|
|
Het Franse onderwijssysteem
Het Franse onderwijs is uitstekend. Ruim 7% van het bruto binnenlands product gaat naar het onderwijs, tegen nog geen 4,5% in Nederland. Maar deze cijfers verbergen de rijke verscheidenheid aan kosten bij de verschillende vormen van onderwijs. Zo zijn de uitgaven voor het basisonderwijs 13% lager dan het gemiddelde, terwijl die voor het middelbaar onderwijs 20% hoger uitvallen. De hoge gemiddelde kosten in Frankrijk komen vooral voort uit de lange onderwijstijden, het talrijke niet lesgevende schooolpersoneel en het kleinere aantal uren dat leerkrachten daadwerkelijk aan lesgeven besteden.
Eenmaal in Frankrijk moet men kinderen beneden de 11 jaar gewoon aanmelden via het gemeentehuis bij de school in de woonomgeving (école primaire); ze zullen daar tussen de Franse kindertjes komen te zitten. De schoolkeuze is met de carte scolaire nog niet geheel vrij, aangezien er een relatie bestaat tussen de woonplaats en de school o.a. in verband met het schoolbussysteem. De oudere kinderen moeten worden ingeschreven bij het rectoraat voor het vervolgonderwijs. Zowel bij de gemeente als bij de rector dient men te zorgen voor een geboorteakte van het kind (vertaald in het Frans), een inentingsbewijs, het laatste schoolrapport en een bewijs van vestiging (rekening EDF of telefoon.) De vaccinaties tegen difterie, tetanus en polio zijn verplicht om een kind op een school in te schrijven van de 'Education Nationale'.
In sommige delen op het platteland van Frankrijk heerst op de scholen soms nog een discipline die in de jaren vijftig ook in Nederland gemeengoed was. Maar dat schoolse gedrag verandert ook in Frankrijk in rap tempo. Van het bij niet-Fransen bestaande beeld dat discipline en tucht in het Franse onderwijs nog algemeen zijn, klopt niet veel meer. Leraren klagen over het afkalvende onderwijssysteem, waarbij naar een middelmatigheid wordt gestreefd onder het motto van gelijke kansen voor iedereen. Ook het verschijnsel dat onderwijzend personeel minder wordt gerespecteerd, is een bron van zorg. In Frankrijk gaat men nog niet zover dat leerkrachten worden getutoyeerd. Het aantal uitingen van geweld (belediging, fysiek geweld) tegen onderwijskrachten en ander schoolpersoneel neemt de laatste jaren toe, vooral op de collèges. Het Franse onderwijs, zo leert een enquête, heeft naast goede pedagogen ook leerkrachten nodig die orde kunnen houden en gezag uitstralen. Dat zou maatregel nummer één moeten zijn om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Op de tweede plaats komt het lesgeven en op de derde plaats de plicht van de scholen om leerlingen in moeilijkheden bij te staan. Naast de aandacht voor de basisvakken moet ook de opvoeding in burgerzin in ere worden hersteld en het respect van vroeger dagen worden teruggehaald. Geleerd moet worden waar de persoonlijke vrijheid ophoudt en de zorg voor anderen begint, een kwestie van normen en waarden. Het staande zingen van het volkslied de Marseillaise en het kennen van de Franse symbolen als driekleur en Marianne behoren weer gemeengoed te worden, vindt een meerderheid van het Franse volk.
De schooldagen zijn lang, maar tussen de middag wordt ruim gepauzeerd in la cantine. Tussen de middag krijgen de kinderen daar warm eten of eten zij thuis. Brood meenemen kent men niet.
De Franse senaat heeft een wet aanvaard, waarbij de cantines (warm eten op school) gezonder voedsel moeten presenteren. 'Echte' vis moet ten minste vier keer in de 20 dagen worden geserveerd en fruit, gekookte groente en rauwkost moeten om de dag op tafel komen. De cantines mogen niet meer dan vier keer in 20 dagen gefrituurd eten presenteren, vleeswaren of toetjes met te veel suiker. De Nederlandse kinderen zullen vertrouwd moeten raken met de Franse eetgewoonten. Levert dat problemen op, dan is het meegeven van boterhammen van thuis toch een tijdelijke oplossing.
Alle basisscholen in Frankrijk kennen vanaf september 2008 nog maar vier schooldagen: maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag. De zaterdag als gedeeltelijke schooldag is afgeschaft en het aantal lesuren is met gemiddeld twee uur per week verminderd tot 24, neerkomende op 864 uur per jaar tegen vroeger 936 uur. Onderwijskrachten blijven 26 uren maken en zullen de overgebleven twee uren moeten besteden aan het bijspijkeren van achterblijvertjes. Deze twee uren zullen over de vier schooldagen moeten worden verdeeld, viermaal een halfuur of tweemaal een uur. Inmiddels is dit vrijwel overal praktijk geworden. De schooltijden zijn van 8.30 tot 11.30 uur en van 13.30 tot 16.30 uur. De nieuwe minister van Onderwijs onder François Hollande heeft aangekondigd weer terug te willen naar de vijfdaagse schoolweek. De schooldagen zouden nu te lang en te zwaar zijn.
Sinds het schooljaar 2008/2009 is wat meer duidelijkheid gekomen over de nieuwe verplichte roosters voor het basisonderwijs. Voor de kleuterschool (maternelle) waren er niet veel veranderingen, hoewel er meer aandacht is gekomen voor het beginnen met eenvoudig lezen en voor de voorzichtige ontwikkeling van vaardigheden als spreken en het 'leren' leren. In de eerste klassen van de lagere school (CP-CE1 - cours préparatoire-cours élémentair) is het aantal uren dat les wordt gegeven wordt overal gelijk: in wiskunde (les maths, mathématiques) wordt dan vijf uur per week en in Frans tien uur. De kinderen leren hier optellen en aftrekken, maar delen komt later in CE2. Het kringgesprek van een halfuurtje vervalt, want daarin wordt al voorzien op de kleuterschool. De overige tien uren van de schoolweek gaan hier naar sport, handenarbeid e.d. en wereldverkenning. De scholen behouden een kleine vrijheid om het aantal uren per vak vast te stellen. Na deze twee jaren moet elke leerling al enige vaardigheid hebben in het beheersen van de moedertaal, het beginnen te spreken en lezen in een andere moderne taal en in de beginselen van wis- en natuurkunde, sociale omgang en zelfstandig werken. In cyclus 3 (CE2-CM1 - cours moyen - en CM2) zijn de schooltijden gelijk: 24 uur, verdeeld over acht uur voor Frans en vijf uur voor les maths. De overige elf uren gaan naar sport (drie uur), een moderne taal (1,5 uur), algemene wetenschap (twee uur) en overige vakken zoals aardrijkskunde,geschiedenis, kunstzinnige oefeningen, burgerlijke instructie en kunstgeschiedenis. De twee laatste vakken zijn nieuw in deze cyclus en gaan iets ten koste van het Frans. Moeilijke kwesties als de subjonctif en passé antérieur komen pas op het collège aan de orde, zo is besloten.
Er is een plan gelanceerd dat verder gaat dan eerdere voornemens: leerlingen moeten de opgedane kennis ook leren toepassen, moeten zich meer bewust worden van hun burgerschap en zullen moeten leren zelf initiatieven te nemen. Eerder al werden nieuwe eisen geformuleerd die de scholen verplicht moeten uitvoeren: beter les van de Franse taal, meer wiskunde en cultuur, beheersing van een vreemde taal en het kunnen omgaan met de nieuwe communicatietechnieken.
In het vak wiskunde scoren Nederlandse scholieren aanmerkelijk beter dan hun Franse lotgenoten. Bij het laatste driejaarlijkse onderzoek van de OESO naar de leerprestaties van scholieren van 15 jaar en ouder over de gehele wereld, is gebleken dat Nederland in het vak wiskunde op de vijfde plaats komt. Frankrijk komt niet verder een 13e plaats, iets boven het gemiddelde.
Over het algemeen zijn de klassen wat kleiner dan in Nederland. Het is, als daartoe geen dringende redenen zijn, af te raden de kinderen naar een internationale school te sturen. Door naar een gewone school te gaan, krijgen ze contact met Franse kinderen. De ervaring leert dat het taalprobleem in een halfjaar tot een jaar is opgelost, want kinderen leren een vreemde taal buitengewoon snel. Engels spreken de Fransen op het platteland vrijwel niet (en ook in de steden valt het tegen), dus daar komt men niet verder mee (wel natuurlijk op het collège.) Meer dan de helft (51%) van de Fransen spreekt alleen Frans (in de rest van Europa spreekt gemiddeld 47% van de bevolking alleen de landstaal.) De schooljeugd zou ten minste één levende taal goed moeten leren spreken en schrijven. Hoewel de meeste leerlingen nu Engels als tweede taal kiezen, blijkt in de praktijk dat 36% van de Fransen slechts de beginselen van het Engels begrijpt en beheerst. Na Engels is Duits met 8,7% de tweede vreemde taal die de Franse kinderen wensen te leren, gevolgd door Spaans (0,7%) Italiaans (0,1%) en overige talen (0,2%.) Het is dus echt een kwestie van pionieren in de kleinere plaatsen en hopen dat de onderwijzer(es) wat extra moeite wil doen voor de buitenlandse kinderen. Meestal doen ze dat ook; althans, dat is de ervaring die veel Nederlanders hebben. Nogal wat mensen zoeken in de buurt een landgenoot die Frans spreekt om hun kinderen enkele bijlessen Frans te geven. Wat rondvragen in de omgeving en je vindt snel genoeg iemand.
Over het algemeen vindt men de zomervakantie veel te lang en blijken de kinderen nogal wat opgedane kennis weer te zijn vergeten. Voorstanders van de handhaving van de lange zomervakantie (9 weken) menen dat de warmte in die zomerweken de schoolprestaties niet ten goede laat komen. Een meerderheid van de deelnemers is van mening dat een korte zomervakantie goed is voor leerlingen en leraren. De huidige herfst- en kerstvakantie zouden volgens de meeste ouders te kort zijn. Bezwaren tegen een verkorting van de zomervakantie is verder een verwacht groter verzuim doordat gezinnen van buitenlandse origine lange tochten maken naar het land van oorsprong om daar de vakantie met de familie door te brengen. Een groot aantal deelnemende ouders wenst dat vooral in het basisonderwijs het vele huiswerk wordt geïntegreerd in de schooltijd. Het wordt als belastend ervaren dat in gezinnen met werkende ouders 's avonds nog tijd moet worden vrijgemaakt om de kinderen met huiswerk van een uur of anderhalf uur te begeleiden. In het Franse systeem wordt de ouders gevraagd de kinderen bij te staan bij het maken van huiswerk. Twee jaar geleden werd in vrijwel alle scholen de vierdaagse schoolweek ingevoerd. Een meerderheid van de ouders is het wel eens met deze nieuwe organisatie, hoewel er ook veel kritiek is. Tegenstanders menen dat het ritme wordt verstoord door de onderbreking met een vrije woensdag. Anderen vinden zo'n vrije dag midden in de week juist bevorderlijk voor de rust. In de sociaal hogere klasse wordt het nieuwe systeem toegejuicht, er is tijd om de kinderen leuke dingen te laten doen, zoals sport, muziekbeoefening. In andere milieus blijken die voorzieningen niet te worden gebruikt en zitten de kinderen veel naar de televisie te kijken op hun vrije dag. Sommige leerkrachten zijn van mening dat de vierdaagse schoolweek voor hen te zwaar is en dat zij onvoldoende gelegenheid hebben om hun taken volledig uit te voeren. Gevolg: de kinderen zullen thuis meer moeten werken....
Er wordt nog steeds veel werk gemaakt van wedstrijden, competitie, 'wie is de beste?' etc. Leerkrachten stellen er een eer in om de beste scholieren te laten doorstromen naar de prestigieuze grandes écoles, waaruit de toekomstige Franse elite wordt gerecruteerd. Ook het ministerie van Onderwijs wil dat meer leerlingen die het lycée verlaten, terecht komen in de zogenaamde classes préparatoires. De beste leerlingen kunnen daar worden voorbereid op de prestigieuze opleidingen, die veelal nog worden bezocht door de briljante kinderen van de hogere bourgeoisie. Het minsterie wil dat meer leerlingen uit de sociaal zwakkere milieus in deze voorbereidende klassen terecht komen.
Er wordt veel uit het hoofd geleerd en individueel gewerkt. Sport, groepsgesprekken, muziek, museumbezoek – het is er allemaal wel, maar op kleine schaal. Het Franse onderwijssysteem, in Nederlandse ogen tamelijk klassiek van opzet, sterk gericht op regel- en stampwerk en met veel huiswerk, moet de komende jaren van karakter veranderen, zo meent de overheid. De regering van Sarkozy heeft haar zorgen uitgesproken over het matige beheersen van de basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Te veel kinderen die de basisschool verlaten kunnen onvoldoende lezen, schrijven of (hoofd)rekenen. Eind 2008 legden leraren van het collectief Sauvez les lettres een dictee uit 1976 voor aan een groep van 1348 scholieren van 15 jaar. Slechts 14% haalde een voldoende. Bij een identieke test in 2000 was dat nog 30%. Het is de wens van het staatshoofd dat de Franse kinderen foutloos spellen en schrijven. Een betere pedagogische aanpak en een minder star en overbelast onderwijsprogramma zouden de leerprestaties van de Franse kindertjes ten goede komen.
Op het platteland en in kleine plaatsen gaan de meeste kinderen per schoolbus (le car de ramassage) naar school. Vaak om half acht 's morgens klaar staan en om half zeven 's avonds weer thuisgebracht, eten en om negen uur nog huiswerk maken. Ook in Frankrijk is gezorgd voor kinderopvang voor werkende ouders. Franse gezinnen kiezen het meest voor de oppasdienst buitenshuis. De kinderen gaan dan naar de assistante maternelle, de nourrice ('nounou'). Deze gediplomeerde is een assistante maternelle, die bij haar thuis maximaal drie 3 kinderen mag ontvangen. De particuliere crèche komt op de tweede plaats en dan is er nog de kleuterschool waar de kleintjes kunnen worden ondergebracht. Ook zijn er de peuters die de zorg krijgen van opa en oma of van een ander familie- of gezinslid. Dan zijn er nog de gemeentelijke crèches, de jardins d’enfants voor kortdurende opvang en de oppas die aan huis komt, de garde d’enfant à domicile. De crèches zijn er als crèche collective (baby's en peuters), crèche parentale, (door ouders opgezet met met een verplichte gediplomeerde), halte-garderie (door de gemeente voor het onderbrengen van enkele uren, maximaal vijf halve dagen per week).
Het Franse schoolsysteem – waar net als in Nederland vaak hervormingen plaatsvinden – is op het eerste gezicht ook tamelijk ingewikkeld. Onderwijs is helemaal een overheidstaak: de staat legt de onderwijsprogramma’s vast en benoemt de leerkrachten. Er zijn 15 miljoen scholieren en studenten in Frankrijk, van wie er 2 miljoen hoger onderwijs volgen. Men kent drie categorieën in het 'lager onderwijs': openbare scholen (école publique) en twee vormen van particulier onderwijs (école privée sous contrat en école privée hors contrat). De jaarlijkse kosten (vooral bijdragen aan het eten in la cantine) voor een gezin met twee schoolgaande kinderen zijn gemiddeld respectievelijk € 1500, € 2700 en € 12.000. Ongeveer 80% van de leerlingen volgt het openbaar, gratis onderwijs, maar de belangstelling voor de privé-scholen (lees: katholieke scholen) neemt jaarlijks toe. Ouders hebben het idee dat hun kinderen op dergelijke scholen een betere opleiding genieten en onderzoeken wijzen uit dat dit inderdaad het geval is.
Daarom proberen tal van ouders hun kinderen naar dergelijke, meestal verderaf gelegen scholen te sturen, maar de Franse wet verbiedt dit nog via het systeem van werken met de zgn. carte scolaire, dat leerlingen verplicht in hun eigen woongebied naar bijvoorbeeld een collège te gaan. Voor een lycée bestaat een vrije keuze. De gedachte van de carte scolaire is dat een school een afspiegeling moet zijn van het gebied waaruit de leerlingen afkomstig zijn. Maar sommige wijken of steden zijn verpauperd, waardoor ouders zich genoodzaakt voelen om listen en trucs te verzinnen om hun kroost elders op een school te krijgen. Naar schatting 30% van de schoolkinderen, vaak uit de grote steden, is 'gevlucht'. Het is het plan van de huidige regering om de carte scolaire maar geheel af te schaffen, maar voorlopig is gekozen voor een versoepeling. De maatregel geldt voor collèges die voldoende plaatsen hebben. Leerlingen die voorrang hebben zijn onder anderen gehandicapten, kinderen die op een andere school dichter bij huis wonen, kinderen die al een broer of zus op de andere school hebben of leerlingen die een bijzondere vorm van onderwijs moeten krijgen.
Namen en titels van de Franse onderwijsgevenden De onderwijzer/leraar van de basisschool heet een instituteur (institutrice); een schoolhoofd/directeur heet directeur (directrice). De meester in de klas wordt aangesproken met maître en de juf met maîtresse. De leraar op een collège of een lycée heet professeur; de directeur van een collège draagt de titel van directeur of principal en de directeur van een lycée heet proviseur of ook directeur. Een recteur is het hoofd van een universiteit en in die hoedanigheid ook hoofd van de onderwijsinspectie (académie), waarvan er 28 bestaan. Enkele jaren geleden is een begin gemaakt met de geleidelijke vervanging van de aloude maîtres d’internat en de surveillants d’externat door de assistants d’éducation. Deze toezichthouders hebben als taak het volgen van de leerlingen, het helpen bij het opzetten van nieuwe (communicatie)technieken, het begeleiden van gehandicapte leerlingen en het ontwikkelen van buitenschoolse activiteiten. De nieuwe assistenten worden vooral gerecruteerd uit het legertje beursstudenten. |
In Frankrijk is een kind tussen 6 en 16 jaar leerplichtig. Maar de peuter- en kleuterscholen (écoles maternelles) nemen al kinderen vanaf 2,5 jaar op. De kleuterschool (gratis) is in drie secties verdeeld: petite section tot vier jaar, daarna moyenne section tot vijf jaar en vervolgens grande section tot zes jaar. De gemiddelde klassengrootte is 26 kinderen. In de eerste twee secties wordt veel gespeeld, geplakt en geknipt, maar in de laatste wordt tevens de basis gelegd voor het leren lezen en het tot tien tellen.
Het Franse schoolleven begint in de elfde klas; er wordt namelijk teruggeteld tot de eerste klas in het allerlaatste schooljaar (terminale). Het eerste jaar van de verplichte basisschool (école élémentaire, vaak nog steeds primaire genoemd) heet cours préparatoire (CP). De CP, 6-7-jarigen, in Nederland groep 3, wordt nog gevolgd door 4 jaren: cours élémentaire I (CE 1), cours élémentaire 2 (CE 2), cours moyen (CM 1) en cours moyen 2 (CM 2, 10-11-jarigen, in Nederland groep 7). De afgelopen jaren is het aantal kinderen per klas gedaald tot gemiddeld 23 leerlingen. De basisvakken zijn hier Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappijleer, rekenen en wat wiskunde. Uiteraard is er gymnastiek en wat handenarbeid en tekenen.
Vervolgens gaan de kinderen, als ze ten minste goed kunnen lezen en schrijven, vier jaar naar het collège, zeg de middelbare school, het secundaire onderwijs. In de klassen sixième (11-12 jaar) is het lesprogramma (cycle d’adaptation) voor iedereen gelijk: Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Duits of Engels, muziek en kunst. In de cinquième (12-13 jaar) en quatrième (13-14 jaar), le cycle central, leert men dezelfde vakken, uitgebreid met natuurkunde, en in de troisième (14-15 jaar) – de cycle d’orientation – kunnen de leerlingen vakken kiezen met het oog op de vervolgstudie: doorleren of naar het beroepsonderwijs. Na deze algemene vier jaar ontvangt men bij het behalen van voldoende cijfers le brevet, het Brevet des Collèges (De waarderingscijfers lopen van 1 tot 20; een 16 is op z’n Hollands dus een 8.) Ruim driekwart van de leerlingen haalt dat brevet.
Er kan een vak worden geleerd op een min of meer vergelijkbaar niveau als het Nederlandse VMBO (het voor Fransen bekende Cap-certificat d’aptitude professionelle met zijn 200 specialismen) of nog één of twee jaar worden doorgegaan om een diploma voor een specialisme te behalen (de meer algemene BEP, brevet d’enseignement professionel met 50 specialismen.) Ruim 60% slaagt voor een van de drie vormen van le bac. Na de BEP kan nog twee jaar verder worden geleerd voor de bac pro, le baccalauréat professionel.
Na het collège gaan de leerlingen naar een lycée voor het behalen van het baccalauréat (le bac) général of technologique (drie jaar) of naar een lyceum voor het volgen van een beroepsopleiding (twee jaar na la troisième – baccalauréat professionel). De eerste klas van een lycée wordt la seconde genoemd, het tweede jaar la première en het laatste, derde jaar, la terminale. Er kan een vak worden geleerd op een min of meer vergelijkbaar niveau als het Nederlandse vmbo (het voor Fransen bekende CAP-certificat d’aptitude professionelle met zijn 200 specialismen) of nog één of twee jaar worden doorgegaan om een diploma voor een specialisme te behalen (de meer algemene BEP, brevet d’enseignement professionel met 50 specialismen). Ruim 60% slaagt voor een van de drie vormen van le bac. Na de BEP kan nog twee jaar verder worden geleerd voor de bac pro, le baccalauréat professionel. Er zijn drie richtingen van het driejarige lycée: lycée d’enseignement général (algemeen), een technische opleiding op het lycée d’enseignement technologique en een beroepsopleiding (vergelijkbaar met mbo/hbo) op het lycée d’enseignement professionel (LEP) of een CFA (Centre de formation d’apprentis). De eerste twee opleidingen geven toegang tot verder studeren op een universiteit. Voor welke variant van de bac men ook kiest, er zijn vakken die voor alle studenten verplicht zijn: Frans, wiskunde, natuurkunde, sport en ten minste één vreemde taal. Is le bac behaald (als het goed is op ongeveer achttienjarige leeftijd), dan kan de lycéen kiezen voor een vervolgopleiding bij een hogere beroepsopleiding, verder studeren aan een universiteit of een van de prestigieuze grandes écoles bezoeken (om bankdirecteur of minister of iets anders hoogs te kunnen worden.)
Grandes écoles om technische vakken te leren zijn onder meer Polytechnique en Mines. Het is niet eenvoudig om op deze hogescholen terecht te komen, er zijn hoge toelatingseisen met het Franse competitiesysteem van de concours. Ook is er de elite-opleiding van de ENA (Ecole nationale d'Administration) waar studenten tot hoge bestuursfuncties worden opgeleid en vaak in de politiek terechtkomen en van daaruit naar leidende posten in de grote ondernemingen. Dergelijke figuren worden énarques genoemd. Om te kunnen meedoen met deze concours kunnen kinderen uit minder kansrijke gezinnen op het lycée deelnemen aan de classe préparatoire ('prépa') die voorbereidt tot de zware concoursen. Een licence ontvangt men na drie jaar universitaire studie, en met nog een jaar erbij gaat men voor het 'doctoraal', de maîtrise.
Schoolverzekering meestal niet nodig In Frankrijk bestaan twee typen schoolverzekering: de gewone assurance scolaire, die verzekert tegen ongelukken tijdens bijzondere activiteiten zoals schoolreisjes of tijdens het vervoer naar en van school. In tegenstelling tot de algemene opvatting zijn deze verzekeringen niet verplicht (premie vanaf € 8 per jaar.) De assurance scolaire et extra-scolaire verzekert het kind het gehele jaar door onder alle omstandigheden, ook tijdens de vakanties (premie van € 16 per jaar.) Beide verzekeringen bieden garantie voor de ongelukken die het kind ondergaat of veroorzaakt. Bij het afsluiten van deze verzekeringen moet men wel eerst nagaan of dergelijke dekkingen niet al zijn geregeld in de WA-verzekering (Responsabilité Civile), die meestal in de opstalverzekering voor het huis (multirisques-habitation) is geregeld. Ook een rechtsbijstandsverzekering is meestal in deze polis opgenomen (assurance de protection juridique.) Sommige scholen verlangen dat ouders die geen aanvullende verzekering hebben, om zich voor schooluitjes toch voor dat deel bij te verzekeren. Kinderen die het eindexamen (le bac) van het lyceum hebben gehaald en verder gaan studeren, zullen zich soms moeten laten inschrijven bij de Sécurité sociale étudiante. In de meeste gevallen blijven de studenten verzekerd op de carte vitale van de ouders, maar kinderen van ouders met vrije beroepen zullen zich moeten aanmelden. Als de studenten ouder dan 20 jaar zijn, zal er meestal een premie moeten worden betaald. Dit geldt niet voor beursstudenten. Ook is er nog een 'schoolverzekering' voor studenten, de assurance étudiant, die de student ook verzekert tijdens vakantiebaantjes of stageperiodes (premie vanaf € 25 per jaar.)
|
Print dit artikel
De Fransen gaan nog steeds massaal in de maand augustus met vakantie. Hoewel de overheid aan vakantiespreiding wil doen, blijven de meeste Fransen toch in juli/augustus vakantie vieren. Ook maken de Fransen er een sport van om tussendoor vrije dagen aaneen te sluiten, het beroemde faire le pont.
Franse schoolkinderen hebben vijf vakanties per jaar: twee weken in februari, twee weken in april, de zomermaanden juli en augustus, een week voor Allerheiligen en twee weken kerstvakantie.
Voor wat betreft de schoolvakanties doet Frankrijk aan spreiding. Het land is daartoe in drie zones verdeeld:
zone A (groen) omvat de scholen in de regio's van Caen, Clermont-Ferrand, Grenoble, Lyon, Montpellier, Nancy-Metz, Nantes, Rennes en Toulouse;
zone B (blauw) omvat de scholen in de regio's van Aix-Marseille, Amiens, Besançon, Dijon, Lille, Limoges, Nice, Orléans-Tours, Poitiers, Reims, Rouen en Straatsburg;
zone C (grijs) omvat de scholen in de regio's van Bordeaux, Créteil, Parijs en Versailles.
2011 - 2012
La Rentrée
5 september
Toussaint van 22 oktober tot 3 november voor zone alle zones
Kerst
van 17 december tot 3 januari 2011 voor alle zones
Winter
van 11 februari tot 27 februari voor zone A van 25 februari tot 12 maart voor zone B van 18 februari tot 5 maart voor zone C
Voorjaar
van 7 april tot 23 april voor zone A van 21 april tot 7 mei voor zone B van 14 april tot 30 april voor zone C
Grote vakantie
van 5 juli en duurt tot 4 september voor alle zones
Toussaint
van 22 oktober tot 3 november voor zone alle zones
Op de website van het ministerie van onderwijs zijn ook de schoolvakanties voor de komende jaren te raadplegen.
Print dit artikel
Nederlandse diploma's
Franse werkgevers nemen niet altijd genoegen met een kopie van Nederlandse diploma’s en/of cijferlijsten. Ook de hogere scholen en universiteiten hanteren soms moeizame procedures. De vakbekwaamheidseisen van de meeste beroepen rond gezondheidszorg (arts, verpleegkundige, apotheker) zijn wél Europees erkend. Zelfstandigen die aantoonbaar over vijf jaar ervaring beschikken, kunnen in Frankrijk aan het werk. Te denken valt aan aannemers/klusbedrijven en bemiddelaars zoals voor verzekeringen en huizen.
Het is voor veel andere beroepen nodig een door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen erkende instelling een 'diplomawaardering' te laten uitvoeren. Daarna is nog een legalisatie nodig door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de rechtbank in Den Haag. Voor een HBO- of universitair diploma moet dat bij het Nuffic. Deze instelling maakt van een Nederlands hogeronderwijsdiploma een Engelstalige diplomabeschrijving. Hierin wordt onder andere het equivalent gesuggereerd van de Nederlandse studie in Frankrijk. Het informatiecentrum voor hoger onderwijs, het Nationale Informatiecentrum Nederland, is onderdeel van de afdeling Diplomawaardering & Certificering van het Nuffic. Ook de Nederlandse ambassade in Parijs is behulpzaam bij het uitreiken van verklaringen als équivalence diplôme.
Het is mogelijk om een website van een informatiedienst te raadplegen waarop staat vermeld of een zogenaamd gereglementeerd Nederlands beroep (zoals artsen en advocaten) ook in Frankrijk wordt erkend: Ciep, Centre International d' études pédagogiques, 1, Avenue Léon Journault, 92310 Sèvres, tel. 1450760 00. Daarnaast is ook werkzaam voor diplomavergelijkingen Enic-Naric in Frankrijk. Nuffic werkt samen met Colo in IDW, Internationale DiplomaWaardering. Op internet kan vrijwel alles worden geregeld met je diplomawaardering. Wie iets wil weten over het beroepsonderwijs in Frankrijk kan informatie ophalen bij het Nationale Referentie Punt Nederland. Dit bureau is bij het Colo ondergebracht. En dan is er nog de Informatie Beheer Groep (IBG) afdeling Diploma-erkenning en Legalisatie in Groningen, die zorgt voor het legaliseren van diploma’s met onderwijsbevoegdheid, het erkennen van handtekeningen op diploma’s enzovoort, waarna de gebruikelijke procedure moet worden gevolgd (rechtbank en/of ministerie). De IBG levert ook zogenaamde statusverklaringen voor 'oude' diploma’s zoals LBO, MAVO, HAVO, VWO, MULO en zelfs HBS. Wie naar Frankrijk vertrekt kan voor zijn diploma een zogenaamd apostillestempel krijgen bij de rechtbank Groningen als de papieren zijn gelegaliseerd door IBG. Je kunt bij spoed het stempel zelfs persoonlijk in Groningen komen afhalen.
Het Frans-Nederlands Netwerk voor Hoger Onderwijs en Onderzoek Het Frans-Nederlands Netwerk voor hoger onderwijs en onderzoek - FNN - is een organisatie die zich richt op samenwerking tussen Nederlandse en Franse kennisinstellingen. Het belangrijkste doel van het FNN is het versterken van de relaties en de samenwerking tussen de twee landen op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek, conform het Bolognaproces. Het FNN informeert en initieert, makelt en schakelt. Het FNN heeft een bureau in Utrecht en één in Lille.
|
Print dit artikel
Frans leren of schoolfrans ophalen
Het zelf vertalen van officiële stukken wordt zeker niet aangeraden, maar het ophalen van het schoolfrans of beginnen met Frans is absoluut noodzakelijk. Niettemin zijn er nog tal van Nederlanders die permanent in Frankrijk wonen en zich nauwelijks verstaanbaar kunnen maken.
Nederlanders die overwegen naar Frankrijk te gaan om daar ook met de Fransen te vertoeven, kunnen in Nederland onder meer terecht bij de Alliance Française, die in het hele land cursussen verzorgt. Ook bij het instituut Maison Descartes worden cursussen gegeven. Voor het meer eenvoudige huis-, tuin- en keukenfrans zijn op internet tal van speelse cursussen te vinden, even googler.
Wie beroepshalve in Frankrijk wat wil gaan betekenen, dient over een goede beheersing van de Franse taal te beschikken en zal een gedegen opleiding dienen te volgen. De Alliance Française des Pays-Bas verzorgt in Nederland de examens Bilan I en Bilan II. Deze examens worden in Nederland gemaakt en afgenomen in maart in de meerste cursusplaatsen. De zwaardere diploma’s van AF zijn CEFP I en CEFP II (niveau resp. A2 en B1), Diplôme de Langue (B2) en Diplôme supérieur (C1). In 130 landen heeft de Franse overheid mogelijkheden geschapen om Frans te leren en diploma’s te halen die nodig zijn om in Frankrijk activiteiten te ontwikkelen. Er zijn drie types te onderscheiden van pittige tot zware opleidingen: le Diplôme d’Etudes en Langue Française (DELF A1, A2 en DELF B1 en B2) en de wat moeilijker Diplôme Approfondi de Langue Française (DALF C1 en C2). In Nederland zijn deze diploma’s te behalen door examen te doen bij de Alliance Française in Den Haag. Daar, maar ook bij het Talencentrum van de universiteit in Leiden, zijn de cursussen te volgen. Dat kan overigens ook in Frankrijk zelf bij de examencentra, die in de grotere plaatsen over het gehele land zijn verspreid. Een lijst van deze centra is op internet te vinden. Het is mogelijk om een deel van de opleiding in Den Haag te volgen en de cursus af te maken en examen te doen in Frankrijk. De DELF/DALF-diploma’s zijn de enige erkende in Frankrijk en kunnen nodig zijn bij het beoefenen van bepaalde beroepen. Franse informatie hierover op de website van de Ciep.
|
Nederlands leren in Frankrijk In Frankrijk is het mogelijk om Nederlands te leren op een Nederlandse school. De scholen vallen onder de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB). Het zijn NTC locaties voor primair of voortgezet onderwijs. Dit is aanvullend onderwijs in de Nederlandse taal –en cultuur. Het onderwijs wordt gegeven aan kinderen van 4 tot 14 jaar. De leerlingen verschillen in de mate waarin ze het Nederlands beheersen. Daarmee verschillen ook de doelen per kind. Zo kunnen ze Frans als thuistaal hebben (dan is het hoofddoel communiceren met de familie in Nederland) of de leerlingen hebben Nederlands als thuistaal (Dan is het hoofddoel het Nederlands zo te leren dat ze kunnen terugkeren naar Nederland of daar kunnen gaan studeren).
Alle kinderen volgen hun dagopleiding op de Franse of internationale school. Enkele scholen in Frankrijk zijn: De Watertoren in Saussan (Languedoc Roussillon), de Gouden Klomp (Côte d’Azur). Meer informatie is te vinden op de websites van de scholen en op de website van het NOB.
|
Print dit artikel
|

het weer in Frankrijk
30 mei 2012
Uit de fora:
'Het collège blijft vier jaar een middenschool, waar kinderen van alle niveaus samen zitten. Ik heb gezien dat er van een tweede klas (cinquième) zomaar een derde uitviel, bleef zitten of van school ging. 'Ach ja, jongens' ... was een beetje de tendens. Alsof dat een bij voorbaat al tot mislukking gedoemde groep is. Mijn indruk is dat het onderwijs tamelijk 'ouderwets' is, in die zin dat het een beetje eenheidsworst is. Val je binnen de normen, dan is dat geen enkel punt. Wijk je af, omdat je wat drukker bent, wat meer moeite hebt, meer technisch dan theoretisch ingesteld bent, dan is de tolerantie daarvoor niet erg groot. Nog een aspect van het 'ouderwets' - de leraren zijn tamelijk streng en wensen vooral niet tegengesproken worden. Voor mijn Nederlandse meiden was dat even wennen. Hun assertiviteit werd al snel als brutaliteit opgevat. Belangrijk om dat uit te leggen.'
|