|
|
Nieuws
|
De Fransen en hun taalbeleving

Nog heel wat Fransen blijken eigenlijk niet te kunnen lezen of schrijven. Daarom onthulde minister Luc Chatel van Onderwijs tijdens de Salon van het Boek een plan aan om deze toenemende ongeletterdheid het hoofd te bieden. 21% van de jeugd tot 17 jaar heeft problemen met lezen en 9% van de 18- tot 25-jarigen moet tot de analfbeten worden gerekend.
Het is daarom nodig om al vanaf de kleuterschool te beginnen om de woordenschat proberen te vergroten via een methodische aanpak. De verschillen in woorden'schat', aanwezig bij deze jonge kinderen variëren van nauwelijks 150 tot 700. De eerste groep blijft daarbij problemen houden met het leren lezen en schrijven, de andere groep ondervindt daarbij niet zo veel problemen. Een ander middel om de woordenschat en taalgevoeld te vergroten is het uit het hoofd leren van teksten en liedjes, die het geheugen stimuleren en de kinderen al vroeg in contact brengen met mooie teksten van de Franse literatuur, zo denkt de minister. Vanaf het komende schooljaar, de Rentrée in september, zal elke schooldirecteur een leerkracht moeten aanstellen die speciaal wordt belast met het voorkomen van analfabetisme.
De Franse die wel kunnen lezen en schrijven, willen soms het Frans behoeden voor vreemde insluipsels zoals het Engels in de omgang met computer en internet. Dit jaar is de 40e verjaardag gevierd van de Francophonie en bij de afsluiting daarvan zijn de prijzen uitgereikt van het eerste concours Francomot. De wedstrijd werd ingesteld om vooral de jeugdige Fransen meer van hun moedertaal te laten houden. De organisatoren van het concours menen dat er nog steeds te veel anglicismen binnensluipen en willen voortgaan met de zoektocht naar hanteerbare Franse equivalenten. Tien jaar geleden spraken de jonge Fransen van een walkman en van software. Met succes zijn deze twee woorden vervangen door balladeur en logiciel.
Het kan dus wel, het zoeken van bruikbare Franse plaatsvervangers. Het Frans is met het Engels de taal die in alle vijf continenten wordt gesproken, het is de tweede vreemde taal die het meest wordt onderwezen in de wereld. In 70 staten met hun 800 miljoen inwoners is het Frans een taal die nog leeft.
Bij de francofone viering werd onder studenten van universiteiten en van de grandes écoles een wedstrijd uitgeschreven om goede vervangers te vinden voor vijf nieuwe, veel gebruikte anglicismen. Een jury heeft de beste ervan uitgekozen, om voortaan te worden gebruikt in het dagelijkse spraak- en schrijfgebruik. Het eerste woord is tuning (het oppimpen van tweedehands auto's). De officiële vertaling is personnalisation of accord. Alternatieven van de deelnemers: autodéco, automotif, autostyle, persauto, persoptimisation of revoiturage. Winnaar hier werd een student journalistiek uit Lyon met het woord bolidage. Het tweede wordt was chat, officieel dialogue. De kandidaten vonden uit claverbiage, convel (afkorting van conversation électronique), cybercommérage, papotage, toilogue. Ex aequo waren er hier twee winnende varianten uit Bordeaux met éblabla en tchatche. Buzz was het derde woord waarvoor iets anders moest worden verzonnen. Bourdonnement is het officiële Franse woord. Aangedragen alternatieven: actuphène, bruip, cancan, écho, échoweb, foin, ibang, potins of réseaunance. De jury vond barouf erg mooi, maar winnaar werd het woord ramdam. De officiële vertaling van newsletter is lettre d'information. De kandidaten kwamen met niouzlettre, plinfo, inforiel, jourriel of journiel. Het werd uiteindelijk infolettre, afkomstig van een student Europese Studies. Talk was het vijfde woord, volgens de terminologiecommissie émission-débat. De studenten bedachten hiervoor causerie, parlage, parlotte, discut’, échapar, débadidé, débatel, débafusion. Een ingenieur in opleiding bedacht gewoon débat en won daarmee ook een prijs.
|
Ook problemen met rekenen

Wetenschappelijke onderzoekers hebben bij een studie onder ruim 10.000 Fransen geconstateerd dat dyscalculie onder volwassenen steeds meer voorkomt. Ongeveer twee miljoen volwassen Fransen hebben ernstige problemen bij het maken van berekeningen. Bij kinderen komt de ziekte, zoals deze wordt genoemd door de onderzoekers, veel minder voor omdat zij op school nog les krijgen in rekenen.
Als volwassenen wordt gevraagd wat het temperatuurverschil is tussen -5º en 15º, antwoordt 20% 10º. Het lezen van het getal 200.037 levert bij eenderde het antwoord 'tweeduizend zevenendertig' op. Het niet (meer) kunnen optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen heeft minder gevolgen op het dagelijks leven dan de aandoening dyslexie (moeilijkheden bij het leren van een taal). Het zelf kunnen rekenen is nauwelijks nog noodzakelijk in het dagelijks leven dankzij de rekenmachine en de computer. Een fors aantal volwassenen omzeilt het probleem van het niet kunnen rekenen.
De studie wijst verder uit dat vrouwen meer moeite hebben (4,31%) bij het rekenen dan mannen (3,13%). Het verschil zou te verklaren zijn door de andersoortige werkzaamheden die vrouwen verrichten, waarbij minder behoeft te worden gerekend. 8,7% van de personen tussen 18 en 65 jaar die na de basisschool niet verder hebben geleerd, kunnen eigenlijk niet rekenen. Dat percentage daalt tot 4 bij mensen die middelbaar onderwijs hebben genoten (collège en lycée) en tot 0,5 bij personen die hoog zijn opgeleid. Dyscalculie zou zijn oorsprong vinden in genetische afwijkingen of in geboorteafwijkingen van sommige delen van de hersenen. Zij gaat vaak, maar niet altijd, gepaard met dyslexie.
|
Twee miljoen Fransen hebben problemen met rekenen

Wetenschappelijke onderzoekers hebben bij een studie onder ruim 10.000 Fransen geconstateerd dat dyscalculie onder volwassenen steeds meer voorkomt. Ongeveer twee miljoen volwassen Fransen hebben ernstige problemen bij het maken van berekeningen. Bij kinderen komt de ziekte, zoals deze wordt genoemd door de onderzoekers, veel minder voor omdat zij op school nog les krijgen in rekenen.
Als volwassenen wordt gevraagd wat het temperatuurverschil is tussen -5 Cº en 15 Cº, antwoordt 20% 10 Cº. Het lezen van het getal 200.037 levert bij eenderde het antwoord 'tweeduizend zevenendertig' op. Het niet (meer) kunnen optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen heeft minder gevolgen op het dagelijks leven dan de aandoening dyslexie (moeilijkheden bij het leren van een taal). Het zelf kunnen rekenen is nauwelijks nog noodzakelijk in het dagelijks leven dankzij de rekenmachine en de computer. Een fors aantal volwassenen omzeilt het probleem van het niet kunnen rekenen.
De studie wijst verder uit dat vrouwen meer moeite hebben (4,31%) bij het rekenen dan mannen (3,13%). Het verschil zou te verklaren zijn door de andersoortige werkzaamheden die vrouwen verrichten, waarbij minder behoeft te worden gerekend. 8,7% van de personen tussen 18 en 65 jaar die na de basisschool niet verder hebben geleerd, kunnen eigenlijk niet rekenen. Dat percentage daalt tot 4 bij mensen die middelbaar onderwijs hebben genoten (collège en lycée) en tot 0,5 bij personen die hoog zijn opgeleid. Dyscalculie zou zijn oorsprong vinden in genetische afwijkingen of in geboorteafwijkingen van sommige delen van de hersenen. Zij gaat vaak, maar niet altijd, gepaard met dyslexie.
|
'Vierdaagse schoolweek slecht voor de gezondheid'

Ouders en leerkrachten wisselen van gedachten over een door de Académie de médecine uitgebracht rapport waaruit blijkt dat de vierdaagse schoolweek, ingevoerd in september 2008, schadelijk is voor de gezondheid van de kinderen. Hun biologische ritme zou worden verstoord, zowel per dag, per week of zelfs per jaar. In de eerste twee dagen van de schoolweek is de leerling nog uit balans na het ritme onderbrekende weekeinde. Voorgesteld is de schoolweek weer terug te brengen tot 4,5 dag of zelfs 5 dagen.
Het volgen van de lessen, volgepropt in vier dagen, plus nog de extra lessen voor zwakke leerlingen, vormen een te zware belasting. De Academie stelt voor om het aantal lesuren per dag tot maximaal vijf te beperken en het rooster anders in te delen. Gedacht zou nog kunnen worden aan een schooldag van zes uren, waarin dan een uur huiswerk is begrepen. Daarom is het nuttig om de woensdagmorgen weer in te voeren als schoolochtend.
Men vindt ook dat er meer aandacht moet zijn voor de momenten van de dag waarop de leerlingen het meeste van de leerstof opnemen: tussen 10 en 11 uur 's morgen en 's middags tussen 3 en 4 uur. Dat zijn op de meeste scholen de tijdstippen van de récré, het speeluurtje. Hoe dan ook, een schoolweek van vier lange dagen put vooral de kinderen van het basisonderwijs te veel uit. Frankrijk is het enige land in Europa dat een schoolweek van vier dagen kent. Een Frans kind leert per dag twee uur langer dan een Zweeds kind in het basisonderwijs. Daar komen soms voor de wat achterblijvende leerlingen nog twee uren bij.
De hervorming van 2008 is genomen in samenspraak met alle geledingen en leek de ouders wel goed uit te komen, zoals het doorbrengen van een geheel weekend met de kinderen. Tot september 2008 werd op een aantal scholen nog op zaterdagmorgen les gegeven. Maar nu zou blijken dat de vierdaagse week schadelijk is voor de prestaties en het welbevinden van de kinderen, zou nieuw overleg met het ministerie van Onderwijs nodig zijn. Het weer naar school gaan op zaterdag lijkt uitgesloten, een decreet verbiedt dat, maar herinvoering van de woensdagmorgen zou bespreekbaar moeten zijn. Op sommige scholen is die woensdagmorgen overigens gehandhaafd gebleven. De Franse overheid is geen tegenstander van een schoolweek van 9 halve dagen, dus inclusief de woensdagmorgen.
De Academie meent verder dat het goed zou zijn om het schooljaar langer te laten duren, 180 à 200 kortere dagen per jaar in plaats van de 144 dagen nu in het primaire onderwijs. De zomervakantie duurt te lang in Frankrijk. Een mooi ritme zou zijn: zeven weken naar school, twee weken vakantie.
Beter eten in de cantine De Franse senaat heeft een wet aanvaard, waarbij de cantines (warm eten op school) gezonder voedsel moeten presenteren. Vóór het einde van dit jaar moet 'echte' vis ten minste vier keer in de 20 dagen worden geserveerd en fruit, gekookte groente en rauwkost moeten om de dag op tafel komen. De cantines mogen niet meer dan vier keer in 20 dagen gefrituurd eten presenteren, vleeswaren of toetjes met te veel suiker.
Print dit artikel
Het Franse onderwijssysteem
Het Franse onderwijs is uitstekend. Ruim 7% van het bruto binnenlands product gaat naar het onderwijs, tegen nog geen 4,5% in Nederland. In 2007 heeft Frankrijk gemiddeld per leerling of student € 7.168 uitgegeven. Dat is 11,5% meer dan het gemiddelde van de OESO-landen. Maar deze cijfers verbergen de rijke verscheidenheid aan kosten bij de verschillende vormen van onderwijs. Zo zijn de uitgaven voor het basisonderwijs 13% lager dan het gemiddelde, terwijl die voor het middelbaar onderwijs 20% hoger uitvallen. De hoge gemiddelde kosten in Frankrijk komen vooral voort uit de lange onderwijstijden, het talrijke niet lesgevende schooolpersoneel en het kleinere aantal uren dat leerkrachten daadwerkelijk aan lesgeven besteden.
Eenmaal in Frankrijk moet men kinderen beneden de 11 jaar gewoon aanmelden via het gemeentehuis bij de school in de woonomgeving (école primaire); ze zullen daar tussen de Franse kindertjes komen te zitten. De schoolkeuze is met de carte scolaire nog niet geheel vrij, aangezien er een relatie bestaat tussen de woonplaats en de school o.a. in verband met het schoolbussysteem. De oudere kinderen moeten worden ingeschreven bij het rectoraat voor het vervolgonderwijs. Zowel bij de gemeente als bij de rector dient men te zorgen voor een geboorteakte van het kind (vertaald in het Frans), een inentingsbewijs, het laatste schoolrapport en een bewijs van vestiging (rekening EDF of telefoon).
In sommige delen op het platteland van Frankrijk heerst op de scholen soms nog een discipline die in de jaren vijftig ook in Nederland gemeengoed was. Maar dat schoolse gedrag verandert ook in Frankrijk in rap tempo. Van het bij niet-Fransen bestaande beeld dat discipline en tucht in het Franse onderwijs nog algemeen zijn, klopt niet veel meer. Leraren klagen over het afkalvende onderwijssysteem, waarbij naar een middelmatigheid werd gestreefd onder het motto van gelijke kansen voor iedereen. Ook het verschijnsel dat onderwijzend personeel minder wordt gerespecteerd, is een bron van zorg. In Frankrijk gaat men nog niet zover dat leerkrachten worden getutoyeerd. Het aantal uitingen van geweld (belediging, fysiek geweld) tegen onderwijskrachten en ander schoolpersoneel neemt de laatste jaren toe, vooral op de collèges.
Onderwijs: vrije woensdag weer ter discussie
Een speciale commissie heeft een jaar de tijd gekregen om te studeren op de mogelijkheid en wenselijkheid om de schooltijden weer te veranderen. Sinds de Rentrée van 2008 is vrijwel in geheel Frankrijk de woensdag een vrije dag. Sindsdien is er geëvalueerd, van kleuterschool tot en met het lycée. Minister Luc Chatel van Onderwijs wil dat er voorstellen komen om de leer- en lesomstandigheden te verbeteren alsook de kwaliteit van het schoolleven. Het huidige schoolritme met een vrije dag midden in de week - de woensdag - zou voor veel kindertjes niet zo goed zijn. De beroepsgroep chronobiologistes meent dat deze vierdaagse schoolweek de belangrijkste oorzaak is van de vermoeidheid bij kinderen en eist de herinvoering van een vijfdaagse schoolweek met een terugkeer naar de woensdagmorgen. Volgens de minister is een ander rooster ook de beste manier om het groeiende schoolverzuim in de achterstandswijken tegen te gaan. Gekeken wordt ook naar het Duitse experiment om de ochtenden de besteden aan het leren en 's middag in schoolverband aan sport te gaan doen. Daarnaast gaan er stemmen op om de lange zomervakantie wat in te korten en deze te verdelen over twee zones in plaats van de huidige drie. Dat zou kunnen inhouden dat er dan twee Rentrées zullen zijn. Hoewel de gemeenten geen principiële tegenstander zijn van het veranderen van het schoolritme, menen zij wel dat het ingewikkelder wordt om te zorgen voor een goeed opvang buiten de kortere schooltijd. Minder vakantie betekent ook het langer openhouden en onderhouden van de schoolgebouwen en de cantine. Met de wijziging van de duur van de vakanties maakt de huidige minister geen haast. Over drie jaar zal daarover door een nieuwe regering moeten worden besloten. (14.06.10)
Minder leerkrachten, vollere klassen Het ministerie van Onderwijs heeft een aantal voorstellen gelanceerd, waarmee de beoogde drastische vermindering van het aantal leerkrachten moet worden gecompenseerd. Het is de bedoeling dat 16.000 onderwijzersbanen verdwijnen. Twee gepensioneerden zullen worden vervangen door één nieuwe leekracht. Het ministerie denkt aan het verhogen van het aantal leerlingen per klas van de basisschool, het aantal jaren kleuterschool te beperken tot twee en de permanente bijscholing van het onderwijzend personeel in de vakanties te laten doen in plaats van tijdens de schooluren. Vakbonden en linkse partijen zijn erg boos, maar minister Luc Chatel blijft vast van plan de maatregelen door te voeren. Er zijn niettemin uitzonderingen mogelijk, zoals op scholen in moeilijke wijken. Daar zouden wellicht zelfs minder leerlingen per klas nodig zijn. En in de duurdere, witte wijken moet het mogelijk zijn om 32 of 33 kinderen in de klas te hebben. Chatel meent dat ook de organisatie beter moet op de scholen en dat er doelmatiger wordt gewerkt. Frankrijk kent in vergelijking met andere ontwikkelde landen het hoogste aantal personeelsleden in het onderwijs. (05.06.10)
Frans onderwijs te centralistisch bestuurd De Franse Algemene Rekenkamer (La Cour des comptes) heeft een negatief rapport uitgebracht over het Franse onderwijssysteem en het centralistische beheer ('Parijs') ervan. Frankrijk is er niet in geslaagd om de uitdaging aan te gaan het schoolsysteem zo te democratiseren dat de kansen voor een ieder gelijk zijn. De kwaliteit wordt omschreven als middelmatig en steekt ongunstig af bij die van de omringende landen. Een op de vijf Franse kinderen heeft ernstige problemen bij het lezen. Bij wiskunde is de situatie nog slechter. Internationaal blijkt Frankrijk zeer slecht te scoren bij het beleid om de ongelijkheid tussen scholieren terug te brengen, ondanks het zeer hoge onderwijsbudget van bijna € 53 miljard in 2010. Geld is het probleem niet, het schort vooral aan organisatie en beheer. Een op de zes jongeren verlaat de school zonder diploma en de ongelijkheid tussen de leerlingen blijft daarbij groot: ruim 78% van de leerlingen uit de hogere sociale kringen behaalt een diploma tegen slechts 18% van scholieren uit de onderste klasse van de maatschappij. Dat verschil in kansen is twee keer zo groot als in landen als Japan, China of Finland. Na de grote toeloop van de leerlingen tussen 1960 en 1990 is het Frankrijk na die datum niet gelukt de kwaliteit van het onderwijs vast te houden en kon daardoor niet voorkomen dat de schooluitval belangrijk is toegenomen. De Algemene Rekenkamer heeft twee jaar op het vraagstuk gestudeerd en hield onderzoek in 60 scholen van zes plaatsen: Aix-Marseille, Bordeaux, Clermont-Ferrand, Orléans-Tours, Montpellier, Parijs en Versailles. De Franse schoolorganisatie is nog te veel archaïsch van opzet en afgestemd op de voorbije periode dat een minderheid van een schoolklas (20% in 1970) het gehele parcours met goed gevolg afliep, van basisschool tot eindexamen middelbare school, van école primaire tot en met lycée. De meeste aandacht ging en gaat nog uit naar leerlingen zonder bijzondere problemen. De beheersvorm van het onderwijs is te centralistisch georganiseerd en verloopt via het aanbod en niet naar de vraag. De van bovenaf opgelegde nieuwe verplichting bijvoorbeeld, om wekelijks twee uren te besteden aan persoonlijke ondersteuning van achterblijvende leerlingen, blijkt in de praktijk nauwelijks te werken. (14.05.10)
Studenten en gepensioneerden voor de klas Om leraren bij korte afwezigheid te vervangen en daarmee roosteruitval te voorkomen, wil minister van Onderwijs Luc Chatel pas gepensioneerden en studenten inschakelen. Deze mensen moeten op afroep direct beschikbaar zijn om enkele dagen voor de klas te gaan staan. In het bestaande systeem van vervangers (50.000 op de 857.000 onderwijskrachten) wordt lang niet voldoende gebruik gemaakt van dit reserve-arsenaal. De voorgestelde maatregel volgt op verschillende klachten van ouderverenigingen die problemen hebben met de vaak voorkomende afwezigheid van leraren die niet worden vervangen. De minister wil nu op korte termijn een 'algemene mobilisatie' organiseren. In het basisonderwijs wordt bij ziekte van de vaste leerkracht in 10% van de gevallen geen vervanger gevonden. In het middelbaar onderwijs is dat zelfs 20%. (09.03.10)
Geen mobieltjes op school
Leerlingen van het basisonderwijs (école élémentaire) en middenschool (collège) mogen niet meer met mobiele telefoons in de weer tijdens de schoollessen. De Franse Senaat heeft hiertoe besloten uit gezondheidsoverwegingen. De leden van de Assemblée nationale moeten nog hun goedkeuring verlenen. De regering had eerder voorgesteld de mobieltjes alleen op de basisschool te verbieden, maar de Eerste Kamer ging een stap verder. Deze Haute Assemblée wil ook dat de reclame voor mobiele telefoons voor kinderen zich niet mag richten op jongeren onder de 14 jaar. De verantwoordelijke ministers willen het bij zich hebben van een mobieltje in de schooltas niet verbieden, omdat er altijd een contactmogelijkheid moet zijn tussen schoolkinderen en hun ouders na de lessen. De federatie van ouders van schoolkinderen is echter sterk gekant tegen het gebruik van de telefoontjes op school. Zijn leveren slechts problemen, leiden af, verstoren de orde, veroorzaken ruzies tussen de leerlingen en zorgen voor conflicten met de leerkrachten. De effecten van de portable op de gezondheid zijn niet exact bekend en onderzoekers spreken elkaar voortdurend tegen over de mogelijke gevolgen van elektromagnetische straling op de hersenen van jonge mensen. Inmiddels bezit bijna driekwart van de kinderen van 12 tot 17 jaar een mobieltje en drie van de tien leerlingen van het collège verklaren dat zij de portable weleens midden tijdens de les gebruiken. Bij de lyceïsten is dat zelfs bijna zes van de tien. Tachtig procent van deze middelbare scholieren zit of staat tijdens de pauzes heftig te SMS'en. Een op de vijf van deze scholieren heeft meegemaakt dat hun telefoontjes tijdens de lesuren is afgepakt door de leraar of de surveillant. (10.10.09)
Er wordt nog steeds veel werk gemaakt van wedstrijden, competitie, 'wie is de beste?' etc. Leerkrachten stellen er een eer in om de beste scholieren te laten doorstromen naar de prestigieuze grandes écoles, waaruit de toekomstige Franse elite wordt gerecruteerd. Ook het ministerie van Onderwijs wil dat meer leerlingen die het lycée verlaten, terecht komen in de zogenaamde classes préparatoires. De beste leerlingen kunnen daar worden voorbereid op de prestigieuze opleidingen, die veelal nog worden bezocht door de briljante kinderen van de hogere bourgeoisie. Het minsterie wil dat meer leerlingen uit de sociaal zwakkere milieus in deze voorbereidende klassen terecht komen.
Er wordt veel uit het hoofd geleerd en individueel gewerkt. Sport, groepsgesprekken, muziek, museumbezoek – het is er allemaal wel, maar op kleine schaal. Het Franse onderwijssysteem, in Nederlandse ogen tamelijk klassiek van opzet, sterk gericht op regel- en stampwerk en met veel huiswerk, moet de komende jaren van karakter veranderen, zo meent de overheid. De regering van Sarkozy heeft haar zorgen uitgesproken over het matige beheersen van de basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Te veel kinderen die de basisschool verlaten kunnen onvoldoende lezen, schrijven of (hoofd)rekenen. Eind 2008 legden leraren van het collectief Sauvez les lettres een dictee uit 1976 voor aan een groep van 1348 scholieren van 15 jaar. Slechts 14% haalde een voldoende. Bij een identieke test in 2000 was dat nog 30%. Het is de wens van het staatshoofd dat de Franse kinderen foutloos spellen en schrijven. Een betere pedagogische aanpak en een minder star en overbelast onderwijsprogramma zouden de leerprestaties van de Franse kindertjes ten goede komen.
In het vak wiskunde scoren Nederlandse scholieren aanmerkelijk beter dan hun Franse lotgenoten. Bij het laatste driejaarlijkse onderzoek van de OESO naar de leerprestaties van scholieren van 15 jaar en ouder over de gehele wereld, is gebleken dat Nederland in het vak wiskunde op de vijfde plaats komt. Frankrijk komt niet verder een 13e plaats, iets boven het gemiddelde. Er is een plan gelanceerd dat verder gaat dan eerdere voornemens: leerlingen moeten de opgedane kennis ook leren toepassen, moeten zich meer bewust worden van hun burgerschap en zullen moeten leren zelf initiatieven te nemen. Deze modernisering moet ingaan bij de start van het schooljaar in 2008. Eerder al werden nieuwe eisen geformuleerd die de scholen verplicht moeten uitvoeren: beter les van de Franse taal, meer wiskunde en cultuur, beheersing van een vreemde taal en het kunnen omgaan met de nieuwe communicatietechnieken.
De schooldagen zijn lang, maar tussen de middag wordt ruim gepauzeerd in la cantine. Tussen de middag krijgen de kinderen daar warm eten of eten zij thuis. Brood meenemen kent men niet. De Nederlandse kinderen zullen vertrouwd moeten raken met de Franse eetgewoonten. Levert dat problemen op, dan is het meegeven van boterhammen van thuis toch een tijdelijke oplossing. Alle basisscholen in Frankrijk zullen vanaf september 2008 nog maar vier schooldagen kennen: maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag. De zaterdag als gedeeltelijke schooldag wordt dan afgeschaft. Het aantal lesuren zal met gemiddeld twee uur per week worden verminderd tot 24, neerkomende op 864 uur per jaar tegen nu 936 uur. Onderwijskrachten blijven 26 uren maken en zullen de overgebleven twee uren moeten besteden aan het bijspijkeren van achterblijvertjes. Deze twee uren zullen over de vier schooldagen moeten worden verdeeld, viermaal een halfuur of tweemaal een uur.
Voor het schooljaar 2008/2009 is wat meer duidelijkheid gekomen over de nieuwe verplichte roosters voor het basisonderwijs. Voor de kleuterschool (maternelle) zijn er niet veel veranderingen, hoewel er meer aandacht zal zijn voor het beginnen met eenvoudig lezen en voor de voorzichtige ontwikkeling van vaardigheden als spreken en het 'leren' leren. In de eerste klassen van de lagere school (CP-CE1 - cours préparatoire-cours élémentair) is het aantal uren dat les wordt gegeven wordt overal gelijk: in wiskunde (les maths, mathématiques) wordt dan vijf uur per week en in Franss tien uur. De kinderen leren hier optellen en aftrekken, maar delen komt later in CE2. Het kringgesprek van een halfuurtje vervalt, want daarin wordt al voorzien op de kleuterschool. De overige tien uren van de schoolweek gaan hier naar sport, handenarbeid e.d. en wereldverkenning. De scholen behouden een kleine vrijheid om het aantal uren per vak vast te stellen. Na deze twee jaren moet elke leerling al enige vaardigheid hebben in het beheersen van de moedertaal, het beginnen te spreken en lezen in een andere moderne taal en in de beginselen van wis- en natuurkunde, sociale omgang en zelfstandig werken. In cyclus 3 (CE2-CM1 - cours moyen - en CM2) zijn de schooltijden gelijk: 24 uur, verdeeld over acht uur voor Frans en vijf uur voor les maths. De overige elf uren gaan naar sport (drie uur), een moderne taal (1,5 uur), algemene wetenschap (twee uur) en overige vakken zoals aardrijkskunde,geschiedenis, kunstzinnige oefeningen, burgerlijke instructie en kunstgeschiedenis. De twee laatste vakken zijn nieuw in deze cyclus en gaan iets ten koste van het Frans. Moeilijke kwesties als de subjonctif en passé antérieur komen pas op het collège aan de orde, zo is besloten.
Tegemoetkoming schoolkosten Bij het begin van het nieuwe schooljaar wordt de bekende ARS uitgekeerd, de allocation de rentrée scolaire, een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van aanschaf van schoolboeken e.d. Dit jaar komt er € 50 miljoen bij voor de ouders van leerlingen die naar collège of lycée gaan. Ook wordt geen vast bedrag meer uitgekeerd, maar verschillen de bedragen per leeftijdscategorie: € 280,76 voor de 6- tot 10-jarigen, € 296,22 voor de 11- tot 14-jarigen en € 306,51 voor de 15- tot 18-jarigen. |
Op het platteland en in kleine plaatsen gaan de meeste kinderen per schoolbus (le car de ramassage) naar school. Ook in Frankrijk is gezorgd voor kinderopvang voor werkende ouders. Franse gezinnen kiezen het meest voor de oppasdienst buitenshuis. De kinderen gaan dan naar de assistante maternelle, de nounou. De particuliere crèche komt op de tweede plaats en dan is er nog de kleuterschool waar de kleintjes kunnen worden ondergebracht. Ook zijn er de peuters die de zorg krijgen van opa en oma of van een ander familie- of gezinslid. Dan zijn er nog de gemeentelijke crèches, de jardins d’enfants voor kortdurende opvang en de oppas die aan huis komt, de garde d’enfant à domicile. Meer dan de helft geniet de zorg thuis van ma of pa.
Schoolpolitie van start gegaan
Vechtpartijen, ongewenst binnendringen van klaslokalen, drugsgebruik, het zijn zaken die de Franse overheid aangepakt wil zien in de Franse collèges en lycées. Daarom is besloten tot de instelling van mobiele veiligheidsequipes, waarbij dit jaar de eerste 500 personen worden ingezet. De eerste equipes, de 'blousons verts', zijn in gevoelige wijken zoals Seine-Saint-Denis bij Parijs geïnstalleerd. Zij beschikken niet over wapens, maar over auto's en 'talkie-walkies' om op verzoek van schooldirecties te kunnen uitrukken bij problemen. De gemiddelde leeftijd van deze functionarissen is 27 jaar; zij zijn zorgvuldig geselecteerd op verscheidenheid in afkomst en fysieke conditie. In de eerste week van zijn optreden in Aulnay-sous-Bois moest een equipe al voortdurend ter plekke blijven om op te treden bij verschillende vechtpartijen op een lyceum. Enkele leden assisteerden bij het controleren van de toegangen van de school. Anders dan bij de gewone politie kan het nieuwe veiligheidsteam bij moeilijkheden ter plaatse blijven, de leerkrachten geruststellen en de spanningen verminderen. Het is de bedoeling dat de mobiele equipes pedagogisch en preventief te werken gaan en bij moeilijkheden vooral zullen werken met de leerlingen die de meeste overlast veroorzaken en niet meer hanteerbaar zijn voor de leerkrachten. Voor de overige vormen van aanpak krijgen de equipes carte blanche. Sommige schoolbesturen voelen daar niets voor en zullen deze 'krijgshaftige brigades' niet in hun scholen toelaten. (07.10.09)
Men kent drie categorieën in het 'lager onderwijs': openbare scholen (école publique) en twee vormen van particulier onderwijs (école privée sous contrat en école privée hors contrat). De jaarlijkse kosten (vooral bijdragen aan het eten in la cantine) voor een gezin met twee schoolgaande kinderen zijn gemiddeld respectievelijk € 1500, € 2700 en € 12.000. Ongeveer 80% van de leerlingen volgt het openbaar, gratis onderwijs, maar de belangstelling voor de privé-scholen (lees: katholieke scholen) neemt jaarlijks toe. Ouders hebben het idee dat hun kinderen op dergelijke scholen een betere opleiding genieten en onderzoeken wijzen uit dat dit inderdaad het geval is.
Daarom proberen tal van ouders hun kinderen naar dergelijke, meestal verderaf gelegen scholen te sturen, maar de Franse wet verbiedt dit nog via het systeem van werken met de zgn. carte scolaire, dat leerlingen verplicht in hun eigen woongebied naar bijvoorbeeld een collège te gaan. Voor een lycée bestaat een vrije keuze. De gedachte van de carte scolaire is dat een school een afspiegeling moet zijn van het gebied waaruit de leerlingen afkomstig zijn. Maar sommige wijken of steden zijn verpauperd, waardoor ouders zich genoodzaakt voelen om listen en trucs te verzinnen om hun kroost elders op een school te krijgen. Naar schatting 30% van de schoolkinderen, vaak uit de grote steden, is 'gevlucht'. Het is het plan van de huidige regering om de carte scolaire maar geheel af te schaffen, maar voorlopig is gekozen voor een versoepeling. De maatregel geldt voor collèges die voldoende plaatsen hebben. Leerlingen die voorrang hebben zijn onder anderen gehandicapten, kinderen die op een andere school dichter bij huis wonen, kinderen die al een broer of zus op de andere school hebben of leerlingen die een bijzondere vorm van onderwijs moeten krijgen.
De kinderen gaan na de primaire, als zij tenminste vlot kunnen lezen en schrijven, vier jaar naar het collège, zeg de middelbare school, het secundaire onderwijs. In de klassen sixième (de klassen worden 'teruggeteld') (11-12 jaar) is het lesprogramma (cycle d’adaptation) voor iedereen gelijk: Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Duits of Engels, muziek en kunst. In de cinquième (12-13 jaar) en quatrième (13-14 jaar), le cycle central, leert men dezelfde vakken, uitgebreid met natuurkunde, en in de troisième (14-15 jaar) – de cycle d’orientation – kunnen de leerlingen vakken kiezen met het oog op de vervolgstudie: doorleren of naar het beroepsonderwijs. Na deze algemene vier jaar ontvangt men bij het behalen van voldoende cijfers le brevet. (De waarderingscijfers lopen van 1 tot 20; een 16 is op z’n Hollands dus een 8.) Ruim driekwart van de leerlingen haalt dat brevet.
Na het collège kunnen de leerlingen naar een lycée voor het behalen van het baccalauréat (le bac) général of technologique (drie jaar) of naar een lyceum voor het volgen van een beroepsopleiding (twee jaar na la troisième – baccalauréat professionel). Er zijn drie richtingen van het driejarige lycée: lycée d’enseignement général (algemeen), een technische opleiding op het lycée d’enseignement technologique en een beroepsopleiding (vergelijkbaar met MBO/HBO) op het lycée d’enseignement professionel (LEP) of een CFA (Centre de formation d’apprentis). De eerste twee opleidingen geven toegang tot verder studeren op een universiteit. Voor welke variant van de bac men ook kiest, er zijn vakken die voor alle studenten verplicht zijn: Frans, wiskunde, natuurkunde, sport en ten minste één vreemde taal. Is le bac behaald (als het goed is op ongeveer achttienjarige leeftijd), dan kan de lycéen kiezen voor een vervolgopleiding bij een hogere beroepsopleiding, verder studeren aan een universiteit (meestal om een onderwijsfunctie te verkrijgen) of een van de prestigieuze grandes écoles bezoeken.
Namen en titels van de Franse onderwijsgevenden De onderwijzer/leraar van de basisschool heet een instituteur (institutrice); een schoolhoofd/directeur heet directeur (directrice). De meester in de klas wordt aangesproken met maître en de juf met maîtresse. De leraar op een collège of een lycée heet professeur; de directeur van een collège draagt de titel van directeur of principal en de directeur van een lycée heet proviseur of ook directeur. Een recteur is het hoofd van een universiteit en in die hoedanigheid ook hoofd van de onderwijsinspectie (académie), waarvan er 28 bestaan. Enkele jaren geleden is een begin gemaakt met de geleidelijke vervanging van de aloude maîtres d’internat en de surveillants d’externat door de assistants d’éducation. Deze toezichthouders hebben als taak het volgen van de leerlingen, het helpen bij het opzetten van nieuwe (communicatie)technieken, het begeleiden van gehandicapte leerlingen en het ontwikkelen van buitenschoolse activiteiten. De nieuwe assistenten worden vooral gerecruteerd uit het legertje beursstudenten. |
In Frankrijk is een kind tussen 6 en 16 jaar leerplichtig. Maar de peuter- en kleuterscholen (écoles maternelles) nemen al kinderen vanaf 2,5 jaar op. Het Franse schoolleven begint in de elfde klas; er wordt namelijk teruggeteld tot de eerste klas in het allerlaatste schooljaar (terminale). Het eerste jaar van de verplichte basisschool (école primaire) heet cours préparatoire (CP). De CP wordt nog gevolgd door 4 jaren: cours élémentaire I (CE 1), cours élémentaire 2 (CE 2), cours moyen (CM 1) en cours moyen 2 (CM 2).
Vervolgens gaan de kinderen vier jaar naar het collège, zeg de middelbare school, het secundaire onderwijs. In de klassen sixième (11-12 jaar) is het lesprogramma (cycle d’adaptation) voor iedereen gelijk: Frans, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Duits of Engels, muziek en kunst. In de cinquième (12-13 jaar) en quatrième (13-14 jaar), le cycle central, leert men dezelfde vakken, uitgebreid met natuurkunde, en in de troisième (14-15 jaar) – de cycle d’orientation – kunnen de leerlingen vakken kiezen met het oog op de vervolgstudie: doorleren of naar het beroepsonderwijs. Na deze algemene vier jaar ontvangt men bij het behalen van voldoende cijfers le brevet. (De waarderingscijfers lopen van 1 tot 20; een 16 is op z’n Hollands dus een 8.) Ruim driekwart van de leerlingen haalt dat brevet.
Na het collège gaan de leerlingen naar een lycée voor het behalen van het baccalauréat (le bac) général of technologique (drie jaar) of naar een lyceum voor het volgen van een beroepsopleiding (twee jaar na la troisième – baccalauréat professionel). Er kan een vak worden geleerd op een min of meer vergelijkbaar niveau als het Nederlandse vmbo (het voor Fransen bekende CAP-certificat d’aptitude professionelle met zijn 200 specialismen) of nog één of twee jaar worden doorgegaan om een diploma voor een specialisme te behalen (de meer algemene BEP, brevet d’enseignement professionel met 50 specialismen). Ruim 60% slaagt voor een van de drie vormen van le bac. Na de BEP kan nog twee jaar verder worden geleerd voor de bac pro, le baccalauréat professionel. Er zijn drie richtingen van het driejarige lycée: lycée d’enseignement général (algemeen), een technische opleiding op het lycée d’enseignement technologique en een beroepsopleiding (vergelijkbaar met mbo/hbo) op het lycée d’enseignement professionel (LEP) of een CFA (Centre de formation d’apprentis). De eerste twee opleidingen geven toegang tot verder studeren op een universiteit. Voor welke variant van de bac men ook kiest, er zijn vakken die voor alle studenten verplicht zijn: Frans, wiskunde, natuurkunde, sport en ten minste één vreemde taal. Is le bac behaald (als het goed is op ongeveer achttienjarige leeftijd), dan kan de lycéen kiezen voor een vervolgopleiding bij een hogere beroepsopleiding, verder studeren aan een universiteit of een van de prestigieuze grandes écoles bezoeken (om bankdirecteur of minister of iets anders hoogs te kunnen worden).
Schoolverzekering meestal niet nodig In Frankrijk bestaan twee typen schoolverzekering: de gewone assurance scolaire, die verzekert tegen ongelukken tijdens bijzondere activiteiten zoals schoolreisjes of tijdens het vervoer naar en van school. De assurance scolaire et extra-scolaire verzekert het kind het gehele jaar door onder alle omstandigheden, ook tijdens de vakanties. Beide verzekeringen bieden garantie voor de ongelukken die het kind ondergaat of veroorzaakt. Bij het afsluiten van deze verzekeringen moet men wel eerst nagaan of dergelijke dekkingen niet al zijn geregeld in de WA-verzekering (Responsabilité Civile), die meestal in de opstalverzekering voor het huis (multirisques-habitation) is geregeld. Ook een rechtsbijstandsverzekering is meestal in deze polis opgenomen (assurance de protection juridique). Sommige scholen verlangen dat ouders die geen aanvullende verzekering hebben, om zich voor schooluitjes toch voor dat deel bij te verzekeren. Kinderen die het eindexamen (le bac) van het lyceum hebben gehaald en verder gaan studeren, zullen zich soms moeten laten inschrijven bij de Sécurité sociale étudiante. In de meeste gevallen blijven de studenten verzekerd op de carte vitale van de ouders, maar kinderen van ouders met vrije beroepen zullen zich moeten aanmelden. Als de studenten ouder dan 20 jaar zijn, zal er meestal een premie moeten worden betaald. Dit geldt niet voor beursstudenten. |
Print dit artikel
De Fransen gaan nog steeds massaal in de maand augustus met vakantie. Hoewel de overheid aan vakantiespreiding wil doen, blijven de meeste Fransen toch in juli/augustus vakantie vieren. Ook maken de Fransen er een sport van om tussendoor vrije dagen aaneen te sluiten, het beroemde faire le pont.
Franse schoolkinderen hebben vijf vakanties per jaar: twee weken in februari, twee weken in april, de zomermaanden juli en augustus, een week voor Allerheiligen en twee weken kerstvakantie.
Voor wat betreft de schoolvakanties doet Frankrijk aan spreiding. Het land is daartoe in drie zones verdeeld:
zone A (groen) omvat de scholen in de regio's van Caen, Clermont-Ferrand, Grenoble, Lyon, Montpellier, Nancy-Metz, Nantes, Rennes en Toulouse;
zone B (blauw) omvat de scholen in de regio's van Aix-Marseille, Amiens, Besançon, Dijon, Lille, Limoges, Nice, Orléans-Tours, Poitiers, Reims, Rouen en Straatsburg;
zone C (grijs) omvat de scholen in de regio's van Bordeaux, Créteil, Parijs en Versailles.
2010 - 2011
Winter
van 13 februari tot 1 maart voor zone A van 6 februari tot 22 februari voor zone B van 20 februari tot 8 maart voor zone C
Voorjaar
van 10 april tot 26 april voor zone A van 3 april tot 19 april voor zone B van 17 april tot 3 mei voor zone C
Grote vakantie
van 2 juli en duurt tot 1 september voor alle zones
Toussaint
van 23 oktober tot 4 november voor zone alle zones
Kerst
van 18 december tot 3 januari 2011 voor alle zones
Op de website van het ministerie van onderwijs zijn ook de schoolvakanties voor de komende jaren te raadplegen.
Print dit artikel
Nederlandse diploma's
Franse werkgevers nemen niet altijd genoegen met een kopie van Nederlandse diploma’s en/of cijferlijsten. Ook de hogere scholen en universiteiten hanteren soms moeizame procedures. De vakbekwaamheidseisen van de meeste beroepen rond gezondheidszorg (arts, verpleegkundige, apotheker) zijn wél Europees erkend. Zelfstandigen die aantoonbaar over vijf jaar ervaring beschikken, kunnen in Frankrijk aan het werk. Te denken valt aan aannemers/klusbedrijven en bemiddelaars zoals voor verzekeringen en huizen.
Het is voor veel andere beroepen nodig een door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen erkende instelling een 'diplomawaardering' te laten uitvoeren. Daarna is nog een legalisatie nodig door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de rechtbank in Den Haag. Voor een HBO- of universitair diploma moet dat bij het Nuffic. Deze instelling maakt van een Nederlands hogeronderwijsdiploma een Engelstalige diplomabeschrijving. Hierin wordt onder andere het equivalent gesuggereerd van de Nederlandse studie in Frankrijk. Het informatiecentrum voor hoger onderwijs, het Nationale Informatiecentrum Nederland, is onderdeel van de afdeling Diplomawaardering & Certificering van het Nuffic. Ook de Nederlandse ambassade in Parijs is behulpzaam bij het uitreiken van verklaringen als équivalence diplôme.
Het is mogelijk om een website van een informatiedienst te raadplegen waarop staat vermeld of een zogenaamd gereglementeerd Nederlands beroep (zoals artsen en advocaten) ook in Frankrijk wordt erkend: Ciep, Centre International d' études pédagogiques, 1, Avenue Léon Journault, 92310 Sèvres, tel. 1450760 00. Nuffic werkt samen met Colo in IDW, Internationale DiplomaWaardering. Op internet kan vrijwel alles worden geregeld met je diplomawaardering. Wie iets wil weten over het beroepsonderwijs in Frankrijk kan informatie ophalen bij het Nationale Referentie Punt Nederland. Dit bureau is bij het Colo ondergebracht. En dan is er nog de Informatie Beheer Groep (IBG) afdeling Diploma-erkenning en Legalisatie in Groningen, die zorgt voor het legaliseren van diploma’s met onderwijsbevoegdheid, het erkennen van handtekeningen op diploma’s enzovoort, waarna de gebruikelijke procedure moet worden gevolgd (rechtbank en/of ministerie). De IBG levert ook zogenaamde statusverklaringen voor 'oude' diploma’s zoals LBO, MAVO, HAVO, VWO, MULO en zelfs HBS. Wie naar Frankrijk vertrekt kan voor zijn diploma een zogenaamd apostillestempel krijgen bij de rechtbank Groningen als de papieren zijn gelegaliseerd door IBG. Je kunt bij spoed het stempel zelfs persoonlijk in Groningen komen afhalen.
Het Frans-Nederlands Netwerk voor Hoger Onderwijs en Onderzoek Het Frans-Nederlands Netwerk voor hoger onderwijs en onderzoek - FNN - is een organisatie die zich richt op samenwerking tussen Nederlandse en Franse kennisinstellingen. Het belangrijkste doel van het FNN is het versterken van de relaties en de samenwerking tussen de twee landen op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek, conform het Bolognaproces. Het FNN informeert en initieert, makelt en schakelt. Het FNN heeft een bureau in Utrecht en één in Lille. De site van FNN geeft de laatste ontwikkelingen in het hoger onderwijs en onderzoek in Frankrijk, onder meer door informatie over publicaties en bijeenkomsten. Ook vindt men op deze site interessante beursmogelijkheden en stageplaatsen in Frankrijk. Het FNN maakt zich ook sterk voor de verbetering van de positie van de Franse taal en cultuur in het Nederlandse onderwijs. |
Print dit artikel
Frans leren of schoolfrans ophalen
Het zelf vertalen van officiële stukken wordt zeker niet aangeraden, maar het ophalen van het schoolfrans of beginnen met Frans is absoluut noodzakelijk. Niettemin zijn er nog tal van Nederlanders die permanent in Frankrijk wonen en zich nauwelijks verstaanbaar kunnen maken.
Nederlanders die overwegen naar Frankrijk te gaan om daar ook met de Fransen te vertoeven, kunnen in Nederland onder meer terecht bij de Alliance Française, die in het hele land cursussen verzorgt. Ook bij het instituut Maison Descartes worden cursussen gegeven. Voor het meer eenvoudige huis-, tuin- en keukenfrans zijn op internet tal van speelse cursussen te vinden, even googler.
Wie beroepshalve in Frankrijk wat wil gaan betekenen, dient over een goede beheersing van de Franse taal te beschikken en zal een gedegen opleiding dienen te volgen. De Alliance Française des Pays-Bas verzorgt in Nederland de examens Bilan I en Bilan II. Deze examens worden in Nederland gemaakt en afgenomen in maart in de meerste cursusplaatsen. De zwaardere diploma’s van AF zijn CEFP I en CEFP II (niveau resp. A2 en B1), Diplôme de Langue (B2) en Diplôme supérieur (C1). In 130 landen heeft de Franse overheid mogelijkheden geschapen om Frans te leren en diploma’s te halen die nodig zijn om in Frankrijk activiteiten te ontwikkelen. Er zijn drie types te onderscheiden van pittige tot zware opleidingen: le Diplôme d’Etudes en Langue Française (DELF A1, A2 en DELF B1 en B2) en de wat moeilijker Diplôme Approfondi de Langue Française (DALF C1 en C2). In Nederland zijn deze diploma’s te behalen door examen te doen bij de Alliance Française in Den Haag. Daar, maar ook bij het Talencentrum van de universiteit in Leiden, zijn de cursussen te volgen. Dat kan overigens ook in Frankrijk zelf bij de examencentra, die in de grotere plaatsen over het gehele land zijn verspreid. Een lijst van deze centra is op internet te vinden. Het is mogelijk om een deel van de opleiding in Den Haag te volgen en de cursus af te maken en examen te doen in Frankrijk. De DELF/DALF-diploma’s zijn de enige erkende in Frankrijk en kunnen nodig zijn bij het beoefenen van bepaalde beroepen. Franse informatie hierover op de website van de Ciep.
|
Nederlands leren in Frankrijk In Frankrijk is het mogelijk om Nederlands te leren op een Nederlandse school. De scholen vallen onder de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB). Het zijn NTC locaties voor primair of voortgezet onderwijs. Dit is aanvullend onderwijs in de Nederlandse taal –en cultuur. Het onderwijs wordt gegeven aan kinderen van 4 tot 14 jaar. De leerlingen verschillen in de mate waarin ze het Nederlands beheersen. Daarmee verschillen ook de doelen per kind. Zo kunnen ze Frans als thuistaal hebben (dan is het hoofddoel communiceren met de familie in Nederland) of de leerlingen hebben Nederlands als thuistaal (Dan is het hoofddoel het Nederlands zo te leren dat ze kunnen terugkeren naar Nederland of daar kunnen gaan studeren).
Alle kinderen volgen hun dagopleiding op de Franse of internationale school. Enkele scholen in Frankrijk zijn: De Watertoren in Saussan (Languedoc Roussillon), de Gouden Klomp (Côte d’Azur). Meer informatie is te vinden op de websites van de scholen en op de website van het NOB.
|
Print dit artikel
|

het weer in Frankrijk
10 sep 2010
Uit de fora:
'Het collège blijft vier jaar een middenschool, waar kinderen van alle niveaus samen zitten. Ik heb gezien dat er van een tweede klas (cinquième) zomaar een derde uitviel, bleef zitten of van school ging. 'Ach ja, jongens' ... was een beetje de tendens. Alsof dat een bij voorbaat al tot mislukking gedoemde groep is. Mijn indruk is dat het onderwijs tamelijk 'ouderwets' is, in die zin dat het een beetje eenheidsworst is. Val je binnen de normen, dan is dat geen enkel punt. Wijk je af, omdat je wat drukker bent, wat meer moeite hebt, meer technisch dan theoretisch ingesteld bent, dan is de tolerantie daarvoor niet erg groot. Nog een aspect van het 'ouderwets' - de leraren zijn tamelijk streng en wensen vooral niet tegengesproken worden. Voor mijn Nederlandse meiden was dat even wennen. Hun assertiviteit werd al snel als brutaliteit opgevat. Belangrijk om dat uit te leggen.'
|