|
Het Franse onderwijssysteem
Het Franse onderwijs is uitstekend. Ruim 7% van het bruto binnenlands product gaat naar het onderwijs, tegen nog geen 4,5% in Nederland. In 2007 heeft Frankrijk gemiddeld per leerling of student € 7.168 uitgegeven. Dat is 11,5% meer dan het gemiddelde van de OESO-landen. Maar deze cijfers verbergen de rijke verscheidenheid aan kosten bij de verschillende vormen van onderwijs. Zo zijn de uitgaven voor het basisonderwijs 13% lager dan het gemiddelde, terwijl die voor het middelbaar onderwijs 20% hoger uitvallen. De hoge gemiddelde kosten in Frankrijk komen vooral voort uit de lange onderwijstijden, het talrijke niet lesgevende schooolpersoneel en het kleinere aantal uren dat leerkrachten daadwerkelijk aan lesgeven besteden.
Eenmaal in Frankrijk moet men kinderen beneden de 11 jaar gewoon aanmelden via het gemeentehuis bij de school in de woonomgeving (école primaire); ze zullen daar tussen de Franse kindertjes komen te zitten. De schoolkeuze is met de carte scolaire nog niet geheel vrij, aangezien er een relatie bestaat tussen de woonplaats en de school o.a. in verband met het schoolbussysteem. De oudere kinderen moeten worden ingeschreven bij het rectoraat voor het vervolgonderwijs. Zowel bij de gemeente als bij de rector dient men te zorgen voor een geboorteakte van het kind (vertaald in het Frans), een inentingsbewijs, het laatste schoolrapport en een bewijs van vestiging (rekening EDF of telefoon).
In sommige delen op het platteland van Frankrijk heerst op de scholen soms nog een discipline die in de jaren vijftig ook in Nederland gemeengoed was. Maar dat schoolse gedrag verandert ook in Frankrijk in rap tempo. Van het bij niet-Fransen bestaande beeld dat discipline en tucht in het Franse onderwijs nog algemeen zijn, klopt niet veel meer. Leraren klagen over het afkalvende onderwijssysteem, waarbij naar een middelmatigheid werd gestreefd onder het motto van gelijke kansen voor iedereen. Ook het verschijnsel dat onderwijzend personeel minder wordt gerespecteerd, is een bron van zorg. In Frankrijk gaat men nog niet zover dat leerkrachten worden getutoyeerd. Het aantal uitingen van geweld (belediging, fysiek geweld) tegen onderwijskrachten en ander schoolpersoneel neemt de laatste jaren toe, vooral op de collèges.
Er wordt nog steeds veel werk gemaakt van wedstrijden, competitie, 'wie is de beste?' etc. Leerkrachten stellen er een eer in om de beste scholieren te laten doorstromen naar de prestigieuze grandes écoles, waaruit de toekomstige Franse elite wordt gerecruteerd. Ook het ministerie van Onderwijs wil dat meer leerlingen die het lycée verlaten, terecht komen in de zogenaamde classes préparatoires. De beste leerlingen kunnen daar worden voorbereid op de prestigieuze opleidingen, die veelal nog worden bezocht door de briljante kinderen van de hogere bourgeoisie. Het minsterie wil dat meer leerlingen uit de sociaal zwakkere milieus in deze voorbereidende klassen terecht komen.
Er wordt veel uit het hoofd geleerd en individueel gewerkt. Sport, groepsgesprekken, muziek, museumbezoek – het is er allemaal wel, maar op kleine schaal. Het Franse onderwijssysteem, in Nederlandse ogen tamelijk klassiek van opzet, sterk gericht op regel- en stampwerk en met veel huiswerk, moet de komende jaren van karakter veranderen, zo meent de overheid. De regering van Sarkozy heeft haar zorgen uitgesproken over het matige beheersen van de basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Te veel kinderen die de basisschool verlaten kunnen onvoldoende lezen, schrijven of (hoofd)rekenen. Het is de wens van het staatshoofd dat de Franse kinderen foutloos spellen en schrijven. Een betere pedagogische aanpak en een minder star en overbelast onderwijsprogramma zouden de leerprestaties van de Franse kindertjes ten goede komen.
In het vak wiskunde scoren Nederlandse scholieren aanmerkelijk beter dan hun Franse lotgenoten. Bij het laatste driejaarlijkse onderzoek van de OESO naar de leerprestaties van scholieren van 15 jaar en ouder over de gehele wereld, is gebleken dat Nederland in het vak wiskunde op de vijfde plaats komt. Frankrijk komt niet verder een 13e plaats, iets boven het gemiddelde. Er is een plan gelanceerd dat verder gaat dan eerdere voornemens: leerlingen moeten de opgedane kennis ook leren toepassen, moeten zich meer bewust worden van hun burgerschap en zullen moeten leren zelf initiatieven te nemen. Deze modernisering moet ingaan bij de start van het schooljaar in 2008. Eerder al werden nieuwe eisen geformuleerd die de scholen verplicht moeten uitvoeren: beter les van de Franse taal, meer wiskunde en cultuur, beheersing van een vreemde taal en het kunnen omgaan met de nieuwe communicatietechnieken.
De schooldagen zijn lang, maar tussen de middag wordt ruim gepauzeerd in la cantine. Tussen de middag krijgen de kinderen daar warm eten of eten zij thuis. Brood meenemen kent men niet. De Nederlandse kinderen zullen vertrouwd moeten raken met de Franse eetgewoonten. Levert dat problemen op, dan is het meegeven van boterhammen van thuis toch een tijdelijke oplossing. Alle basisscholen in Frankrijk zullen vanaf september 2008 nog maar vier schooldagen kennen: maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag. De zaterdag als gedeeltelijke schooldag wordt dan afgeschaft. Het aantal lesuren zal met gemiddeld twee uur per week worden verminderd tot 24, neerkomende op 864 uur per jaar tegen nu 936 uur. Onderwijskrachten blijven 26 uren maken en zullen de overgebleven twee uren moeten besteden aan het bijspijkeren van achterblijvertjes. Deze twee uren zullen over de vier schooldagen moeten worden verdeeld, viermaal een halfuur of tweemaal een uur.
Voor het schooljaar 2008/2009 is wat meer duidelijkheid gekomen over de nieuwe verplichte roosters voor het basisonderwijs. Voor de kleuterschool (maternelle) zijn er niet veel veranderingen, hoewel er meer aandacht zal zijn voor het beginnen met eenvoudig lezen en voor de voorzichtige ontwikkeling van vaardigheden als spreken en het 'leren' leren. In de eerste klassen van de lagere school (CP-CE1 - cours préparatoire-cours élémentair) is het aantal uren dat les wordt gegeven wordt overal gelijk: in wiskunde (les maths, mathématiques) wordt dan vijf uur per week en in Franss tien uur. De kinderen leren hier optellen en aftrekken, maar delen komt later in CE2. Het kringgesprek van een halfuurtje vervalt, want daarin wordt al voorzien op de kleuterschool. De overige tien uren van de schoolweek gaan hier naar sport, handenarbeid e.d. en wereldverkenning. De scholen behouden een kleine vrijheid om het aantal uren per vak vast te stellen. Na deze twee jaren moet elke leerling al enige vaardigheid hebben in het beheersen van de moedertaal, het beginnen te spreken en lezen in een andere moderne taal en in de beginselen van wis- en natuurkunde, sociale omgang en zelfstandig werken. In cyclus 3 (CE2-CM1 - cours moyen - en CM2) zijn de schooltijden gelijk: 24 uur, verdeeld over acht uur voor Frans en vijf uur voor les maths. De overige elf uren gaan naar sport (drie uur), een moderne taal (1,5 uur), algemene wetenschap (twee uur) en overige vakken zoals aardrijkskunde,geschiedenis, kunstzinnige oefeningen, burgerlijke instructie en kunstgeschiedenis. De twee laatste vakken zijn nieuw in deze cyclus en gaan iets ten koste van het Frans. Moeilijke kwesties als de subjonctif en passé antérieur komen pas op het collège aan de orde, zo is besloten.
Tegemoetkoming schoolkosten Bij het begin van het nieuwe schooljaar wordt de bekende ARS uitgekeerd, de allocation de rentrée scolaire, een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van aanschaf van schoolboeken e.d. Dit jaar komt er € 50 miljoen bij voor de ouders van leerlingen die naar collège of lycée gaan. Ook wordt geen vast bedrag meer uitgekeerd, maar verschillen de bedragen per leeftijdscategorie: € 272,57 voor de 5- tot 10-jarigen, € 287,57 voor de 11- tot 14-jarigen en € 297,57 voor de 15- tot 18-jarigen ofwel € 25 meer dan bij de Rentrée van 2007. | Op het platteland en in kleine plaatsen gaan de meeste kinderen per schoolbus (le car de ramassage) naar school. Ook in Frankrijk is gezorgd voor kinderopvang voor werkende ouders. Franse gezinnen kiezen het meest voor de oppasdienst buitenshuis. De kinderen gaan dan naar de assistante maternelle, de nounou. De particuliere crèche komt op de tweede plaats en dan is er nog de kleuterschool waar de kleintjes kunnen worden ondergebracht. Ook zijn er de peuters die de zorg krijgen van opa en oma of van een ander familie- of gezinslid. Dan zijn er nog de gemeentelijke crèches, de jardins d’enfants voor kortdurende opvang en de oppas die aan huis komt, de garde d’enfant à domicile. Meer dan de helft geniet de zorg thuis van ma of pa.
Men kent drie categorieën in het 'lager onderwijs': openbare scholen (école publique) en twee vormen van particulier onderwijs (école privée sous contrat en école privée hors contrat). De jaarlijkse kosten (vooral bijdragen aan het eten in la cantine) voor een gezin met twee schoolgaande kinderen zijn gemiddeld respectievelijk € 1500, € 2700 en € 12.000. Ongeveer 80% van de leerlingen volgt het openbaar, gratis onderwijs, maar de belangstelling voor de privé-scholen (lees: katholieke scholen) neemt jaarlijks toe. Ouders hebben het idee dat hun kinderen op dergelijke scholen een betere opleiding genieten en onderzoeken wijzen uit dat dit inderdaad het geval is.
Daarom proberen tal van ouders hun kinderen naar dergelijke, meestal verderaf gelegen scholen te sturen, maar de Franse wet verbiedt dit nog via het systeem van werken met de zgn. carte scolaire, dat leerlingen verplicht in hun eigen woongebied naar bijvoorbeeld een collège te gaan. Voor een lycée bestaat een vrije keuze. De gedachte van de carte scolaire is dat een school een afspiegeling moet zijn van het gebied waaruit de leerlingen afkomstig zijn. Maar sommige wijken of steden zijn verpauperd, waardoor ouders zich genoodzaakt voelen om listen en trucs te verzinnen om hun kroost elders op een school te krijgen. Naar schatting 30% van de schoolkinderen, vaak uit de grote steden, is 'gevlucht'. Het is het plan van de huidige regering om de carte scolaire maar geheel af te schaffen, maar voorlopig is gekozen voor een versoepeling. De maatregel geldt voor collèges die voldoende plaatsen hebben. Leerlingen die voorrang hebben zijn onder anderen gehandicapten, kinderen die op een andere school dichter bij huis wonen, kinderen die al een broer of zus op de andere school hebben of leerlingen die een bijzondere vorm van onderwijs moeten krijgen.
De kinderen gaan na de primaire, als zij tenminste vlot kunnen lezen en schrijven, vier jaar naar het collège, zeg de middelbare school, het secundaire onderwijs. In de klassen sixième (de klassen worden 'teruggeteld') (11-12 jaar) is het lesprogramma (cycle d’adaptation) voor iedereen gelijk: Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Duits of Engels, muziek en kunst. In de cinquième (12-13 jaar) en quatrième (13-14 jaar), le cycle central, leert men dezelfde vakken, uitgebreid met natuurkunde, en in de troisième (14-15 jaar) – de cycle d’orientation – kunnen de leerlingen vakken kiezen met het oog op de vervolgstudie: doorleren of naar het beroepsonderwijs. Na deze algemene vier jaar ontvangt men bij het behalen van voldoende cijfers le brevet. (De waarderingscijfers lopen van 1 tot 20; een 16 is op z’n Hollands dus een 8.) Ruim driekwart van de leerlingen haalt dat brevet.
Na het collège kunnen de leerlingen naar een lycée voor het behalen van het baccalauréat (le bac) général of technologique (drie jaar) of naar een lyceum voor het volgen van een beroepsopleiding (twee jaar na la troisième – baccalauréat professionel). Er zijn drie richtingen van het driejarige lycée: lycée d’enseignement général (algemeen), een technische opleiding op het lycée d’enseignement technologique en een beroepsopleiding (vergelijkbaar met MBO/HBO) op het lycée d’enseignement professionel (LEP) of een CFA (Centre de formation d’apprentis). De eerste twee opleidingen geven toegang tot verder studeren op een universiteit. Voor welke variant van de bac men ook kiest, er zijn vakken die voor alle studenten verplicht zijn: Frans, wiskunde, natuurkunde, sport en ten minste één vreemde taal. Is le bac behaald (als het goed is op ongeveer achttienjarige leeftijd), dan kan de lycéen kiezen voor een vervolgopleiding bij een hogere beroepsopleiding, verder studeren aan een universiteit (meestal om een onderwijsfunctie te verkrijgen) of een van de prestigieuze grandes écoles bezoeken.
Namen en titels van de Franse onderwijsgevenden De onderwijzer/leraar van de basisschool heet een instituteur (institutrice); een schoolhoofd/directeur heet directeur (directrice). De meester in de klas wordt aangesproken met maître en de juf met maîtresse. De leraar op een collège of een lycée heet professeur; de directeur van een collège draagt de titel van directeur of principal en de directeur van een lycée heet proviseur of ook directeur. Een recteur is het hoofd van een universiteit en in die hoedanigheid ook hoofd van de onderwijsinspectie (académie), waarvan er 28 bestaan. Enkele jaren geleden is een begin gemaakt met de geleidelijke vervanging van de aloude maîtres d’internat en de surveillants d’externat door de assistants d’éducation. Deze toezichthouders hebben als taak het volgen van de leerlingen, het helpen bij het opzetten van nieuwe (communicatie)technieken, het begeleiden van gehandicapte leerlingen en het ontwikkelen van buitenschoolse activiteiten. De nieuwe assistenten worden vooral gerecruteerd uit het legertje beursstudenten. |
In Frankrijk is een kind tussen 6 en 16 jaar leerplichtig. Maar de peuter- en kleuterscholen (écoles maternelles) nemen al kinderen vanaf 2,5 jaar op. Het Franse schoolleven begint in de elfde klas; er wordt namelijk teruggeteld tot de eerste klas in het allerlaatste schooljaar (terminale). Het eerste jaar van de verplichte basisschool (école primaire) heet cours préparatoire (CP). De CP wordt nog gevolgd door 4 jaren: cours élémentaire I (CE 1), cours élémentaire 2 (CE 2), cours moyen (CM 1) en cours moyen 2 (CM 2).
Vervolgens gaan de kinderen vier jaar naar het collège, zeg de middelbare school, het secundaire onderwijs. In de klassen sixième (11-12 jaar) is het lesprogramma (cycle d’adaptation) voor iedereen gelijk: Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Duits of Engels, muziek en kunst. In de cinquième (12-13 jaar) en quatrième (13-14 jaar), le cycle central, leert men dezelfde vakken, uitgebreid met natuurkunde, en in de troisième (14-15 jaar) – de cycle d’orientation – kunnen de leerlingen vakken kiezen met het oog op de vervolgstudie: doorleren of naar het beroepsonderwijs. Na deze algemene vier jaar ontvangt men bij het behalen van voldoende cijfers le brevet. (De waarderingscijfers lopen van 1 tot 20; een 16 is op z’n Hollands dus een 8.) Ruim driekwart van de leerlingen haalt dat brevet.
Na het collège gaan de leerlingen naar een lycée voor het behalen van het baccalauréat (le bac) général of technologique (drie jaar) of naar een lyceum voor het volgen van een beroepsopleiding (twee jaar na la troisième – baccalauréat professionel). Er kan een vak worden geleerd op een min of meer vergelijkbaar niveau als het Nederlandse vmbo (het voor Fransen bekende CAP-certificat d’aptitude professionelle met zijn 200 specialismen) of nog één of twee jaar worden doorgegaan om een diploma voor een specialisme te behalen (de meer algemene BEP, brevet d’enseignement professionel met 50 specialismen). Ruim 60% slaagt voor een van de drie vormen van le bac. Na de BEP kan nog twee jaar verder worden geleerd voor de bac pro, le baccalauréat professionel. Er zijn drie richtingen van het driejarige lycée: lycée d’enseignement général (algemeen), een technische opleiding op het lycée d’enseignement technologique en een beroepsopleiding (vergelijkbaar met mbo/hbo) op het lycée d’enseignement professionel (LEP) of een CFA (Centre de formation d’apprentis). De eerste twee opleidingen geven toegang tot verder studeren op een universiteit. Voor welke variant van de bac men ook kiest, er zijn vakken die voor alle studenten verplicht zijn: Frans, wiskunde, natuurkunde, sport en ten minste één vreemde taal. Is le bac behaald (als het goed is op ongeveer achttienjarige leeftijd), dan kan de lycéen kiezen voor een vervolgopleiding bij een hogere beroepsopleiding, verder studeren aan een universiteit of een van de prestigieuze grandes écoles bezoeken (om bankdirecteur of minister of iets anders hoogs te kunnen worden).
Schoolverzekering meestal niet nodig In Frankrijk bestaan twee typen schoolverzekering: de gewone assurance scolaire, die verzekert tegen ongelukken tijdens bijzondere activiteiten zoals schoolreisjes of tijdens het vervoer naar en van school. De assurance scolaire et extra-scolaire verzekert het kind het gehele jaar door onder alle omstandigheden, ook tijdens de vakanties. Beide verzekeringen bieden garantie voor de ongelukken die het kind ondergaat of veroorzaakt. Bij het afsluiten van deze verzekeringen moet men wel eerst nagaan of dergelijke dekkingen niet al zijn geregeld in de WA-verzekering (Responsabilité Civile), die meestal in de opstalverzekering voor het huis (multirisques-habitation) is geregeld. Ook een rechtsbijstandsverzekering is meestal in deze polis opgenomen (assurance de protection juridique). Sommige scholen verlangen dat ouders die geen aanvullende verzekering hebben, om zich voor schooluitjes toch voor dat deel bij te verzekeren. Kinderen die het eindexamen (le bac) van het lyceum hebben gehaald en verder gaan studeren, zullen zich soms moeten laten inschrijven bij de Sécurité sociale étudiante. In de meeste gevallen blijven de studenten verzekerd op de carte vitale van de ouders, maar kinderen van ouders met vrije beroepen zullen zich moeten aanmelden. Als de studenten ouder dan 20 jaar zijn, zal er meestal een premie moeten worden betaald. Dit geldt niet voor beursstudenten. |
Print dit artikel
|
|
Nederlandse diploma's
Franse werkgevers nemen niet altijd genoegen met een kopie van Nederlandse diploma’s en/of cijferlijsten. Ook de hogere scholen en universiteiten hanteren soms moeizame procedures. De vakbekwaamheidseisen van de meeste beroepen rond gezondheidszorg (arts, verpleegkundige, apotheker) zijn wél Europees erkend. Zelfstandigen die aantoonbaar over vijf jaar ervaring beschikken, kunnen in Frankrijk aan het werk. Te denken valt aan aannemers/klusbedrijven en bemiddelaars zoals voor verzekeringen en huizen.
Het is voor veel andere beroepen nodig een door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen erkende instelling een 'diplomawaardering' te laten uitvoeren. Daarna is nog een legalisatie nodig door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de rechtbank in Den Haag. Voor een HBO- of universitair diploma moet dat bij het Nuffic. Deze instelling maakt van een Nederlands hogeronderwijsdiploma een Engelstalige diplomabeschrijving. Hierin wordt onder andere het equivalent gesuggereerd van de Nederlandse studie in Frankrijk. Het informatiecentrum voor hoger onderwijs, het Nationale Informatiecentrum Nederland, is onderdeel van de afdeling Diplomawaardering & Certificering van het Nuffic. Ook de Nederlandse ambassade in Parijs is behulpzaam bij het uitreiken van verklaringen als équivalence diplôme.
Het is mogelijk om een website van een informatiedienst te raadplegen waarop staat vermeld of een zogenaamd gereglementeerd Nederlands beroep (zoals artsen en advocaten) ook in Frankrijk wordt erkend: Ciep, Centre International d' études pédagogiques, 1, Avenue Léon Journault, 92310 Sèvres, tel. 1450760 00. Nuffic werkt samen met Colo in IDW, Internationale DiplomaWaardering. Op internet kan vrijwel alles worden geregeld met je diplomawaardering. Wie iets wil weten over het beroepsonderwijs in Frankrijk kan informatie ophalen bij het Nationale Referentie Punt Nederland. Dit bureau is bij het Colo ondergebracht. En dan is er nog de Informatie Beheer Groep (IBG) afdeling Diploma-erkenning en Legalisatie in Groningen, die zorgt voor het legaliseren van diploma’s met onderwijsbevoegdheid, het erkennen van handtekeningen op diploma’s enzovoort, waarna de gebruikelijke procedure moet worden gevolgd (rechtbank en/of ministerie). De IBG levert ook zogenaamde statusverklaringen voor 'oude' diploma’s zoals LBO, MAVO, HAVO, VWO, MULO en zelfs HBS. Wie naar Frankrijk vertrekt kan voor zijn diploma een zogenaamd apostillestempel krijgen bij de rechtbank Groningen als de papieren zijn gelegaliseerd door IBG. Je kunt bij spoed het stempel zelfs persoonlijk in Groningen komen afhalen.
Het Frans-Nederlands Netwerk voor Hoger Onderwijs en Onderzoek Het Frans-Nederlands Netwerk voor hoger onderwijs en onderzoek - FNN - is een organisatie die zich richt op samenwerking tussen Nederlandse en Franse kennisinstellingen. Het belangrijkste doel van het FNN is het versterken van de relaties en de samenwerking tussen de twee landen op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek, conform het Bolognaproces. Het FNN informeert en initieert, makelt en schakelt. Het FNN heeft een bureau in Utrecht en één in Lille. De site van FNN geeft de laatste ontwikkelingen in het hoger onderwijs en onderzoek in Frankrijk, onder meer door informatie over publicaties en bijeenkomsten. Ook vindt men op deze site interessante beursmogelijkheden en stageplaatsen in Frankrijk. Het FNN maakt zich ook sterk voor de verbetering van de positie van de Franse taal en cultuur in het Nederlandse onderwijs. |
Print dit artikel
|