De elektrische installatie

 

De Franse elektrische installatie is iets waar je als Nederlander even aan moet wennen. De moderne groepenkasten zien er soms wat intimiderend uit: veel meer groepen dan we gewend zijn, en modules waarvan je het bestaan nooit vermoed zou hebben, met Franse benamingen die je niet meteen terugvindt in het woordenboek. Of je staat oog in oog met een groepenkast uit de jaren vijftig: een houten plank met daarop kleine zekeringhoudertjes, waarvan je even denkt dat het een achtergebleven stuk kinderspeelgoed is, totdat je ziet dat er echte stroomdraden aan vast zitten. En je een vaag vermoeden krijgt hoe de rest van de leidingen daar in de loop der jaren - onnavolgbaar voor de nieuwkomer – aan vast is geknoopt. En je daarna duidelijk wordt waar vroeger die bordjes sèche-cheveux interdit in de wat eenvoudiger hotels voor dienden. Niet om de global warming tegen te gaan, maar om local warming te voorkomen. Nog steeds voldoen veel  Franse huizen niet aan standaard veiligheidseisen voor de elektrische installatie, en heel wat branden zijn daar helaas het gevolg van.

Hier begint het allemaal: een stroomverdeler van de EDF

 

Dat het er allemaal wat anders uitziet komt ook door de Franse normen. De elektrische installatie – bij nieuwbouw en gehele renovatie – dient te voldoen aan de zogenaamde NF C 15-100 normen. Zoals we in Nederland de NEN 1010 normen kennen en ieder ander land van de Europese Unie  ook zo zijn eigen opvattingen heeft hoe je elektriciteit in goede en veilige banen moet leiden. Die Franse normen gelden voor de manier waarop de installatie moet worden aangelegd, en deels ook voor de gebruikte materialen. Die moeten in bepaalde gevallen dan naast het CE keurmerk ook het NF-merk hebben. Wanneer je tenminste wil dat de installatie wordt goedgekeurd.

 

Deze inleiding is in de eerste plaats bedoeld om de huizenbezitter wegwijs te maken in de manier waarop de elektrische installatie in Frankrijk wordt aangelegd, en wat de Franse benamingen zijn voor alles wat je daarbij tegen kan komen. Voor het verhelpen van eenvoudige storingen is dat nooit weg. En mocht iemand overwegen om een installateur langs te laten komen voor een reparatie of uitbreiding, dan praat het toch wat makkelijker en kun je een offerte beter beoordelen.

In de tweede plaats is het bedoeld om de bricoleurs met wat elektra-ervaring te laten zien wat de voornaamste verschillen zijn met de Nederlandse aanpak (de Belgische ken ik niet), en wat de hoofdprincipes zijn om bij uitbreiding of renovatie te volgen. De beschrijving gaat uit van een gewone aansluiting, enkelfasig (monophasé). De zwaardere driefase (triphasé) aansluiting laat ik buiten beschouwing. Dan komen er drie stroomaanvoerkabels van 230 Volt het huis in. Die 230 Volt is de spanning ten opzichte van de gemeenschappelijke vierde, neutrale blauwe draad (fase tegen nul). Wat is hier zo bijzonder aan hoor ik iemand denken. Dat er tussen die drie fasedraden onderling een spanning van maar liefst 400 Volt staat.  Dat is toch meer werk voor de professional. De reguliere 230 Volt kan al dodelijk zijn, dus met zo'n driefase aansluiting moet je wel heel goed weten wat je doet.

 

De verschillende tariefsoorten en abonnementsvormen van de EDF -  sinds kort hebben ook een aantal concurrenten hun entree op de Franse elektriciteitsmarkt gemaakt - komen hier alleen zijdelings ter sprake. Op deze website en die van de EDF, en in het boek La Maison staat daarover al de nodige informatie. 

En voor wie dieper op de materie wil ingaan: aan het slot van dit artikel staat een aantal verwijzingen naar boeken en websites.

1. De elektriciteitsaanvoer en de elektriciteitsmeter

 

1.1. De energieleverancier, meestal dus de EDF, levert tegenwoordig aan particulieren alleen nog een enkelfasige 230 Volt (monophasé) aansluiting. Dat zijn  twee draden: une phase et un neutre. In het verleden, afhankelijk van de regio, werden er ook in huizen van particulieren nog wel eens driefase (triphasé) aansluitingen geleverd. Drie fasedraden en één neutrale draad. Op elk van die fasedraden staat 230 Volt ten opzichte van de neutrale draad, en tussen die fasedraden staat een levensgevaarlijke spanning van 400 Volt. Het ontwerpen van zo’n driefase-installatie vergt een zorgvuldige berekening van de belasting die je op elk van deze binnenkomende fasedraden aansluit. Wordt één daarvan te zwaar belast, dan treedt de stroombeveiliging in werking en zit het hele huis zonder stroom. Dat  is niet handig, en leverde het EDF ook te veel  storingsmeldingen op. Daarom wordt deze aansluiting alleen nog geleverd bij de zeer zware aansluitingen, of wanneer er apparaten moeten worden gevoed die beslist triphasé moeten worden aangesloten. En die kom je wel tegen in een werkplaats, in een fabriek of op een boerderij, maar slechts sporadisch in een  Franse woning.  Op de elektrameter (compteur) wordt aangegeven wat voor aansluiting er is: in een rechthoekje staat ‘230 V’ of ‘3 x 230’. Of misschien ook nog ‘220 V’ bij de oudere generatie meters.

1.2. Afhankelijk van de ouderdom van de installatie bevinden de stroombeveiliging, een elektro-mechanische meter en de hoofdschakelaar (coupe circuit, compteur, disjoncteur de branchement) zich binnenshuis, of zoals bij modernere aansluitingen (deels) buitenshuis. Op het punt waar de stroom wordt aangeleverd (point de livraison) is een plastic kastje, met daarin de coupe circuit en een télérapport-aansluiting waarmee de meter op afstand kan worden uitgelezen. Binnenshuis is dan een moderne elektronische meter (lichtgrijs/crème van kleur, met digitale uitlezing) en de hoofdschakelaar, vanwaar de stroom richting groepenkast gaat. Drie benamingen daarvoor: tableau électrique, tableau de répartition of tableau de distribution. Andere opstellingen zijn ook mogelijk.







Moderne elektronische verbruiksmeter


1.3. De meter en de hoofdschakelaar zijn bevestigd op een houten montagebord (le panneau de comptage), of zijn vanaf 1996 in de modernere installaties geïntegreerd in een grote kunststof kast, la gaine technique de logement geheten. Daarin zijn alle elektrische aansluitingen ondergebracht: stroom, telefoon, netwerk, televisie. Op het houten montagebord – de meest voorkomende situatie denk ik - zit òf een klassieke elektro-mechanische meter (zwart, lichtblauw, doorzichtig plastic) voorzien van één of twee tellers, òf de moderne elektronische meter. Wanneer er een aansluiting voor dag/nachtstroom is zijn er op de ouderwetse meter twee uitleesvensters voor het verbruik, met hc en hp aangeduid. De afkorting hc staat voor heures creuses (nachttarief) en hp voor heures pleines (dagtarief). De uitlezing van de  elektronische meter springt bij de overgang naar één van beide tarieven automatisch over naar de daarbij behorende uitlezing. Met behulp van de twee zwarte drukknopjes op de meter kunnen de verbruiksgegevens en andere instellingen op dit LCD-paneeltje worden uitgelezen. Deze laatste generatie elektronische meters kan ook overweg met het zogenaamde option tempo abonnement.

Print Print dit artikel

 
De hoofdschakelaar

2.1 De Franse hoofdschakelaar verschilt van de Nederlandse: dat is alleen maar een mechanische schakelaar. De Franse disjoncteur de branchement vervult minimaal twee functies: aan/uitschakelen en tevens stroombegrenzing. Omdat het uitschakelen in noodgevallen snel moet kunnen gebeuren (coupure d'urgence) behoort een dergelijke disjoncteur dus altijd binnenshuis aanwezig te zijn. De stroombegrenzing is er voor om een surconsommation te voorkomen, of in geval van een ernstige kortsluiting (court-circuit) de hele stroomtoevoer uit te schakelen. Deze stroombegrenzing  is afgestemd op de zwaarte van de aansluiting die men heeft  (l'abonnement souscrit, ook wel: puissance souscrite). Dat valt af te lezen op een klein venstertje, met daarin getallen als: 15, 30, 45, 60, 75 of 90. Die getallen staan voor de stroomsterkte in Ampère waarop deze disjoncteur de branchement is afgeregeld door een monteur van de EDF.  Deze ampérages corresponderen met de volgende puissances souscrites en kVA: 3, 6, 9, 12, 15 en 18 kVA.  Er zijn in de loop der tijd heel wat onderling iets verschillende types hoofdschakelaar geleverd, dus soms zie je alleen aanduidingen als 1, 2, 3 etc. in het uitleesvenstertje.  Er zijn drie hoofdtypes: de bipolaire van 45 A (instellingen 15–30–45 A), die van 60 A (instellingen 30–45– 60 A) en die van 90 A (60–75–90 A). Voor triphasé zijn er twee tétra polaire types van resp. maximaal 30 A (instellingen 10–15-20-25-30 A) en maximaal 60 A (instellingen 30-40-50-60 A).

2.2.  De derde functie die deze disjoncteur kan vervullen – model afhankelijk – is die van aardlekschakelaar (disjoncteur différentiel). Tegenwoordig is dat meestal een  hoofd/aardlekschakelaar die bij een foutstroom van 500 milli-ampère in werking treedt (I ∆n = 500mA). Dat is een extra elektrische veiligheid, maar voor de bescherming van personen volstrekt onvoldoende. De rest van de installatie moet daarom met aardlekschakelaars beveiligd zijn die bij 30 mA de stroom uitschakelen (IΔn =  0,03A). Dit soort hoofdschakelaars is bij de rechthoekige langwerpige kastjes (o.a. door Merlin Gerin geproduceerd) voorzien van rode en zwarte aan/uit-knoppen, en een witte knop (bouton de test) om de goede werking van de aardlekschakelaar te controleren. De kleinere lichtgrijze variant (o.a. door Baco geproduceerd) heeft een witte aan/uit draaischakelaar, en een lichtblauw testknopje. Om het technisch Frans met nog een mooi wat abstracter woord uit te breiden: zo'n hoofdschakelaar wordt ook wel Appareil Général de Commande et de Protection (AGCP) genoemd.


Veel voorkomende disjoncteur de branchement



Print Print dit artikel

 
De groepenkast
 

3.1. In de oudste groepenkasten die je tegen zou kunnen komen – die houten plank met kinderspeelgoed er op – zitten zekeringen die bestaan uit een miniatuur porseleinen houder waar aan de onderkant een stukje weerstanddraad is vastgeschroefd (coupe circuit à tabatière). Om nog even door te gaan met deze historische toelichting: een tabatière is, of beter gezegd was, een snuifdoos. Een klein wit


Zekeringen uit grootvaders tijd

porseleinen doosje met een dekseltje. De modellen die daarna hun
entree maakten, zijn de porte-fusibles à broches en de porte-fusibles à 
cartouche.
Met kleine smeltzekeringen van het type zoals dat in elektronische apparaten wel wordt gebruikt. Hier past slechts één advies: onmiddellijk slopen en (laten) vervangen door een moderne groepenkast. Soms worden ze op een vide-grenier nog wel eens aangeboden, dit soort oude groepenkasten. Maar dan moet de potentiële koper wel erg romantisch of nostalgisch zijn, om dit soort antiek te kopen. Maar wie weet levert het nog een paar euro op, je weet maar nooit.

 

3.2. In sommige delen van Frankrijk (vooral in de Elzas) zijn ook de ons bekende ronde stoppen (schroefzekeringen en in officieel taalgebruik smeltveiligheden geheten) een aantal jaren toegepast. Al behoorlijk wat veiliger, zeker in combinatie met aardlekschakelaars, maar inmiddels ook niet meer van deze tijd.

 

3.3. Meer van deze tijd zijn de modulaire coupe-circuits, die in de modernere groepenkast eenvoudig op de daarin gemonteerde draagrail (DIN-rail) kunnen worden vastgeklikt. Ze dienen voorzien te zijn van het NF-USE keurmerk, en zijn verkrijgbaar in vijf verschillende stroomsterktes: 10, 16, 20, 25 en 32 A. De inwendige afmetingen van deze modules zijn verschillend. Zo voorkom je dat je een te zware zekering gebruikt, maar het is altijd weer even zoeken voor je de juiste zekering te pakken hebt als er wat misgaat. 





Unipolaire coupe-circuits
     
            

En aan de buitenkant van deze coupe-circuits zie je niet onmiddellijk welke zekering het begeven heeft, tenzij u het bedradingsschema in de groepenkast heeft liggen of uit uw hoofd kent, wat slechts sporadisch voorkomt. De eerste generatie van deze coupe-circuits schakelde bij het openklappen van de zekeringhouder alleen de rode fasedraad (phase) uit. Dat heet een protection unipolaire. In zo'n groepenkast zitten dan ook alle blauwe draden (neutre) op één koperen klemmenblok vastgeschroefd. Dat mag niet meer. Het moet nu een coupe-circuit phase et neutre zijn, die beide draden onderbreekt. Een protection bipolaire. Het is de goedkoopste manier om een groepenkast in te richten, maar ook hier worden de normen aangescherpt: sommige apparaten mogen niet meer over zo'n zekering worden aangesloten, alleen nog maar over een automaat (een disjoncteur van 2 Ampère voor een  VMC ventilatie systeem).

Moderne bipolaire coupe-circuits


3.4. Geheel eigentijds zijn de automaten (disjoncteurs) die ook bedoeld zijn om te worden gemonteerd in een groepenkast die voorzien is van een metalen of kunststof DIN-rail. Ook hier hetzelfde verhaal als bij de coupe-circuits hierboven: de eerste lichtingen schakelden enkelpolig (alleen de fase), de huidige modellen schakelen dubbelpolig (phase + neutre). En alleen die mogen volgens de NF C 15-100 normen gebruikt worden, mits ze het NF-USE-merk hebben. Gangbare stroomsterktes: 2, 6, 10, 16, 20, 25, of 32 Ampère. Behalve dat ze wat duurder zijn, zijn ze ook  betrouwbaarder dan hun soortgenoten die met zekeringen zijn uitgerust. En nog een voordeel: wanneer een groep door overbelasting of een kortsluiting uitgeschakeld wordt, zie je in de groepenkast meteen welke het is. Het schakelaartje (manette) van de disjoncteur is dan naar beneden geklapt. En je hoeft geen nieuwe zekering te zoeken of te kopen. Bij deze disjoncteurs worden zowel de stroomtoevoerdraden (al dan niet met een aansluitstrip) als de de départdraden vastgeschroefd. Maar met gevoel. Draai je ze te vast, dan loop je het risico dat je de


Franse disjoncteur

schroefgang van de aansluiting beschadigt. Dat merk je vanzelf: opeens draait het soepel door. En zit de aan te sluiten draad niet vast, en de module is meteen onbruikbaar. En te los is ook niet 
goed. Ergens er tussen in dus. Sommige merken hebben mijn voorkeur: die kun je genadeloos aandraaien, en geven geen krimp. Andere doen al moeilijk wanneer je ze maar even iets te vast aandraait. Voor de perfectionisten de volgende electricienstip: haal met de striptang twee keer zoveel isolatie van het draadeinde af, en buig die ruim twee centimeter koper vervolgens in een kleine U vorm met combinatie- of puntbektang. De aandrukkracht in de aansluiting wordt nu gelijkmatiger verdeeld, en de overgangsweerstand gehalveerd. De enkele koperen draadeindjes willen als ze net niet vast genoeg zitten wel eens verschuiven of los gaan zitten wanneer je er bij vervolgwerkzaamheden in de groepenkast tegenaan komt. Maar dit is dus ook merkafhankelijk: niet de allergoedkoopste merken aanschaffen zou ik zeggen. De automaten met 'snel-verbindingen’ (simpelweg insteken) heb ik hier nog weinig  in de schappen zien staan. Zo'n model wordt dan aangeduid met termen als: départ clip sans vis. Of met begeleidende teksten als: rapidité de mise en oeuvre par insertion directe et sans serrage des conducteurs. Werkt wat sneller, maar voor de bricoleur telt dat minder zwaar, het is geen aangenomen werk, je doet het immers voor je plezier en om van Frankrijk te genieten.
 

 

Gelukkig is de grootte van de modules wel gestandaardiseerd: de breedte is ongeveer 18 mm voor een enkele module. Maar waar in de standaard Nederlandse groepenkast 12 modules op één rij  kunnen worden bevestigd, biedt de Franse groepenkast plaats aan 13 modules. En dat is maar goed ook, want ook een groepenkast met twee rijen van dertien is binnen de kortste keren vol. En voor nieuwbouw geldt dat je rekening moet houden met toekomstige uitbreidingen: er moet bij oplevering en keuring van de installatie minimaal 20 procent extra lege ruimte te zijn.



Het inwendige van een groepenkast

3.5. En dan nu de aardlekschakelaar, de interrupteur différentiel. Ook wel aangeduid als DDR (Détection Différentielle à courant Résiduel). Deze aardlekschakelaars zijn volgens de normen van NF C 15-100 verplicht in nieuwbouw en bij renovatie. En voor de eigen veiligheid ook beter maar aan te brengen in bestaande installaties, zeker voor badkamers en keukens. Wanneer er zich een lekstroom van 30 milli-ampère of meer voordoet – een defect snoer van de haardroger, en tegelijkertijd raak  je de kraan aan – dan schakelt de aardlekschakelaar razendsnel de stroom uit naar alle groepen die daarop zijn aangesloten. Dat spaart mensenlevens. Let wel: volgens de nieuwe normen moet alles wat in huis is aangesloten via een aantal van zulke 30 milli-ampère aardlekschakelaars lopen. Hoe groter het huis, hoe meer aardlekschakelaars.
  

Vanuit de hoofdschakelaar gezien zijn dit de eerste modules die van stroom worden voorzien.  In de groepenkast zijn daar twee grote aansluitstrippen (borniers) voor gemonteerd. Een rode voor



Interrupteur différentiel

de phase, en een blauwe voor de neutre.  Daarop komen de dikke stroomdraden vanuit de hoofdschakelaar binnen, en daar vandaan gaan tevens de toevoerdraden naar de verschillende 
aardlekschakelaars (interrupteurs différentiels of dispositifs differentiéls). En op deze aardlekschakelaars worden dan vervolgens de diverse disjoncteurs aangesloten, die als groepsschakelaar en beveiliging dienen voor alles wat daarop volgt aan bedrading en apparatuur. Daarom worden het ook wel disjoncteurs divisionnaires genoemd.

3.6. Er zijn grofweg twee types interrupteur différentiel: het standaard type AC, en het iets stabielere type A voor wat moeilijke belastingen, zoals de wasmachine (lave linge) en de kookplaten op het fornuis (plaques de cuisson). En die moeten 40 Ampère aankunnen. Een jaar of vijftien geleden kon je nog volstaan met één 25 Ampère-type voor de badkamer, maar de veiligheidsnormen zijn behoorlijk aangescherpt. Waar je in Nederland al redelijk uit de voeten kunt met twee aardlekschakelaars (maximaal 4 groepen per aardlekschakelaar) om een middelgroot huis volgens de Nederlandse NEN 1010 normen te voorzien van elektriciteit, in Frankrijk is dat het startpunt voor  de eisen. Bij een bewoonbare oppervlakte (surface habitable) van minder dan 35 m² zijn twee aardlekschakelaars verplicht (één van het type A, de ander AC), tussen de 35 en 100 m² zijn dat er drie (1 x A, 2 x AC) en bij meer dan 100 m²





Franse groepenkast

minimaal vier stuks (1 x A, 3 x AC). Achter zo'n  aardlekschakelaars mogen volgens de Franse normen meer dan vier disjoncteurs (maximum in Nederland) worden aangesloten. Zes of zeven is heel gebruikelijk, en ik ben ook al installatietekeningen tegengekomen van een grote Franse fabrikant waar er in totaal acht waren ingetekend. Niet 
verwonderlijk wanneer je de licht- en stopcontactgroepen moet scheiden. Vandaar dat de groepenkasten in Frankrijk behoorlijk wat groter uitvallen dan we in Nederland gewend zijn.

Wat hangt daar allemaal aan? Het is seulement un petit studio zouden de Fransen zeggen, minder dan 35 m² oppervlakte, een gastenverblijf. Een redelijk ruime zit/slaapkamer met mini-inbouwkeukentje, een elektrische verwarming, een douche, de gang, een kleine werkkamer (atelier) en een elektrische boiler voor het warme water. Niet overdreven veel, maar in de groepenkast tikt dat toch aardig aan. En dat is dan nog la solution minimale wordt mij vrolijk meegedeeld in de gids van een Franse fabrikant. Maar van hem kan ik natuurlijk nooit genoeg kopen, er valt altijd wel iets te verbeteren of uit te breiden. Nog een extra disjoncteur différentiel voor bijvoorbeeld een wasmachine. Zou daar wat mis mee gaan, dan blijft de rest van de verlichting en de stopcontacten het gewoon nog doen. En dat zorgt dan voor een meilleur confort d'exploitation.

 

3.7. Om het nog wat ingewikkelder te maken bestaat er ook een mengvorm van aardlekschakelaar en automaat: de disjoncteur différentiel. Die staat in het stroomschema gezien op hetzelfde niveau als een aardlekschakelaar. Maar dan zonder disjoncteur er achter, want die functie neemt hij ook voor zijn rekening. Dit type wordt toegepast om bijvoorbeeld alleen een vrieskist aan te sluiten, een alarmsysteem of een computer. Op die manier komt zo'n apparaat niet zonder stroom te staan wanneer er ergens anders een aardlekschakelaar uitklapt. Want in de standaard situatie deel je met een stel andere groepen dezelfde aardlekschakelaar: gaat er in één van die groepen wat mis, dan schakelt die aardlekschakelaar alle groepen uit. Voor de perfectionisten of degenen die bang zijn de inhoud van vrieskist of harde schijf kwijt te raken, er zijn ook zeer storingsbestendige uitvoeringen te krijgen. Dat soort disjoncteurs, en ook de storingsbestendige interrupteurs différentiels, krijgen dan toevoegingen mee als Hpi, Hi of Si. Waarbij Hi dan bijvoorbeeld de afkorting is voor haute immunité.

 

3.8. Behalve taalverschillen zijn er ook behoorlijk wat materiële verschillen tussen de Nederlandse en Franse groepenkast, de inhoud daarvan, en de manier van aansluiten. Om met het simpelste te beginnen: de Franse groepenkast is iets breder: er passen in totaal dertien modules in, dat is één meer dan in Nederland. En hoewel we in de Europese Unie wonen, houdt de standaardisatie vaak op bij de landsgrenzen. Neem nu de disjoncteur. Op het eerste gezicht zou je zeggen: identiek aan




Close-up van Nederlandse aansluiting: alles precies andersom

wat ik in de Nederlandse doe-het-zelf zaak in de schappen zie liggen. Toch niet. Bij de Nederlandse uitvoering vindt de stroomtoevoer aan de onderkant van de modules plaats, en ga je van de bovenkant verder naar de diverse groepen. In Frankrijk is dat net andersom: de alimentation aan de bovenkant (tegenwoordig met aansluitstrips, peignes de raccordement of barres de pontage), en aan de onderkant de départ des lignes naar de groepen. En daar blijft het niet bij in het kader van de Europese gedachte, er is  nog een essentieel verschil.

Op de Franse disjoncteurs wordt de phase (rood) op het rechter aansluitpunt bevestigd, en de neutre (blauw) aan de linkerkant, waar dan ook keurig een N staat. In Nederland is dat precies omgekeerd. En waar we in Nederland vrolijk op één disjoncteur zowel lichtpunten als stopcontacten aansluiten, is dit in Frankrijk nadrukkelijk verboden. Licht gaat over aparte groepen (circuits éclairage), stopcontacten (circuits prises) gaan over aparte groepen. Samen met andere specifieke bewoners van de Franse groepenkast (waarover later meer) wordt het dus behoorlijk vol. Vandaar dat je




Franse aansluiting: alimentation boven, départ onder

aanvankelijk wel eens met je ogen staat te knipperen: waar dient dit toch allemaal voor? Maar met al deze specifiek Franse inhoud  valt het van harte af te raden  groepenkast materiaal te gebruiken dat niet conform de NF C 15-100 normen is. Omdat het in Nederland of 
België zo lekker goedkoop was bij bouwmarkt x, y of z. Bij nieuwbouw of renovatie wordt het niet door CONSUEL als keurende instantie goedgekeurd. Jammer dus van al die gewerkte uren en al die Nederlandse kassabonnetjes.   Bovendien: per 1 januari 2009 wordt een (veiligheids)keuring van de elektrische installatie verplicht bij de verkoop van een huis, aldus de Franse Staatscourant (Journal Officiel de la République Française) van 24 april 2008, Décret n° 2008-384. Een met Nederlands materiaal verbouwde installatie komt daar niet doorheen ben ik bang, of krijgt een rode kaart. Hetgeen een potentiële koper van harte zal toejuichen: heeft hij of zij een sterk punt om op de vraagprijs af te dingen. Verkeerde zuinigheid dus. En voordat ik het vergeet: het materiaal  voor  de  groepenkast is in Frankrijk stukken goedkoper dan in Nederland. En dan vergelijk ik niet de adviesprijzen, maar de werkelijke  prijzen, een vergelijking tussen de bekende  bouwmarkten. De disjoncteurs van de A merken (o.a. Hager, Merlin Gerin, Legrand, ABB) gaan in Frankrijk voor de helft van de Nederlandse prijs. Conclusie: dubbel verkeerde zuinigheid dus.

 

3.9. De groepenkast kan een inbouwtype zijn (tableau encastré), een opbouwtype (en saillie), of daartussenin (semi-encastré). Om het verhaal compleet te maken: je kunt een opbouwgroepenkast ook nog op een verhoging monteren om wat meer ruimte te hebben voor je bedrading (tableau sur rehausse). Een losse groepenkast, zonder onderdelen er in, wordt ook wel aangeduid als een armoire of  coffret. Zoals gezegd, in de Franse groepenkast gaan 13 modules op een rij. De kleinste met één rij is een tableau de 1 rangée de 13 modules, en zo gaat het door naar 2, 3 en 4 rijen boven elkaar (gemiddelde hoogte van de behuizingen resp.: 23,5 cm, 36 cm, 48,5 cm en 61 cm). Via combineren kun je diverse configuraties maken. Terwijl in de Nederlandse praktijk de standaardbreedte al sinds jaar en dag 22 centimeter is voor dit soort aansluitkastjes in woonhuizen, is dat in Frankrijk 25 centimeter. De diepte is 10 centimeter. Overigens kunt je voor uitbreidingen in de installatie er ook voor kiezen ergens anders in huis een tweede 'hulp' groepenkast te plaatsen.

 

En wanneer men de groepenkast zou willen inbouwen, met een deurtje er voor, maak die kast dan niet te ondiep. De schakelknoppen van de disjoncteurs hebben ruimte nodig om hun draai te kunnen maken. En een paar modulaire stopcontacten in de groepenkast is handig voor bijvoorbeeld een modem. Je bent nu immers toch bezig alles goed te doen. Maar dan moet je daar wel stekkers op kunnen aansluiten. Dus ga dan maar uit van een minimale inbouwdiepte van respectievelijk 12 of 15 centimeter. En verder moeten  de te bedienen schakelaars zich tussen de 1 meter en 1,80 meter hoogte bevinden.  En ten slotte, waar monteer je zo’n groepenkast? Er is een aantal verboden: niet buiten, niet in de badkamer, niet boven het aanrecht, niet in het toilet, niet boven een verwarming, niet boven of onder een kraan, niet boven het fornuis en niet aan de zijkant van een trap. En liever ook niet in een grote inbouwkast (placard), want binnen de kortste keren staat er van alles voor of tegen aan, en kun je er niet bij als het nodig is. Wat blijft er over? Ergens bij de ingang, op een makkelijk toegankelijke plaats. In Nederland denk je dan al snel aan een ouderwetse vestibule, maar die heb ik op het Franse platteland nog zelden gezien. Dan ergens bij de entree, of in de gang als daar ruimte is. Of in ieder ander vertrek, mits je er maar zonder problemen bij kan komen. En dan loop je natuurlijk tegen de vraag op, hoe onttrek ik dat allemaal een beetje aan het zicht, zeker als het om de woonkamer gaat. Vandaar dat ik over die deurtjes begon. Vaak zal de plek waar de EDF aansluiting het huis binnenkomt als uitgangspunt gebruikt worden. Bij een ingrijpender verbouwing zal het misschien nodig zijn die aansluiting te laten verleggen om alles conform de normen te kunnen doen.

 

3.10. Voor de GTL (Gaine Technique de Logement), de grote totaalkast, met alles erop en eraan, gelden weer andere afmetingen, en worden door de grote merken complete bouwdoossystemen aangeboden. Ook hier de inmiddels bekende in- of opbouwvarianten: encastrée, semi-encastrée, en saillie. Wil je naast het tableau de répartition en het tableau de communication nog iets in dezelfde stijl installeren voor inbraakalarm (protection antiintrusion), de satellietontvanger of zomaar een autre application? Het staat allemaal in de catalogus. Die complete, min of meer prefabsystemen zien er fraai uit, en daarbij behoort een vanuit het perspectief van de handel gezien eveneens een fraaie verkoopprijs. Het staat de handige bricoleur vrij om zelf uit bijvoorbeeld hout zelf zo'n GTL behuizing te maken. De breedte (largeur) moet minimaal 60 centimeter zijn, de diepte (profondeur) minimaal 20 centimeter. De hoogte: van vloer tot plafond. Alleen bij de kleinste type woningen van minder 35 m² mogen de breedte en diepte wat geringer zijn: resp. 45 centimeter en 15 centimeter. Andere ontwerpeisen: het moet in de buurt van de hoofdingang zijn, of daar in de buurt en makkelijk toegankelijk. In verband met de vele leidingen of kabelgoten die omhoog (of omlaag) gaan, mag er geen draagbalk boven zijn. En de GTL dient alleen voor alles wat met elektriciteit te maken heeft: er mogen geen water of gasleidingen doorheen lopen. De minimale afstand tussen de diverse onderdelen wordt ook nader omschreven. Dit allemaal is de nieuwe NF C 15-100 norm voor nieuwbouw en renovatie. In het laatste geval moet er trouwens wel sprake zijn van een bijna volledige kaalslag binnenshuis: alleen wanneer voorhamer en breekijzer onzacht in beroering komen met niet-dragende binnenmuren (cloisons non porteuses), dan zal men echt aan de GTL moeten geloven. Anders zou half Frankrijk, inclusief de draagmuren (murs porteurs)  moeten worden afgebroken om aan de nieuwe NF regels te voldoen. Voor de kleinere renovaties kan men dus de weg van de standaard moderne groepenkast kiezen.

 

3.11. Handig, maar ook verplicht tegenwoordig, is een schema in de groepenkast waar per groep op staat welke gebruikers daar allemaal op zijn aangesloten, en waar die zich bevinden. Voor de  groepenkast zelf zijn er ook systemen: papiertjes achter een plastic stripje op de deksel van de groepenkast, of een plastic venstertje op de module zelf waarachter je de tekst kwijt kan. Of symbolen: de meeste fabrikanten hebben velletjes A4 in hun assortiment, waar bijna alle aanduidingen op staan voor wat je zo al kunt tegenkomen aan elektrische apparaten en aansluitingen. Voor mensen met een onduidelijk handschrift, en tegen verblekende, nauwelijks meer leesbare krabbels een nette oplossing. Want deze repérage moet leesbaar (lisible) zijn.

Print Print dit artikel

 
De aarding
 

4.1. De derde kleur draad die we in de groepenkast tegenkomen is de geel/groene, de aardedraad. Een goede aardeaansluiting is net zoals het gebruik van aardlekschakelaars van groot belang voor de veiligheid. Wanneer er ergens iets goed fout gaat, moet de hoofdschakelaar, de disjoncteur de branchement (indien uitgerust met een aardleksensor) in staat zijn de elektrische stroom helemaal uit te schakelen. En dat lukt alleen maar wanneer er een deugdelijke aarde aansluiting is. Daar zijn in principe drie oplossingen voor: een rond het huis (prise de terre par boucle) ingegraven koperen kabel (25 mm² of dikker), een in een lange en diepe geul ingegraven kabel (prise de terre par conducteur enfoui dans une tranchée) en ten slotte de aardpen (piquet) die een paar meter of meer de grond in moet. Het is ook mogelijk een aantal piquets parallel aan te sluiten, wanneer je met één niet diep genoeg komt om de vereiste lage weerstandswaarde te krijgen. Die piquets zijn in de grotere brico-zaken gewoon in het assortiment, vaak van gegalvaniseerd ijzer. Stevig tikken met een zware hamer, of naar beneden hameren met een kango breekhamer. En hopen dat je onderweg geen grote stenen tegenkomt. Om de bovenkant van zo'n piquet moet volgens de regels der kunst dan een putje gemetseld worden, met een deksel daarop. Dat geheel heet dan een regard de visite. Op die piquet is een stevige klem bevestigd, en daarop is de aardedraad vastgeschroefd, en dat moet je naderhand nog kunnen controleren. Zit alles nog goed vast, is het niet geoxydeerd. Anders heb je geen goede aardleiding meer.

4.2. Welke methode de beste is hangt voor een deel af van de bodemgesteldheid, maar ook van de eisen die de EDF in de regio stelt. Dat wil nog wel eens verschillen. Voor een disjoncteur de branchement die moet afslaan bij een foutstroom van 500 milli-ampère mag de maximale weerstand naar aarde 100 Ohm zijn. Om dat te kunnen meten heb je speciale meetapparatuur nodig, en de nodige ervaring in dit soort metingen. Met een gewone  multimeter zijn geen zinnige metingen te verrichten. Werk voor de specialist. De aardleiding (conducteur de terre) komt als een dikke koperen kabel (25 mm² ongeïsoleerd, 16 mm² geïsoleerd) van de aardpen of aardlus het huis binnen, en wordt daar bevestigd op een speciaal aansluit- en meetpunt, de barette de mésure. Aan de andere kant van dit bruggetje vervolgt de aardleiding als conducteur principal de protection zijn weg naar het aarde aansluitpunt (répartiteur de terre) in de groepenkast. Diameter van deze draad: minimaal even dik als de dikte van de aanvoerdraden (alimentation) van de installatie (meestal 10



Barette de mesure 


à 16 mm²). Tevens gaat er van deze barette de mésure – inderdaad, bedoeld om de aarding van de installatie te kunnen meten – een draad van 6 mm² verder het huis in die dient voor de potentiaal vereffening (liaison équipotentielle principale). Kort gezegd komt het er op neer dat alle metalen voorwerpen, om te beginnen in de natte ruimtes, via aardedraden verbonden moeten zijn met de aardeaansluiting. De badkamer wordt vaak rechtstreeks vanuit de groepenkast bediend met een aardedraad van 2,5 of 4 mm² voor deze potentiaal vereffening.

4.3. Verder nog wat aan aarde? Ja, alles. Na de laatste aanpassingen van de NF C 15-100 norm moeten alle stopcontacten (prises de courant) geaard zijn. Deze prises moeten sinds 1 juni 2004 met geïntegreerde obturateurs beveiligd zijn om te voorkomen dat kinderen bij de aansluitingen zouden kunnen komen. Sinds diezelfde datum is het Franse systeem waarbij het stopcontact met spreidklemmetjes in de inbouwdoos wordt vastgezet (gelukkig) verboden. Na verloop van tijd trek je namelijk geheid een keer stekker plus stopcontact uit de muur. Bevestiging is nu met de ons bekende twee kleine boutjes waarmee het metalen frame vastgeschroefd wordt op de inbouwdoos. Een geaard stopcontact heet voluit une prise de courant à deux broches plus terre (2P+T). Het oude type zonder veiligheidsaarde, une prise traditionnelle à deux broches (2P), mag alleen nog worden toegepast ter vervanging van een kapot exemplaar in een bestaande installatie. Zoals men inmiddels ervaren zal hebben ziet het Franse geaarde stopcontact er iets anders uit dan het Nederlandse type: de aardeaansluiting is hier één uitstekend pennetje, geen klemmetjes aan de zijkant. Omdat overal in Europa andere types gebruikt worden is hier geen Europese norm voor. In Frankrijk mag je dus alleen dit soort  NF gekeurde stopcontacten gebruiken. Ook moet naar alle lichtpunten een aardedraad worden meegetrokken. En die lichtpunten mogen in de nieuwbouw niet meer uitgerust zijn met kroonsteentjes (dominos) die bevestigd worden aan de aansluitdraden die 'ergens' uit het plafond komen. Daar is nu een speciale aansluiting voor ontwikkeld, een klein stopcontactje in de afsluitdeksel van een inbouwdoos in het plafond, bedoeld voor een speciaal stekkertje om de verlichting mee aan te sluiten. De afkorting voor deze nieuwe ster aan het elektra firmanent is DCL. En dat staat voor: Dispositif de Connexion pour Luminaire. Deze nieuwe norm vooronderstelt dus bij nieuwbouw: een verlaagd plafond (faux plafond), of inbouwdozen (boîtes de connexion) die al zijn aangebracht bij het storten van een betonnen vloer.

Print Print dit artikel

 
De leidingaanleg                 

 

5.1 Verschilt het veel van Nederland? Eigenlijk niet. Met zevenmijlslaarzen aan zou je twee Nederlandse methodes kunnen onderscheiden (of is het een mondiaal model, sla ik iemand over?). Het ouderwetse systeem van lasdozen, waar komend vanuit de groepenkast alles wat bij één bepaalde groep hoort meestal slingerend zijn weg volgt, in lelijke elektrapijpen over de muur, of weggewerkt onder een houten vloer. Waar diverse generaties elektraverbeteraars volgens hun inzichten en noden van dat moment weer een aftakking aan hebben vastgeknoopt, zodat uiteindelijk niemand meer zicht heeft op hoe alles nu precies loopt. Werk die vloer dan nog eens af met fraai parket, en bij de volgende ondergrondse elektrastoring is er een probleem. Bereidwillige elektriciens zullen dan vervolgens een rechtstreekse verbinding aanleggen tussen uw bancaire tegoeden en hun bankrekening, want dat is vele uren (zoek)werk. Hierna heeft het zogenaamde centraaldozensysteem zijn entree gemaakt. Vanuit de groepenkast gaan leidingen naar de meestal blauwe centraaldozen die op strategische plekken in het plafond zijn aangebracht, en vandaaruit gaan afzonderlijke leidingen naar stopcontacten, schakelaars en lichtpunten. Als een spin in het web. Leidingen die tegenwoordig keurig zijn weggewerkt in de muur. Dekseltje open van de centraaldoos, en je kunt er nu tenminste bij en zelfs zonder installatietekening heb je snel door hoe alles loopt. Maar wegens de in Frankrijk al langer vereiste scheiding tussen licht en stopcontacten zijn dit soort centraaldozen daar lang niet zo populair als in Nederland. De opbouwsystemen zijn inmiddels met een come-back bezig: allerlei plastic kabelgoten en plintsystemen doen het in esthetisch opzicht lang niet slecht. Die zijn compleet met schakelaars en stopcontacten te krijgen in de diverse huisstijlen die de fabrikanten op de markt brengen.

5.2. Wat Frankrijk betreft, speciaal in de wat oudere huizen, komt ook daar het kruipdoor/sluipdoor-systeem van bekabeling die via lasdozen wordt doorverbonden, veel voor. Die vierkante lasdozen zijn vaak behoorlijk wat groter dan de bekende lichtgele types uit de polder.  Ze luisteren naar de naam: boîte de dérivation, en zijn uiteraard verkrijgbaar als opbouw- of inbouwmodel.

Er zijn ook kleinere inbouwmodellen (boîte de dérivation encastrée), qua vorm te vergelijken met de reguliere inbouwdozen, en voor de afwerking voorzien van een vierkant afdekplaatje. Bij een vernieuwing van de elektrische installatie is het altijd de vraag: wat laat je zitten van het oude leidingen systeem en wat breek je af? En wanneer je gaat afbreken, en er is de mogelijkheid om loze of niet gebruikte ruimtes op zolder te gebruiken (comble non aménageable), dan is er een keurige Franse variant op de centraaldoos, een wat grotere uitvoering: de boîte de combles. Ook wel



Boîtes de dérivation opbouw

verkocht onder de naam: boîtier pavillionnair. Daarvandaan kun je dan de daar onder gelegen vertrekken voorzien van stopcontacten, lichtpunten en schakelaars. Zorg er wel voor dat je de aparte groepen voor de prises de courant en de éclairage bij de montage met lasdoppen in deze boîte goed uit elkaar blijft houden.

Beide manieren van aanpak -lasdozen/centraaldozen - kunnen dan in opbouw of inbouw worden gerealiseerd, en alles wat daar tussen in zit, afhankelijk van smaak en de bouwkundige mogelijkheden. De inbouwdozen, waar uw schakelaars, stopcontacten, tv- en telefoonaansluitingen in worden ondergebracht, heten: boîtes d'encastrement. Ook de telefoonaansluitingen? Ja, want de Franse T-stekker is exit als norm, want opgevolgd door de RJ-45aansluiting als prise téléphonique. Het soort stekkertjes dat men

waarschijnlijk al kent van de netwerkkabeltjes van een computer.







Boîte de dérivation inbouw


5.3. Voordat er leidingen getrokken worden, is het verstandig te weten welke dikte van de draad moet worden gebruikt,  en wat de daarbij horende zekeringen of disjoncteurs zijn die in de groepenkast geplaatst moeten worden. Onderstaande tabel geeft een globaal overzicht van de meest voorkomende situaties.



Soort aansluiting

Draaddikte  van

koperen leidingen in mm²


section

Maximale stroom-sterkte in Ampère van een zekering           

      


fusible

Maximale stroomsterkte van een automaat

   


disjoncteur

Bijzonderheden

Stopcontacten
prise de courant 16 A

1,5

verboden

16

Max. 5 aansluitingen (mogen meervoudig zijn)

prise de courant 16 A

2,5

16

20

Max. 8 aansluitingen(mogen meervoudig zijn)

Verlichting
éclairage

1,5

10

16

Max. 8

Boiler
chauffe eau

2,5

16

20

1

Elektrisch fornuis, kookplaten
cuisiniére, plaque de cuisson

Mono phasé  6

Tri phasé   2,5

32

 

16

32

 

20

1

 

1

Ventilatiesysteem VMC, VMR

1,5

verboden

2

1 
In uitzonderings-  gevallen een hoger ampérage

Verwarming, type

convecteurs

1,5

10

10

2250 Watt

2,5

16

20

4500 Watt

4

20

25

5750 Watt

6

32

32

7250 Watt

Rolluiken

volets roulants

1,5

10

16

Oven
four

2,5

16

20

Dag/nachttarief schakeldraden e.d.

Fil pilote

1,5

verboden

2

Geschakelde stop-contacten

pc commandée

1,5

10

16

Max. 1 schakelaar voor twee aansluitpunten in dezelfde kamer, of:

Max. 1 télérupteur of  contacteur voor meer dan 2


Ook voor de aanvoerdraden van de hoofdschakelaar – disjoncteur de branchement – naar de groepenkast geldt een aantal minimale diktes. Waaruit je trouwens ook de minimale dikte voor de aardedraad van de groepenkast kunt afleiden.

Onderstaande tabel geeft zowel voor koperdraad als aluminium de vereiste diktes aan.  Aluminium wordt tegenwoordig in verband met de gestegen grondstofprijzen ook wel toegepast, maar daar gelden dus grotere draaddoorsnedes voor (ongeveer 50% dikker).

 Koper

Aluminium
Stroom-sterkte instelling van de
disjoncteur de branchement
Minimale  draaddikte in mm²

section minimale des âmes des conducteurs

10

2,5

4

15

2,5

4

20

4

6

25

6

10

30

6

10

40

10

16

45

10

16

50

16

25

60

16

25

75

25

35

90

25

35

                                                                                                                                                   

5.4. We waren dus bij de leiding (gaine of conduit) aanleg gebleven. Men zal een keuze moeten maken voor opbouw, inbouw (eventueel dus freeswerk) of wegwerken in holle muurtjes (sandwich van gipsplaten op houten of metalen frame), of achter voorzetwanden van gipsplaat. En alle combinatievarianten. Ieder gebouw heeft zo zijn mogelijkheden en bouwtechnische onmogelijkheden.
De in Nederland gebruikte standaard plastic elektrapijp, lichtgeel en glad, en met een buigveer in allerlei hoeken te buigen, ben ik tot nu toe bij mij in




Conduit annelé

de buurt (Bourgogne) nog niet tegengekomen. Het enige dat erop lijkt, zijn de lichtgrijze pijpen zoals die vooral in schuren of bedrijfsruimtes gebruikt worden, wel glad (lisse), maar niet buigbaar, cintrable (type IRL 3321). Er is in deze kleurstelling een buigbare variant (type ICTL 3421), maar die is lang niet overal verkrijgbaar. Voor gebruik binnenshuis en inbouw wordt in Frankrijk overwegend de flexibele, geribbelde  buis gebruikt (conduit annelé). Daar zijn twee types in verkrijgbaar: ICA 3321 voor het reguliere werk (encastré dans une saignée), en de ICTA 3422 mag ook in beton verwerkt worden (noyé dans le béton). De kleinere diameters zijn verkrijgbaar in rollen tot maximaal 100 meter, de heel grote maximaal 50 meter.

En meestal zwart of grijs van kleur. Omdat het trekken van draden behoorlijk wat meer weerstand oplevert in dit soort ribbelbuis, vooral wanneer er nog wat bochtjes genomen moeten worden, is het verstandig van te voren de draden erin aan te brengen, en dan pas in de uitgehakte gleuf te bevestigen. Of in een dubbelwandig muurtje. Niets is frustrerender dan wanneer je iets wat je zo mooi had dichtgemetseld of afgewerkt, weer moet open breken omdat je de draden er met geen mogelijkheid meer door heen gesjord krijgt. Omdat al meer mensen met dit probleem




Standaard grijze kabel

geworsteld hebben is daar een oplossing voor verzonnen. De geribbelde buis is ook kant en klaar met draad te krijgen. Maar wanneer je meer dan de standaard drie draden in een buis nodig hebt – bijvoorbeeld bij een aantal extra schakeldraden (fils de navette) – dan zit er meestal niets anders op dan het zelf te doen.

Van de goedkopere elektradraad – ik ben ook wel eens voor zo'n speciale aanbieding gevallen – is de plastic isolatie vaak een stuk stroever dan van de A-merken: ook dat heeft invloed op de totale lengte van de draad die je met een trekveer (tire-fils) nog de baas kunt. Wat ook helpt, is gewoon een iets grotere buis nemen: neem de 20 mm variant waar je volgens de normen ook nog net met de 16 mm diameter uit de voeten had gekund.

 

Ook in Frankrijk gelden regels voor hoeveel draden van welke diameter je maximaal in een elektrabuis mag aanleggen. Zie onderstaande tabel.

Maximum aantal draden in mm²

Buisdoorsnede in mm

Buisdoorsnede in mm

Type: ICTA, ICA of ICTL

Type: IRL

2 x 1,5 of 3 x 1,5

16

16

6 x 1,5

20

20

3 x 2,5

20

16

3 x 2,5 + 3 x 1,5

25

25

6 x 2,5

25

20

3 x 4

20

20

3 x 6

25

20

3 x 10

32

25

3 x 16

32

32

3 x 20

40

40

 

5.5 Voor het bevestigen van opbouwleidingen (buizen of kabels) - let op de voorgeschreven minimum bevestigingsafstanden voor een 'beugeltje' - zijn er in Frankrijk handige bevestigingsmethodes bedacht. Er is een variant op de muurplug, met of een stukje schroefdraad op het uiteinde (cheville à visser), of een opening, waardoor je een ‘strap’ kunt steken (collier réglable). Een  klem waar je een leiding indrukt zul je in de schappen terugvinden onder de naam lyre. Voor de diverse installatieplintsystemen die in omloop zijn, gelden ook regels voor het maximum aantal draden, en hoe je in de luxere modellen de sterkstroom en zwakstroom (telefoon, netwerk, tv) van elkaar moet scheiden. Dat kan de desbetreffende fabrikant haarfijn uitleggen.

 

5.6. Omdat dat trekken van draden arbeidsintensief is, wordt vaak gekozen voor het gebruiken van de bekende dikke grijze kabels, wanneer die tenminste uit zicht ergens achterlangs, tussen in, en bovenlangs  weggewerkt kunnen worden. De tijdwinst gaat later weer deels verloren, wanneer je de boel passend moet maken voor aansluiting in doorvoer/lasdozen, of bij de aanluiting op schakelmateriaal. Ook met speciale draadstrippers kost het toch wat meer tijd om het allemaal netjes en precies passend te maken. 

5.7. Voor het doorverbinden van draden in de las- of doorvoerdozen werd en wordt in Frankrijk kwistig gebruik gemaakt van kroonsteentjes (dominos) en daarmee vergelijkbare borniers en bornes. Valt historisch wel te verklaren, want soms werd ook flexibel draad gebruikt. En die kun je in tegenstelling tot zijn rigide soortgenoten niet in een lasdop steken. In Nederland zou een elektricien deze werkwijze bijna ontslag op staande voet opleveren, het enige wat een Franse elektricien daar in het verleden voor hoefde te doen, was het gebruikmaken van onze oude lasdoppen, waarbij je de twee of drie draden in elkaar draait met die lasdop er boven op. Onaanvaardbaar brandrisico naar de mening van de Franse regelgevers. Tegenwoordig heeft (eindelijk) ook de moderne klemlasdop (connecteur sans vis) zijn entree gemaakt in Frankrijk. Wat die dominos betreft nog dit: bij gebruik in een las- of doorvoerdoos de te verbinden blanke draadeinden samen over de hele lengte van het kroonsteentje doorsteken, zodat de verbindingen met twee boutjes worden vastgedraaid. Dus niet op de manier zoals we dat gewend zijn te doen bij het aansluiten van een verlichtingspunt.


5.8. Al die buizen en draden gaan ergens naar toe: schakelaars, stopcontacten en lichtpunten. Voor alle inbouwleidingen geldt dat die moeten uitkomen op een inbouwdoos: une boîte d'encastrement, ook wel: une boîte de raccordement. Er zijn in principe een drietal standaard uitvoeringen. Dat zijn dan de enkele, ronde uitvoering met een diameter van 60 mm en de vierkante uitvoeringen van 70 x 70 mm die je aan



Antieke lichtschakelaar

elkaar kunt koppelen, carré associable. En voor het aansluiten van zware stopcontacten of apparatuur is dan nog als derde variant de carré simple van 85 x 85 mm of 65 x 65 mm voor het lichtere werk. Het maakt ook uit in wat voor soort muur of steensoort je deze inbouwdozen wilt bevestigen. Gaat het om een draagmuur (mur porteur) die uit stenen, bakstenen, of uit holle bouwstenen is opgebouwd, of om scheidingswandjes (cloisons non porteuses) van bakstenen, gipsblokken of holle bouwstenen (briques creuses of parpaing creux). Voor die holle bouwstenen zijn aparte modellen inbouwdozen. En in dit soort “creuse” muurtjes beslist geen sleuvenfrees of breekhamer loslaten: dat loopt verkeerd af. Hier is een iets subtielere werkwijze nodig. Neem verder niet als vanzelfsprekend aan dat de maatvoering van dit soort inbouwdozen volledig gestandaardiseerd is. Diverse fabrikanten hanteren soms net wat afwijkende maatvoeringen voor de met enige regelmaat wisselende eigen 'families' schakel- en aansluitmateriaal die ze in hun programma hebben. En hanteren soms binnen één lijn al een verschillende maatvoering: voor een dubbele inbouwdoos gelden soms twee verschillende 'hart-op-hart' afstanden: voor de verticale montage een andere dan voor de horizontale montage. En daar horen dan weer net iets verschillende afdekplaatjes bij. Wanneer je beslist van merk x, y of z het schakelmateriaal wilt installeren, informeer dan ook even of daar nog speciale eigen merkgebonden inbouwdozen voor nodig zijn. Dat voorkomt verrassingen achteraf.

5.9. In de nieuwe normen wordt ook voorgeschreven hoeveel lichtpunten en stopcontacten er zoal aanwezig moeten zijn in de diverse vertrekken. In de gang (couloir): 1 verlichtingspunt, 1 stopcontact. In de keuken (cuisine): 1 verlichtingspunt, 6 stopcontacten, 1 prise téléphonique RJ 45 (3 wanneer de keuken kleiner is dan 4 m²). Van die stopcontacten moeten er vier boven het werkvlak zijn aangebracht (niet boven de spoelbak).

De zware stroomverbruikers zoals cuisinières en plaques de cuisson moeten met extra zware stekkers (rechthoekige aardpen) en stopcontacten worden aangesloten, of om problemen met mogelijke overgangsweerstanden te voorkomen met een dikke flexibele kabel (3 x 6 mm²) rechtstreeks op een speciale inbouwdoos. Deze laatste methode wordt het meest gebruikt. In de woonkamer (séjour, salon): 1 verlichtingspunt, minimaal 5 stopcontacten (1 per 4 m²!), 1 telefoonaansluiting, 1 tv- aansluiting. In de slaapkamer (chambre): 1 verlichtingspunt, 3 stopcontacten, 1 telefoonaansluiting, 1 tv aansluiting. Badkamer (salle d'eau): hier gelden in verband met de veiligheid speciale voorschriften. De badkamer is verdeeld in 4 volumes: volume 0 is in de badkuip zelf, volume 1 het deel daarboven, volume 2 het deel daarnaast en volume 3 ten slotte het verst weg van de badkuip of douchebak.

Voor elk van deze volumes gelden aparte voorschriften over wat wel en niet is toegestaan aan elektrische bedrading of apparatuur




Zware-apparaatstekker


(verwarming). Ook het totaal aantal tv-aansluitingen is genormeerd: woning ≤ 35 m²: 1 stuks; ≤ 100 m²: 2 stuks en  ≥ 100 m²: 3 stuks. Voor de stopcontacten, die je immers ook als inbouwstrips met twee, drie en vier contacten kunt aanleggen, geldt nog de volgende regel. Equivalence des socles à prises multiples: één contact telt als één aansluitpunt; twee contacten tellen ook als één aansluitpunt; drie en vier contacten tellen als twee aansluitpunten. 

Print Print dit artikel

 
Speciale schakelingen
 

6.1. De hotelschakeling (officieel wisselschakeling), hetzelfde lichtpunt met twee schakelaars

bedienen, heet in Frankrijk toepasselijk een va et vient circuit. Daar is een aardige variant op,      waarmee je met drukknoppen (boutons poussoir) een relais bedient. Deze télérupteur – in de groepenkast of in een  doorvoerdoos ondergebracht -  schakelt dan de lamp in of uit. Kenmerkend voor de mechanische (dus relais) uitvoeringen is de stevige klik die uit de groepenkast klinkt, of ergens uit de muur waar hij is ingebouwd. Handig als je eens in kaart wilt brengen waar wat zit van de elektrische installatie, auditief spoorzoeken. Er is ook een geruisloze, elektronische variant te koop, de télérupteur silencieux. Iets duurder, gaat langer mee en vooral veel stiller. En met zo'n télérupteur schakeling kun je net zoveel boutons aanbrengen als je zou willen. Wanneer je uit drie of meer punten een lamp wil bedienen, is dit de oplossing. Ook uitbreidingen zijn makkelijk uit te voeren.

 

6.2. De elektrische boiler wordt meestal aangesloten via een abonnement met een dag/nachttarief. De heures pleines en de heures creuses. Daarvoor zijn dan drie afzonderlijke modules voor aangebracht in de groepenkast. De automatische schakelaar zelf (contacteur jour/nuit), een disjoncteur van 2 Ampère die in de schakeldraad (fil pilote) is opgenomen, en ten slotte een coupe circuit of disjoncteur vanwaar de bekabeling richting de boiler gaat. Op deze contacteur jour/nuit zit meestal een klein schuifknopje, een commande manuelle. Er zijn drie posities: 0 (= uit), auto (= wordt via het EDF dag/nacht signaal in- en uitgeschakeld) en 1 (= hiermee zet u de boiler permanent aan, ook tijdens de dure uren). Punt van aandacht nog: deze dag/nacht schakelaars zijn er in twee types. De ene soort schakelt in bij het ontvangen van het EDF signaal (contacteur à fermeture, meestal met een F aangeduid) de andere soort schakelt uit (contacteur à ouverture,  met een O in de aanduiding)! En dat laatste is niet de bedoeling wanneer u van



Drie modules voor de boiler (chauffe-eau)

uw goedkope nachttarief wilt profiteren.  Let vooral bij bestellingen via internet dus op, welke contacteur jour/nuit u aankruist. Er is zelfs een derde variant, met 1 'maak' contact, en 1 'verbreek' contact. Ze zien er identiek uit, maar hebben gelukkig wel afwijkende type aanduidingen. Slechts één letter of cijfer verschil. 
Samenvattend: wat men voor de chauffe-eau nodig heeft, moet zijn uitgerust met twee 'maak' contacten, tweemaal fermeture (F/F).

Naast de extra modules die nodig zijn wegens de splitsing tussen licht- en stopcontactgroepen nemen ook dit soort modules weer plek in beslag. Het raakt langzamerhand steeds voller in de groepenkast.

 

6.3. Een andere ons onbekende bewoner van de Franse groepenkast die niet onvermeld mag blijven is de délesteur. Interessant, want daar kan geld mee verdiend worden. Wanneer je voor de verwarming van je huis veel elektrische convectoren, of accumulateurs gebruikt, ga je wanneer alles aanstaat, al snel over de limiet van je aansluiting (puissance souscrite) heen. En slaat de interrupteur de branchement af. En zit iedereen in het donker, in de kou en raakt de moderne mens vertwijfeld omdat hij of zij het internet niet meer op kan. Dan zit er niets anders op dan bij de EDF een nog zwaardere aansluiting te vragen, waarmee de vaste lasten op jaarbasis wederom verder omhoog gaan. De techniek van de délestage biedt hier uitkomst. Het komt er op neer dat dit apparaat continu in de gaten houdt hoeveel stroom er door de dikke toevoerdraden vanaf de hoofdschakelaar loopt. Komt die te dicht in de buurt van het maximum, dan schakelt de délesteur automatisch 1, 2 of 3 van die grote niet prioritaire stroomverbruikers uit. En even later gaan die dan weer automatisch aan, indien het totale stroomverbruik tenminste wat gedaald is. Ze zijn niet goedkoop: al snel € 200 of meer. Maar over een aantal jaren gerekend spaar je er een hoop vast recht mee uit. En op een gegeven moment heb je deze investering terugverdiend. Hoe zo'n apparaat in het Nederlands heet: ik zou het eerlijk gezegd niet weten. Ik kan zelf wel wat namen gaan bedenken, automatisch schakelende vermogensbegrenzer of verzin maar een dwarsstraat,  maar misschien kent één van de lezers de officiële naam.

 

6.4. Over het onweer en de bliksem hadden we het nog niet gehad. Bliksemafleiders op gebouwen zie je niet zoveel in Frankrijk, maar de noodzaak om met al die bovengrondse elektriciteits- en telefoonleidingen te voorkomen dat dure elektrische- en elektronische apparaten ‘geflasht’ worden, is wel degelijk aanwe