegd, dient artikel 69 Zvw buiten toepassing te blijven jegens iedere AOW-gerechtigde die zich niet doet registeren bij het ziekenfonds van zijn woonplaats, resp. die registratie intrekt.
27. De regeling van de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 – die zijn opgenomen in Titel III van de Verordening - en artikel 29 van Verordening 574/72 is van geheel andere aard dan de dwingende aanwijsregels van Titel II van Verordening 1408/71. Ingevolge de bepalingen van Titel II is een migrerende werknemer in beginsel van rechtswege aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel dat door de in het concrete geval toepasselijke bepaling wordt aangewezen, zonder dat de werknemer daartoe enige bijkomende handeling dient te verrichten. De artikelen 28 en 28bis brengen daarentegen geen aansluiting bij een nationaal stelsel tot stand.
28. Ingevolge artikel 29 van Verordening 574/72 dient de AOW-gerechtigde zichzelf (en zijn gezinsleden) te doen inschrijven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats "om op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen". Inschrijving is een noodzakelijke voorwaarde om voor verstrekkingen in aanmerking te kunnen komen. Er is geen sprake van een wettelijke verplichting tot inschrijving tout court. Er is ook geen sprake van een wettelijk recht op verstrekkingen dat ontstaat ongeacht de wil van de betrokke. Er staat geen sanctie op het niet inschrijven, anders dan dat geen recht op verstrekkingen tot stand komt.
29. De tekst en het systeem van de Verordeningen laten derhalve geen ruimte voor het construeren van een dwingende aanwijsregel.
V.a.2 Weerlegging van overwegingen van het CVZ in het besluit op bezwaar
Keuzerecht
30. CVZ verwijst terecht naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 juli 1990 in zaak C-117/89, Kracht (Jurispr. 1990, blz. I-2781), maar verbindt daar de onjuiste gevolgtrekking aan. Het Hof van Justitie heeft in dat arrest (r.o. 16) aangegeven dat waar het recht op gezinsbijlagen bestaat op grond van artikel 73 van Verordening 1408/71 de rechthebbende niet kan worden gedwongen om dat recht uit te oefenen. Dat zou namelijk leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de migrerende werknemer beschikt.
31. Op die manier moeten ook de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 worden geïnterpreteerd. De AOW-gerechtigde heeft in zijn woonland recht op ziektekostenverstrekkingen, maar kan niet worden gedwongen daarvan gebruik te maken. Zouden die bepalingen daarentegen (zoals de Minister van VWS meerdere malen heeft aangegeven tijdens de parlementaire behandeling van de Zvw) als een dwingende regel moeten worden gezien, dan zou dat net als in zaak C-117/89, Kracht leiden tot een beperking van de mogelijkheden waarover de emigrerende AOW-gerechtigde dankzij de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 beschikt.
32. De Minister van VWS erkent overigens wel de mogelijkheid van het niet doen inschrijven van een AOW-gerechtigde bij het ziekenfonds van zijn woonplaats en erkent daarmee dat voor inschrijving geen verplichting bestaat. Daarnaast
erkent de Minister dat het woonland pas kosten in rekening kan brengen wanneer de AOW-gerechtigde zich heeft ingeschreven met het E-121 formulier.
"De verzekeringsinstelling van het woonland kan het forfait in rekening brengen als betrokkene zich met het E-121formulier heeft aangemeld. Meldt betrokkene zich niet aan, dan vindt geen inschrijving plaats in het woonland ten laste van Nederland en vindt geen kostenafrekening plaats met het buitenland. Betrokkene is wel de verdragsbijdrage verschuldigd."(TK 2005-2006, 29689, nr. 84, p. 3)
33. Ook het CVZ bevestigt in het Besluit dat Appellant niet verplicht is zich in te schrijven met het E-121 formulier.
"Het CVZ is met u van mening dat het antwoord op de vraag of recht op zorg bestaat in de zin van artikel 69, lid 1, Zvw, niet voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet, maar uit de toepasselijke internationale regeling, in uw geval de Verordening. In tegenstelling tot u is het CVZ echter van mening dat dit recht op zorg bestaat los van de vraag of de betrokken persoon medewerking verleent aan de administratieve handelingen die nodig zijn om dit recht te concretiseren."
34. Die conclusie van het CVZ is onjuist. Zolang een AOW-gerechtigde zich niet heeft ingeschreven met het E-121 formulier, heeft hij geen recht op de dekking van ziektekosten en is hij dus niet Verdragsgerechtigd. Het inschrijven heeft namelijk een constitutief effect. Wanneer een AOW-gerechtigde zich alsnog inschrijft, verkrijgt hij niet met terugwerkende kracht recht op vergoeding van verstrekkigen over de periode waarin hij tot inschrijving gerechtigd was, maar niet was ingeschreven. Dit wordt door CVZ miskend.
Dat het E-121 formulier een constitutief element heeft blijkt uit de gevallen die de Nationale Ombudsman noemt in zijn rapport "Zorg(en) in het buitenland - Over de uitvoering van de Zorgverzekeringswet voor gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden in het buitenland" van 5 september 2006 (nr. 2006/300). Het rapport is bij dit beroepschrift gevoegd als Bijlage 2. Zo ontvingen de in Spanje woonachtige heer en mevrouw Gaastra een foutief ingevuld E-121 formulier van het CVZ. Daardoor kon het Spaanse ziekenfonds niet vaststellen of de heer Gaastra zich daadwerkelijk moest inschrijven. Inschrijving werd daarom geweigerd. De heer Gaastra en zijn echtgenote waren daarom niet langer verzekerd (p.17 van het rapport). Schrijnender is het geval van de zieke heer Kuipers die op Malta woont. Vanwege zijn ziekte onderging hij in sinds januari 2006 een medische behandeling. Hij krijgt het E-121 formulier pas in februari 2006, omdat het CVZ het formulier in eerste instantie naar zijn oude woonadres had gestuurd (terwijl de SVB al wel over zijn nieuwe adresgegevens beschikte). Het ziekenfonds van Malta wil hem pas per 1 maart 2006 inschrijven. De inschrijving werkt niet met terugwerkende kracht en de heer Kuipers moet de medische kosten voor januari en februari 2006 zelf betalen (p. 33 van het rapport). Het E-121 formulier heeft dus geen declaratoir effect. De in Spanje woonachtige heer en mevrouw Van der Does ontvingen pas na 1 januari 2006 een E-121 formulier. Het Spaanse ziekenfonds wilde hen echter pas per 1 april 2006 inschrijven, dus ook niet met terugwerkende kracht (zie p. 6 van het rapport). Dit aangehaalde gevallen tonen aan dat het E-121 formulier een constitutief effect heeft.
Bijdrageplicht
35. De opmerking van de Minister dat er wel een verdragsbijdrage is verschuldigd, ondanks dat een AOW-gerechtigde zich niet inschrijft met het E-121 formulier, is onjuist. Overigens is ook het CVZ deze onjuiste mening toegedaan, zoals blijkt uit de conclusie van het Besluit. Wanneer het woonland geen kosten in rekening brengt / kan brengen bij gebrek aan inschrijving met het E-121 formulier in het woonland, heeft het pensioenland Nederland namelijk geen heffingsrecht op grond van artikel 33 van Verordening 1408/71.
36. In tegenstelling tot wat CVZ concludeert, is de grondslag van de bijdrageplicht niet te vinden in "solidariteit". De grondslag is neergelegd in artikel 69 Zvw. Nederland is slechts gerechtigd de in artikel 69 Zvw genoemde bijdrage te heffen voor zover het EG-recht - meer in het bijzonder het vrij verkeer van personen en Verordening 1408/71 - daartoe ruimte laat. Artikel 33 van Verordening 1408/71 kent Nederland slechts onder voorwaarden de bevoegdheid toe om te heffen.
37. Artikel 33 lid 1 van Verordening 1408/71 luidt als gezegd als volgt:
"Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen."(onderstreping toegevoegd)
38. Uit de toevoeging van de laatste bijzin die begint met "voorzover", blijkt dat Nederland niet van iedere AOW-gerechtigde die in een andere lidstaat dan Nederland woont een bijdrage mag heffen of mag stellen dat die persoon bijdrageplichtig is. Die AOW-gerechtigde wordt volgens artikel 33 van Verordening 1408/71 pas bijdrageplichtig wanneer Nederland de kosten voor die AOW-gerechtigde in rekening krijgt gebracht door de woonstaat van de AOW-gerechtigde. Zolang de woonstaat van de AOW-gerechtigde geen kosten in rekening brengt c.q. mag brengen bij Nederland, is Nederland niet gerechtigd enige bijdrage te heffen terzake van ziektekosten.
39. De woonstaat is pas gerechtigd de kosten bij Nederland in rekening te brengen wanneer de AOW-gerechtigde zich met zijn E-121 formulier inschrijft bij het ziekenfonds van zijn woonplaats. Wanneer hij dat niet doet, heeft de AOW-gerechtigde geen recht op ziektenkostendekking door zijn woonstaat en kan die woonstaat geen kosten in rekening te brengen bij Nederland. De eventuele ziektekosten die worden gemaakt ten behoeve van de AOW-gerechtigde komen dan ook niet voor rekening van de woonstaat, maar zoals in het geval van Appellant, voor rekening van zijn particuliere ziektekostenverzekeraar.
40. Zolang de AOW-gerechtigde geen gebruik maakt van het recht dat de artikelen 28 en 28bis van Verordening 1408/71 hem toekent, mag de woonstaat geen kosten in rekening brengen bij de pensioenstaat Nederland. Zolang Nederland geen kosten in rekening worden gebracht, verkrijgt Nederland niet het heffingsrecht waarin artikel 33 van Verordening 1408/71 voorziet en mag Nederland een AOW-gerechtigde niet aanmerken als bijdrageplichtige en bijdragen inhouden op zijn AOW-uitkering.
Lees verder in volgende bericht
|