|
|
Op vrijdag 23 december diende het kort geding dat de de stichting BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND en enkele gepensioneerden in Spanje hebben aangespannen tegen enkele Nederlandse zorgverzekeraars. Hieronder de pleitnota van de advocaat van BNGB. inzake: 1. de stichting BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND, gevestigd te ’s-Gravenhage; 2. de heer Prof. dr. PETRUS FRANCISCUS MAAS, wonende te La Nucia, Spanje 3. de heer GERARDUS JOHANNES ANNINK, wonende te Pego, Spanje; en 4. de heer ALBERT KIFFEN, wonende te La Nucia, Spanje, eisers, advocaat en procureur: mr P.V.F. Bos; tegen: 1. de naamloze vennootschap ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Noordwijk, gedaagde, advocaat: mr A.H.J.W.M. Versteeg 2. de naamloze vennootschap OHRA ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V., gevestigd in Arnhem, 3. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd in ’s-Gravenhage, gedaagden, advocaat en procureur: mr J. Ekelmans Inleiding 1. We zijn hier vanochtend voor een bijzondere zaak over een fundamenteel recht: het recht op gezondheidszorg. Het recht van een ieder om zelf te beslissen op welke wijze hij zijn gezondheid wil beschermen. De in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden hebben van dit recht gebruik gemaakt door met particuliere verzekeraars particuliere ziektekostenverzekeringsovereenkomsten (“overeenkomsten”). Zij hebben daardoor tijdens hun verblijf in Spanje recht op zorg zoals zij zelf willen. Ook Maas, Annink en Kiffen hebben op deze manier hun gezondheid beschermd: zij hebben deze overeenkomsten met gedaagden gesloten. 2. De Nederlandse wetgever dreigt dit fundamentele recht om zelf de bescherming van je gezondheid te regelen echter op zeer korte termijn in gevaar dreigt te brengen. Volgens de nieuwe Zorgverzekeringswet (“Zorgwet”) zullen de overeenkomsten die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden hebben gesloten namelijk (geheel of gedeeltelijk) vervallen. De wetgever grijpt daarmee zeer vergaand in deze overeenkomsten in. De in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden die dachten hun gezondheid goed verzekerd te hebben, komen bedrogen uit: de wetgever laat keihard een belangrijk deel van hun verworven rechten vervallen. De wetgever grijpt hiermee zo diep in het leven van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden in, dat hij daardoor artikel 1 van het Eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten Mens (“Eerste Protocol”) schendt. 3. Gedaagden hebben echter gemeend nog verder te mogen (en moeten!) gaan. Gedaagden hebben (onder andere) hun in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden bericht dat zij hun overeenkomsten per 1 januari 2006 zullen beëindigen. De door hen verstuurde beëindigingsbrieven zijn als productie 5, 6 en 7 bij de dagvaarding gevoegd. 4. De gezondheid van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden wordt door het dreigende verval van hun rechten en de dreigende beëindigingen door gedaagden op ontoelaatbare wijze op het spel gezet. Een van de belangrijkste rechten die zij op grond van de overeenkomsten met gedaagden gesloten overeenkomsten hebben, is het recht om naar een arts of specialist naar keuze te gaan. Zij kunnen daardoor naar Nederlandse artsen en specialisten gaan. Dit cruciale recht dreigen zij op zeer korte termijn te verliezen. De gevolgen daarvan kunnen desastreus zijn. 5. Een simpel voorbeeld kan dit verduidelijken. Het is 1 januari 2005. Meneer X is een 76 jaar oude in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerde. Hij gebruikt verschillende medicijnen voor onder andere nierproblemen. Meneer X spreekt niet of nauwelijks Spaans of Engels. Midden in de nacht krijgt hij last van hartproblemen. Omdat hij een overeenkomst heeft gesloten met een Nederlandse verzekeraar, kan hij terecht bij een Nederlandse huisarts. Meneer X belt hem en legt zijn probleem uit. De Nederlandse huisarts vraagt hem welke medicijnen hij slikt en vertelt hem dat hij spoedig moet worden opgenomen in een ziekenhuis ter observatie. Meneer X wordt daar door Nederlandse specialisten geholpen. Meneer X kan na een paar dagen weer naar huis. 6. Nu is het 1 januari 2006. Meneer X heeft geen Nederlandse huisarts meer; hij is door de Nederlandse wetgever verplicht om van het Spaanse zorgpakket van zijn regio gebruik te maken. Dat pakket kent geen recht op vrije artskeuze. Meneer X krijgt ’s nachts last van hartproblemen. Hij belt zijn (nieuwe) Spaanse huisarts en probeert in zeer gebrekkig Spaans en Engels uit te leggen dat hij ernstig last heeft van zijn hart en dat hij medicijnen voor zijn nieraandoening slikt. De Spaanse huisarts verstaat hem echter niet en begrijpt niet wat er met meneer X aan de hand is. De Spaanse huisarts probeert op alle mogelijke manieren door te vragen wat er mis is. Meneer X verstaat de huisarts echter niet. Hij probeert op alle mogelijke manieren uit te leggen waar hij last van heeft. Ze begrijpen elkaar echter niet. 7. Het behoeft geen nadere uitleg dat een dergelijke miscommunicatie zeer ernstige en wellicht zelfs fatale gevolgen kan hebben. Goede communicatie met de arts of specialist is van levensbelang. Er is dan ook geen twijfel mogelijk dat het vervallen verklaren van rechten op zorg door de wetgever en het beëindigen van overeenkomsten door gedaagden tot zeer onwenselijke situaties zal leiden. 8. Hun recht op vrije artskeuze zullen de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden ook niet bij Spaanse particuliere verzekeraars veilig kunnen stellen. Vanwege hun leeftijd en het hoge risicogehalte zou geen enkele verzekeraar hen nu nog als nieuwe cliënten accepteren. 9. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het dreigende verval van rechten en door gedaagden aangekondigde beëindigingen grote opschudding en ongerustheid hebben veroorzaakt bij de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden. Velen van hen zijn daardoor zo ongerust geworden, dat zij sterk overwegen om terug te komen naar Nederland. Sommigen hebben dat zelfs al gedaan. Zij zijn teruggekeerd om hun gezondheid te beschermen. 10. Aan de onderhavige problematiek is ook in de media en de politiek (uitgebreid) aandacht besteedt. Dit heeft onder andere geleid tot het spoeddebat in de Tweede Kamer van 6 december jl. Tijdens dit debat bevestigde de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (“VWS”) dat de opzeggingen door de verzekeraars onrechtmatig waren. 11. Gedaagden zagen zich door dit spoeddebat, en wellicht onder druk van dit kort geding, genoodzaakt om gedeeltelijk op hun schreden terug te keren. De raadsman van Achmea heeft verklaard dat Achmea (onder andere) haar in Spanje wonende cliënten aan zal bieden om hun huidige verzekeringen voort te zetten op grond van de voorwaarden van de Wereldpolis. Daar een deel van de verzekering volgens Achmea op grond van artikel 2.5.2 lid 2 Invoerings- en aanpassingswet (“I&A”) zal vervallen, zouden zij daarvoor een korting krijgen. Welk deel van de overeenkomst vervalt, en welk deel in stand zal blijven, maakt Achmea niet duidelijk: dat moeten de verzekerden, zoals Kiffen, zelf maar uitzoeken in hun woonland. Waaruit de dekking van de overeenkomsten na 1 januari 2006 zal gaan bestaan, is derhalve volstrekt onduidelijk. 12. Achmea biedt Kiffen echter ook de mogelijkheid om een Wereldpolis met volledige dekking af te sluiten. Kiffen zou dan geen gebruik hoeven te maken van het Spaanse ziekenfonds en alles rechtstreeks bij Achmea kunnen declareren. Blijkbaar denkt Achmea dat artikel 2.5.2 lid 2 I&A wel geldt voor de overeenkomsten zij nu heeft gesloten met de Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden, maar niet voor de nieuw af te sluiten Wereldpolis! Dat is onjuist: áls artikel 2.5.2 lid 2 I&A van toepassing is, worden ook nieuwe overeenkomsten daardoor geraakt. De “volledige dekking” kost Kiffen wel zo’n e 433,-- (!) per maand. Ter vergelijking: Kiffen betaalt nu voor zijn verzekering met volledige dekking e 150,-- per maand, een premieverhoging van ruim 88%! 13. Delta Lloyd biedt Annink slechts één mogelijkheid: hij kan akkoord gaan met het aanbod van Delta Lloyd, waardoor hij voor zijn vrouw en zichzelf in 2006 een premie van e 11.000,04 moet gaan betalen (productie 14). Ter vergelijking: Annink betaalde in 2005 voor zijn vrouw en zichzelf een premie van e 6.499,92 per jaar voor volledige dekking, een verschil van e 4.500,--! Annink zou voor dat geld wel volledige dekking krijgen: ook Delta Lloyd is blijkbaar van mening dat artikel 2.5.2 lid 2 I&A niet op deze nieuwe overeenkomst van toepassing is. 14. Het zal niemand verwonderen dat eisers van mening zijn dat de door gedaagden voorgestelde regelingen innerlijk tegenstrijdig en volstrekt onredelijk zijn. Het is naar de mening van eisers heel simpel: velen van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden hebben rechtsgeldige overeenkomsten gesloten met gedaagden. Deze overeenkomsten worden naar de mening van eisers niet geraakt door artikel 2.5.2 lid 2 I&A. De overeenkomsten van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden met gedaagden zullen dus ook na 1 januari 2006 gewoon rechtsgeldig zijn. 15. Gedaagden zijn echter van mening dat de overeenkomsten wel door artikel 2.5.2 lid 2 I&A geraakt zouden worden. Over de consequenties daarvan zijn zij echter zeer onduidelijk. In eerste instantie hebben alle gedaagden de lopende overeenkomsten beëindigd. Ik verwijs daarvoor naar de beëindigingsbrieven. Geen van gedaagden heeft deze beëindiging vooralsnog herroepen of haar verzekerden bericht dat sprake is geweest van een misverstand. 16. Alleen Achmea lijkt hierop te zijn terug gekomen. Haar raadsman heeft de Stichting BNGB bericht dat haar in Spanje wonende Nederlandse verzekerden ervoor kunnen kiezen dat hun huidige verzekering doorloopt, maar dan wel met het gat van woonlandpakket in de dekking. Niemand weet daarom waar deze dekking uit zal bestaan. Achmea is niet van plan een pakketvergelijking te maken. Zij zadelt haar cliënten liever op met deze onzekerheid. Die moeten volgens Achmea maar uitzoeken welke rechten van de Spaanse zorgpakketten gelijkwaardig zijn aan de rechten van hun overeenkomsten. 17. Bij Delta Lloyd en Ohra blijven de overeenkomsten beëindigd: zij bieden hun in Spanje wonende Nederlandse cliënten alleen een “nieuwe zorgverzekering” aan, die vele malen duurder is dan de huidige verzekeringen. 18. De in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden kunnen bij gedaagden een volledige dekking houden, op voorwaarde dat zij torenhoge premies zullen betalen: dan hoeft men ineens geen gebruik te maken van het Spaanse ziekenfonds en geldt artikel 2.5.2 lid 2 I&A niet. Zo kan het echter niet zijn. De overeenkomsten worden ofwel door artikel 2.5.2 lid 2 I&A geraakt, ofwel zij worden daardoor niet geraakt. Dat geldt zowel voor lopende overeenkomsten als voor nieuwe overeenkomsten. Het kan niet zo zijn dat de huidige overeenkomsten daardoor geraakt zouden worden, maar de veel duurdere aangeboden nieuwe overeenkomsten niet. Het standpunt van eisers moge duidelijk zijn: de overeenkomsten worden niet door artikel 2.5.2 lid 2 I&A geraakt. 19. Een oplossing voor het geschil is er derhalve, ondanks onderhandelingen daartoe, nog steeds niet. De tijd dringt echter: 1 januari is al over ruim één week. Eisers vragen U als Voorzieningenrechter vandaag daarom om de ongerustheid en onzekerheid bij de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden (tijdelijk) weg te nemen. De overeenkomsten die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden met gedaagden hebben afgesloten, dienen ook na 1 januari 2006 door gedaagden op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie gestand te worden gedaan als thans het geval is. Declaraties die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden na 1 januari 2006 bij gedaagden zullen indienen, dienen onder dezelfde voorwaarden behandeld te worden als thans het geval is onder voortzetting van de huidige premiestelling. Dit totdat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan in het geschil, althans (in het subsidiaire geval) totdat gedaagden een pakketvergelijking hebben gemaakt waaruit duidelijk blijkt welk deel van de overeenkomsten die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden met hen hebben gesloten zal vervallen. 20. Dan kom ik nu toe aan de toelichting op de juridische gronden waarop de primaire en subsidiaire vorderingen van gebaseerd zijn. Ik zal daarbij beginnen met het argument dat artikel 2.5.2 lid 2 in strijd is met het Eerste Protocol. Het argument dat artikel 2.5.2. lid 2 I&A niet van toepassing is omdat de Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden geen recht op zorg of vergoeding van de kosten daarvan kunnen ontlenen aan artikel 28bis van Verordening 1408/71/EG zal ik - in eerste termijn – slechts kort bespreken. Dit argument is in de dagvaarding al voldoende duidelijk en uitgebreid uiteengezet. Ik zal wel nog kort aandacht besteden aan de pakketvergelijking waar artikel 2.5.2 lid 2 I&A toe noopt. Primaire vordering: artikel 2.5.2 lid 2 I&A is in strijd met het Eerste Protocol 21. Artikel 1 van het Eerste Protocol bepaalt dat een ieder recht heeft op ongestoord genot van eigendom. Niemand van zijn eigendom worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet in en de algemene beginselen van het internationale recht. 22. Het begrip eigendom uit het Eerste Protocol dient volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (“EHRM”) ruim te worden geïnterpreteerd. Het moet gaan om een reeks economische belangen, met inbegrip van roerende en onroerende eigendom, en materiële en immateriële belangen en inclusief vorderingsrechten van privaatrechtelijke en zelfs publiekrechtelijke oorsprong. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer aandelen, effecten, goodwill, vergunningen, sociale uitkeringen en pensioenrechten aangemerkt als “eigendom”.[1] De rechten voortvloeiende uit de door de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden gesloten overeenkomsten moeten dan ook aangemerkt worden als eigendom in de zin van het Eerste Protocol. Het gaat hier immers om vorderingsrechten van privaatrechtelijke aard. 23. Bovendien wordt niet alleen “huidig eigendom”, maar ook “toekomstig eigendom” en “legitieme verwachtingen” door het Eerste Protocol beschermd. Daarvoor is volgens het EHRM vereist dat er een gerechtvaardigde legitieme verwachting bestaat dat men “genot” zal kunnen hebben van de eigendom. Dat is zeker het geval: de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden hadden de gerechtvaardigde en legitieme verwachting dat zij de eigendom van de uit de door hen afgesloten particuliere ziektekostenverzekeringen ook na 1 januari 2006 nog konden genieten. Gezien de zeer ruime uitleg die het EHRM geeft aan het begrip eigendom, leidt het geen twijfel dat overeenkomsten van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden door het Eerste Protocol beschermd worden. 24. Dat de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden als gevolg van artikel 2.5.2 lid 2 I&A rechten zullen verliezen staat buiten kijf. Deze ingreep van de wetgever kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een beroving van hun eigendom, althans als een vergaande verstoring van het genot van hun eigendom. Onder andere hun recht op vrije artskeuze dreigt immers te vervallen door dit dwingende overheidschrift. Hun recht om hun gezondheid te beschermen zoals zij dat zelf willen wordt daarmee in ernstige mate aangetast. Daarbij is van belang dat het EHRM in een eerdere uitspraak de annulering door de wetgever van loonsverhogingen welke reeds contractueel in werking waren getreden als eigendomsontneming heeft gekwalificeerd.[2] De wetgever mag dus niet zomaar ingrijpen in privaatrechtelijke verhoudingen. De vergaande ingreep van artikel 2.5.2 lid 2 I&A is dan ook een vorm van eigendomsontneming, althans als een vergaande verstoring van het genot van eigendom, die in strijd is met het Eerste Protocol. 25. Een dergelijke inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol kan slechts gerechtvaardigd worden als deze een legitieme doelstelling in het algemeen belang heeft en proportioneel is. Een dergelijke rechtvaardiging kan volgens de rechtspraak van het EHRM onder meer gevonden in: · de aansporing van technologische en economische ontwikkelingen; · de bescherming van de financiële belangen van de Staat; · de ruimtelijke ordening; · de bescherming van gehandicapten en gevangenen; · (preventieve) maatregelen tegen misdrijven; · de bescherming van de goede zeden; · de bescherming van het leefmilieu; en · de bescherming van de volksgezondheid. 26. Geen van de zojuist genoemde doelstellingen van algemeen belang, noch een andere doelstelling van algemeen belang wordt door artikel 2.5.2 lid 2 I&A gediend. Ook het algemeen belang van de volksgezondheid wordt niet door artikel 2.5.2 lid 2 I&A gediend, integendeel zelfs. De gezondheid van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden dreigt door de wetgever juist in gevaar te worden gebracht. De vergaande inbreuk door de wetgever op het Eerste Protocol kan ook niet op grond van doelstellingen van algemeen belang gerechtvaardigd worden. 27. Artikel 2.5.2 lid 2 I&A kan de toets van het Eerste Protocol dus niet doorstaan en is daarom in strijd met het EVRM. Het artikel is derhalve onverbindend en kan de overeenkomsten die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden met gedaagden hebben gesloten niet aantasten. Deze blijven derhalve ook na 1 januari volledig in stand. De primaire vordering van eisers dient daarom te worden toegewezen: gedaagden dienen de door hen met de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden gesloten ziektekostenverzekeringen ook na 1 januari 2006 gestand te doen, althans hen een nieuwe verzekering aan te bieden op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie als thans het geval is, althans aanspraken te honoreren alsof de huidige overeenkomsten nog bestonden.
28. Dan kom ik nu toe aan de tweede grond voor de primaire vordering. Primaire vordering: artikel 2.5.2 lid 2 I&A is niet van toepassing 29. Achmea heeft bij voorafgaande aan de zitting een “memorie ten behoeve van de mondelinge behandeling” in het geding gebracht. Ik wil daar graag kort op ingaan. 30. Achmea komt in het stuk tot de conclusie dat er weliswaar “debat kan worden gevoerd over de vraag of de overgangsregeling al dan niet duidelijk geformuleerd is en of de toelichting op de bepaling al dan niet de duidelijkheid biedt die van wetgeving gevraagd mag worden” maar dat voor haar wel vast staat wat de bedoeling van de wetgever is geweest: als er in een woonland aanspraak bestaat op dekking – ongeacht of die dekking voortvloeit uit Verordening 1408/71 dan wel ter plaatse geldende wetgeving – vervalt een bestaande overeenkomst voorzover de dekking gelijkwaardig is aan de dekking in het woonland. 31. Van onduidelijkheid is echter geen sprake. Ook uit de door Achmea ingediende memorie blijkt dat artikel 2.5.2 lid 2 I&A in casu niet van toepassing is: er staat in de eerste plaats duidelijk dat men “met toepassing van de Verordering” recht moet hebben zorg. Daarnaast vermeldt de passage uit de parlementaire geschiedenis die is opgenomen in paragraaf 4 dat artikel niet van toepassing is op personen die op grond van de wetgeving van hun woonland voor ziektekosten zijn verzekerd. Achmea erkent de stelling van eisers ook feitelijk in paragraaf 5 van de memorie. Daarin stelt zij immers dat aan de parlementaire geschiedenis kan worden ontleend dat artikel 69 Zorgwet, en dus ook artikel 2.5.2 lid 2 I&A ziet op personen die “op grond van Verordening 1408/71 recht hebben op zorg ten laste van Nederland. Voor de uitleg die Achmea aan artikel 2.5.2 lid 2 I&A geeft zijn dan ook geen goede argumenten te vinden. Het staat gewoon niet in de wet. Klaar. 32. Maar zelfs als de wet wel onduidelijk zou zijn, dan nog mogen de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden niet de dupe worden van deze onduidelijkheid. Hun situatie mag niet zo ingrijpend veranderen als thans dreigt te gebeuren op grond van een onduidelijke wet. Hun overeenkomsten en eigendommen mogen niet aangetast worden door een onduidelijke wet. De primaire vordering van eisers dient dan ook toegewezen te worden, zodat de overeenkomsten ook na 1 januari 2006 worden voortgezet onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie als thans het geval is, in ieder geval totdat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan. 33. Zoals ik net heb betoogd zijn eisers primair van mening dat artikel 2.5.2 lid 2 I&A onverbindend is, althans niet toepasselijk is. De met de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden blijven dan ook gewoon van kracht. Het volgende deel mijn betoog geldt dan ook slechts indien Uw Voorzieningenrechter anders zou oordelen. Subsidiaire vordering: pakketvergelijking 34. Zoals in de dagvaarding al is gesteld, noopt artikel 2.5.2 lid 2 gedaagden tot het maken van een pakketvergelijking voor landen waarin zij cliënten hebben wonen die op grond van Verordening of Verdrag aanspraak kunnen maken op het woonpakket. Zomaar beëindigen kan dus niet. Uit de wet vloeit voort dat er moet worden vastgesteld welk deel van de overeenkomsten die de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden met gedaagden hebben gesloten gelijkwaardig is aan de Spaanse zorgpakketten en welk deel niet. Alleen dan is duidelijk in hoeverre deze overeenkomsten in stand blijven. 35. Dit is ook aan de orde geweest in het spoeddebat van 6 december in de Tweede Kamer. De Minister van VWS verklaarde tijdens dat debat dat de huidige verzekeringen tot de pakketvergelijking gecontinueerd zouden moeten worden: Wij meenden dat het contract als geheel misschien wel uitgehold zou worden, maar dat het niet tot in de kern aangetast zou worden en dat het dus op de een of andere manier zou voortduren. Het contract moet dan weliswaar aangepast worden, maar de verzekerde moet erop kunnen rekenen dat het voortduurt.[3] De contractrelatie zal niet worden opgezegd voordat er sprake is van een nieuwe verzekering. De zorgverzekeraars hebben natuurlijk wel even tijd nodig om na te gaan in welke landen ze wat moeten aanbieden.[4] (onderstreping van mij, procureur) 36. In dit debat verklaarde de Minister van VWS dat de huidige overeenkomsten door de verzekeraars zouden worden gecontinueerd totdat duidelijk bestaat over welk deel van deze overeenkomsten zal vervallen. Het is aan de verzekeraars als professionele marktpartijen om deze duidelijkheid te verschaffen. Daarvoor zullen zij een pakketvergelijking moeten maken. Zorgverzekeraars Nederland, de koepelorganisatie van de Nederlandse zorgverzekeraars, deelt dit standpunt in een zeer recente brief aan de Tweede Kamer (productie 15). Zorgverzekeraars Nederland stelt daarin – kort gezegd - dat de Zorgwet de verzekeraars voor de opdracht plaatst om per EU- en Verdragsland een verzekering te ontwerpen die het gat vult tussen het woonlandpakket en de huidige door hen gesloten overeenkomsten. 37. Ik benadruk het hier nog eens: de pakketvergelijking betekent in het geval van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden dat gedaagden de 17 verschillende zorgpakketten van de 17 autonome regio’s met de door hen met de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden overeenkomsten moeten vergelijken. Uit deze vergelijking moet blijken welke rechten gelijkwaardig zijn in de zin van artikel 2.5.2 lid 2 I&A en welke niet. Het maken van de pakketvergelijkingen zal gedaagden veel tijd kosten. Zij zullen de vergelijking onmogelijk voor 1 januari 2006 gemaakt kunnen hebben. Eisers verzoeken U als Voorzieningenrechter daarom de situatie te “bevriezen” tot gedaagden de pakketvergelijking hebben gemaakt. Gedaagden dienen de huidige overeenkomsten tot een jaar nadat de pakketvergelijking gereed is op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie gestand te doen als thans het geval is, althans de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden een nieuwe overeenkomst aan te bieden op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie als thans het geval is, althans aanspraken te honoreren alsof de huidige overeenkomsten nog bestonden. Beëindiging of wijziging lopende overeenkomsten in strijd met de goede trouw (nader uit te werken) 38. Gedaagden hebben de huidige overeenkomsten van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden opgezegd. Dat blijkt klip en klaar uit de opzeggingsbrieven die zij hebben verstuurd. Voorzover zij betogen dat hun nieuwe aanbod inhoudt met zich brengt dat er niet is opgezegd, wijzigen zij de overeenkomsten op zeer vergaande wijze: de premie voor een normale dekking wordt verveelvoudigd. Deze opzegging of wijziging is naar de mening van eisers echter in strijd met de goede trouw. Gedaagden mogen van deze bevoegdheid dan ook geen gebruik maken. 39. Daarbij is van groot belang dat het hier gaat om verzekeringsovereenkomsten. Deze overeenkomsten worden in hoge mate worden bepaald door de goede trouw: bij een verzekeringsovereenkomst gelden verscherpte eisen van de redelijkheid en billijkheid. Deze eisen moeten gedaagden bij een opzegging of wijziging in acht nemen. De aard van de ziektekostenverzekeringen en de belangen van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden moeten daarbij in dit geval een doorslaggevende rol spelen. Deze verzekeringen zijn cruciaal voor de bescherming van hun gezondheid, zodat zij een zeer groot belang hebben bij voortzetting daarvan. Het enige belang dat gedaagden stellen te hebben voor de astronomische verhoging van de premies, is dat men anders “verlies lijdt op deze groep polissen”. De redelijkheid en billijkheid brengen daarnaast met zich dat gedaagden terughoudend moeten zijn in het gebruiken van een opzeg- of wijzigingsbevoegdheid, omdat de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden niet te kwader trouw zijn. 40. Een zorgvuldige belangenafweging leidt er derhalve toe dat de belangen van de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden in casu doorslaggevend zijn: de belangen van gedaagden zijn niet voldoende zwaarwegend om op te zeggen of te wijzigen. De huidige overeenkomsten dienen dan ook na 1 januari 2006 te worden voortgezet op dezelfde premie en tegen dezelfde voorwaarden als thans het geval is. Conclusie 41. Geconcludeerd moet worden dat gedaagden zeer onzorgvuldig zijn geweest. Er is daardoor een zeer onduidelijke situatie ontstaan: de in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden weten niet waar ze aan toe zijn. Eerst werd hun bericht dat hun verzekeringen werden beëindigd. Nu wordt hen bericht dat zij slechts een volledige dekking kunnen krijgen bij een nieuwe verzekering tegen torenhoge premies. Alleen Achmea biedt nog de mogelijkheid om de huidige overeenkomst te laten voortduren. Niemand weet daarbij echter waar de dekking uit bestaat. Dat moeten de verzekerden zelf maar uitzoeken Alleen deze onduidelijkheid rechtvaardigt op zich al de toewijzing van de vorderingen van eisers. De in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden mogen daar niet de dupe van worden. 42. De juridische onderbouwing van de vorderingen van eisers is glashelder: eisers zijn primair van mening dat artikel 2.5.2. lid 2 I&A onverbindend, althans niet van toepassing, is. De huidige overeenkomsten zullen na 1 januari 2006 dan ook gewoon volledig rechtsgeldig zijn: er zal niets vervallen. Subsidiair zijn eisers van mening dat, indien artikel 2.5.2. lid 2 I&A de overeenkomsten wel zou kunnen raken, gedaagden deze overeenkomsten dienen op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie dienen voort te zetten als thans het geval is. [2] [Uitspraak nog bekijken] [3] Verwijzing naar parlementaire geschiedenis. [4] Verwijzing naar parlementaire geschiedenis.
Deze pagina is laatst gewijzigd op 30-01-2008 om 16:24.
|
|