|
Stichting verlies kort geding
Vonnis in kort geding van 25 januari 2006 gewezen in de zaak met rolnummer KG 05/1551 van: 1. de stichting Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland, gevestigd te 's-Gravenhage, 2. prof dr. Petrus Franciscits Maas, wonende te La Nucia, Spanje, 3. Gerardus Johannes Annink, wonende te Pego, Spanje, 4 Albert Kiffen, wonende te La Nucia, Spanje, eisers, procureur mr. P.V.F. Bos, advocaten mrs. P.V.F. Bos en J. Braaksma te 's-Gravenhage,
tegen:
1. de naamloze vennootschap Achmea Zorgverzekeringen N. V., gevestigd te Noordwijk, 2. de naamloze vennootschap OHRA Ziektekostenverxekeringen N.V., gevestigd te Arnhem, 3. de naamloze vennootschap Delta Lloyd Zorgverzekeringen N. V,, gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagden, procureur gedaagde sub 1 mr. HJ.A. Knijff, advocaat gedaagde sub 1 mr. AJ.H.W.M. Versteeg te Amsterdam, procureur gedaagden sub 2 en 3 mr. J, Ekelmans.
Eisers zullen hiema wederom worden aangeduid als respectievelijk BNGB, Maas, Annink en Kiffen; gezamenlijk aan te duiden als BNGB c.s. Gedaagden worden wederom aangeduid als respectievelijk Achmea, OHRA en Delta Lloyd, en gezamenlijk als Achmea c.s.
1. Het (verdere) verloop van de procedure In het tussenvonnis van 30 december 2005 (hierna lhet tussenvonnis') in dit kort geding is onder meer bepaald dat Achmea c.s., kort gezegd, nadere informatie dienen te verschafTen over de vcntnderingcn in dc polissen van hun respectieve verzekerden Kiffen, Maas en Annink ten aanzien van dekking en jaarpremie. Met een brief van 10 januari 2006 heeft de advocaal van Achmea nadere informatie verschaft. De procureur van OHRA en Delta Lloyd heeft met een brief van 11 januari 2006 nadere informatie verschaft. Op de zitting van 13 januari 2006 hebben partijen hun standpunten verder doen toelichten. Het eindvonnis is bepaald op heden.
2. De (verdere) feiten
Voor zover uit het navolgende niet anders blijkt, gelden de in het tussenvonnis vermelde feiten als hier overgenomen. Voor het overige wordt op grond van de (verdere) stukken en het nader ter zitting verhandelde van het volgende uitgegaan.
Achmea en Kiffen
2.1. Tot 1 januari 2006 was Kiffen bij Achmea verzekerd op basis van een zogeheten standaardpakketpolis. Tussen hen bestond een overeenkomst van standaardverzekering als bedoeld in de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998, die per I januari 2006 is ingetrokken. 2.2. Bij de onder 1 genoemde brief van 10 januari 2006 van de advocaat van Achmea zijn onder meer de voorwaarden van de zogeheten Wereldpolis 2005 en de Wereldpolis 2006 gevoegd. Beide sets voorwaarden bevatten onder meer de volgende bepaling; '5.3 Samenloop Indien u - als de in deze voorwaarden bedoelde verzekering niet bestond - aanspraak zou kimnen maken op vergoeding van schade respectievelijk kostcn op grond van enige andere verzekering, al dan niet van oudere datum, is deze verzekering pas in de laatste plaats geldig. In zo'n geval zal alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komen die het bedrag te boven gaat waarop u elders aanspraak zou kunnen maken.' 2.3. Verder vermeldt die brief dat Kiffen in 2003 nog niet bij Achmea verzekerd was en dat zijn premie: a. in 2004 € 1.9207- per jaar bedroeg; b. in 2005 € 1,807,68 per jaar bedroeg; c. in 2006 € 1.585,— per jaar bedraagts indien hij een 'Wereldpolis' afsluit die 'dekking [biedt] boven de aanspraak die in het woonland bestaat, zodat dus sprake is van een aanvullende verzekering,' 2.4. Achmea heeft haar verzekerden die tot 1 januari 2006 verzekerd waren op grond van een standaardpakketpolis of een 'maatschappijpolis7, begin januari 2006 een standaardbrief gestuurd die onder meer het volgende vermeldt: 'Wanneer u was verzekerd op een Standaardpakketpolis dan is uw gehele verzekering van rechtswege gefcindigd op 31 december 2005. Wij hebben echter besloten u op dezelfde wijze te behandelen als een verzekerde met een gewone maatschappijpolis, DC nieuwe polis treft u bijgaand aan. De nieuwe polisvoorwaarden sluiten aan op de voorwaarden van de Wereldpolis.[..] Gevolgen voor uw polis Indien u in uw woonland aanspraak hebt op zorg (woonlandpakket), dan blijft uw polis alleen bestaan voor zorg die in uw woonland niet gedekt is. [,.] Alternatief Als u geen gebruik wilt maken van de dekking in uw woonland willen wij u vragen om dat schriftelijk aan ons te bevestigen. Hiermee maakt u kenbaar dat u met ons een nicuwe verzekeringsovereenkomst wilt sluiten onder de voorwaarden van de Wereldpolis zoals die gelden na 1 januari 2006 en dat uw bestaande verzekering wilt beëindigen. In dat geval gaat u de reguliere Wereldpolispremie betalen.
OHRA en Maas
2.5. De dekking die OHRA aan Maas heeft aangeboden voor 2006 is nagenoeg gelijk aan de dekking die hij in 2005 had. 2.6. Uit een overzicht gevoegd bij de onder 1 genoemde brief van 11 januari 2006 van de procureur van OHRA en Delta Lloyd blijken voor de achtereenvolgende jaren deze premies voor Maas: - 2003:€ 4.047,12 per jaar; - 2004: aanvankelijk € 4.414,20 per jaar, later € 5.142,72 per jaar - 2005: € 5.592,48 per jaar; - 2006: € 5.473,08 pe rjaar.
Delta Lloyd en Annink
2.7. De dekking die Delta Lloyd aan Annink en diens partner heeft aangeboden voor 2006 is in beginsel ruimer dan de dekking die zij in 2005 hadden. Verder is hun eigen risico in 2006 in beginsel lager, namelijk nihil, Inmiddels hebben zij echter ook de mogelijkheid om voor een minder niime dekking of een (hoger) eigen risico te kiezen. 2.8. Blijkens een bij de brief van 11 januari 2006 van de procureur van OHRA en Delta Lloyd ingesloten overzicht gelden voor de achtereenvolgende jaren deze premies voor Annink: - 2002: € 2.287,92 per jaar; - 2003: € 2.608,20 per jaar; - 2004: € 2,876,04 per jaar; - 2005: € 3249,96 per jaar, - 2006: € 6.071,28 per jaar of- met minder ruime dekking -€ 5.255528 per jaar. 2.9. Tot en met het jaar 2005 vermeldt dit overzicht dezelfde premies voor de partner van Annink. Voor 2006 wordt voor haar een premie vermeld van € 4.928J6 per jaar, of - met minder ruime dekking - € 4.112,76 per jaar.
3. De verdere beoordeling van het geschil 3.1. Ook ten aanzien van de beoordeling van het geschil geldt hetgeen in het tussenvonnis is vermeld, als hier overgenomen, tenzij uit het navolgende anders blijkt. 3.2. Achmea heeft op goede grond de aandacht gevraagd voor twee passages in het tussenvonnis (in de onderdelen 4.1 en, daarop voortbouwend, 4.9) waarin ala vaststaand wordt aangenomen, kort gezegd, dat (ook) zij voor haar verzekerden in dit kort geding dus in het bijzonder haar verzekerde Kiffen - met ingang van 1 januari 2006 een veel hogere premie berekent voor een dekking die met groter is dan die van v66r deze datum. Op dit punt dient (thans) te worden uitgegaan van hetgeen dienaangaande is vermeld in de onderdelen 2.1-4 van dit vonnis, nu Kiffen de juistheid daarvan niet heeft betwist. De daar vermelde premie voor 2006, ten bedrage van € 1.585,-, betreft dus in beginseJ de aanvulhnde dekking bovenop de zogenoemde woonlanddekking. Dit laatste bedrag is inderdaad lager - en dus niet (veel) hoger - dan dat van de premie voor Kiffen in 2005. In zoverre behoeven de desbetreffende vermeldingen in het tussenvonnis correctie, althans nuancering. Van belang is echter ook dat Kiffen in totaal m66r moet betalen. Bovenop het bedrag van € 1-585,- komt immers de bijdrage van circa € 850,- die hij op grond van artikel 69 lid 2 van de Zorgverzekeringswet verschuldigd is, Daar komt bij dat hij bij de eerste en de tweede behandeling van dit kort geding onweersproken heeft gesteld dat hij voor een algehele dekking - los van het woonlandpakket - aanzienlijk meer zal rnoeten betalen dan de tot 1 januari 2006 in rekening gebrachte premie. Daarbij verdient uiteraard wel opmerking dat deze algehele dekking mogelijk veel ruimer is dan die volgens de standaardpakketpolis van vóór 1 januari 2006. 3.3. Het onder 3.2 vermelde betekent niet dat Kiffen geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Op zijn minst genomen verkeerde hij vóór het aanspannen van dit kort geding in onzekerheid op allerlei punten waarin dit kort geding meer duidelijkheid heeft verschaft Hij had en heeft een spoedeisend belang bij het verkrijgen van die duidelijkheid. 3.4. Met partijen wordt aangenomen dat artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet zich niet verzet tegen het bestaan van een particuliere zorgverzekering tussen een verzekeraar en een in het buitenland wonende Nederlander die een 'volledige' dekking biedt, welke ook de voorzieningen omvat waarop de betrokken verzekerde recht heeft volgens het woonlandpakket, waarvoor hij dan de eerder vermelde bijdrage van ongeveer € 850,- dient te betalen aan het College zorgverzekeringen. De vraag die is geformuleerd aan het slot van onderdeel 4,7 van het tussenvonnis, wordt dus ontkennend beantwoord. 3.5. Uit het tussenvonnis volgt dat de vorderingen van BNGB c.s. nog op één punt getoetst moeten worden. Aan de orde is nog de vraag of Achmea c.s., door de aanbiedingen die zij, elk voor zichzelf, per 1 januari 2006 aan hun respectieve verzekerden hebben gedaan, een gebruik hebben gemaakt van hun contractuele positie dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan deze vraag in elk geval voor anderen dan de in persoon optredende eisers niet positief worden beantwoord. De omstandigheden van individuele, in het buitenland wonende, verzekerden van Achmea c.s. blijken zozeer van elkaar te kunnen verschillen dat het niet verantwoord is om in dit kort geding een dergelijk (generiek) oordeel te geven ten aanzien van personen over wie geen verdere gegevens bekend zijn. Dit betekent dat de vorderingen van BNGB, die voor deze algemene groep van personen optreedt, in elk geval niet toewijsbaar zijn. 3.6. De hier aan de orde zijnde toetsingsmaatstaf ("naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar'*) is naar zijn aard een beperkte. Alleen bij klaarblijkelijke strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is er plaats voor ingrijpen van de rechter. Terughoudendheid is temeer geboden in een kort geding, waarin slechts plaats is voor een beperkt onderzoek en een daarop gebaseerd voorlopig oordeel. 3.7. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de aanbiedingen die Achmea c.s. tijdens de voortgezette behandeling van dit kort geding hebben gedaan aan hun respectieve verzekerden Kiffen, Maas en Annink, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De nieuwe premies (met inbegrip van de bijdragen van ongeveer € 850 — op grond van artikel 69 lid 2 van de Zorgverzekeringswet) zijn weliswaar hoger dan de ten laste van deze eisers gekomen premies van voor 1 januari 2006, maar - gelet ook op hetgeen is gebleken omtrent de omvang van de dekkingen van voor en na 1 januari 2006 - niet in zodanige mate dat deze verzekeraars op dit punt klaarblijkelijk in strijd met de voormelde eisen handelen. Hieraan doet niet af dat de aanbiedingen nog niet op alle onderdelen volkomen duidelijk zijn. In het bijzonder de aanbieding van Achmea roept nog vragen op. Dit betreft vooral de reikwijdte van de aanvullende dekking en de betekenis, in dat verband, van de geciteerde samenloopbepaling van artikel 5.3 van haar Wereldpolis. In het bijzonder is niet aanstonds duidelijk in welke gevallen gezegd kan worden dat de voorzieningen van de Wereldpolis 2006 gelijkwaardig zijn aan die van het woonlandpakket. Ten aanzien van één belangrijk punt heeft Achmea ter zilting echter wel duidelijkheid geboden; zij heeft met zoveel woorden verklaard dat de mogelijkheid van vrijehuisartskeuze, die in het woonlandpakket ontbreekt, voor Kiffen binnen het geoffreerde (aanvullende) pakket van de Wereldpolis 2006 valt. Deze verklaring wettigt de verwachting dat Achmea in de praktijk een voor de verzekerden welwillende uitleg van de samenloopbepaling zal geven. Opmerking verdient voorts dat de hier bedoelde onduidelijkheid mede het gevolg is van de nieuwe wetgeving, in samenhang met de Internationale regelgeving op dit punt. 3.8. De onder 3.7 vermelde conclusie geldt ook voor Annink, die blijkens het onder 2.8 weergegeven overzicht wordt geconfronteerd met een premieverhoging van ongeveer 50% (voor het jaar 2006 in vergelijking met 2005, waarbij wordt uitgegaan van het maximale eigen risico in 2005). Ten aanzien van hem is van belang dat Delta Lloyd bij de voortgezette behandeling van dit kort geding heeft toegezegd de premieverhoging in het jaar 2006 te beperken tot 25%. Eventuele latere premieverhogingen vallen buiten de reikwijdte van dit kort geding. 3.9. Reeds hierom bestaat dus ook geen grond voor toewijzing van de primaire onderdelen van de vorderingen van Kiffen, Maas en Annink. Ook hun subsidiaire vorderingen falen. Er bestaat geen grond voor het (voorshands) gelijk blijven van de premies, noch voor een dergelijke maatregel in afwachting van een (nadere) pakketvergelijking. 3.10. De kosten van dit kort geding zullen tussen partijen worden gecompenseerd in deze zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Gegeven de nadere uitleg en toezeggingen van de zijde van de gedaagden na de dagvaardingen en in de verdere loop van dit kort geding, zijn alle partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld te beschouwen. 4 De beslissing
De voorzieningenrechter: wijst de vorderingen af; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gevvezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tussenvonnis kort geding tegen verzekeraars
VONNIS van 30 december 2005
RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter
Vonnis in kort geding van 30 december 2005, gewezen in de zaak met rolnummer KG 05/1551 van:
1. de stichting Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland, gevestigd te 's-Gravenhage, 2. prof, dr. Petrus Franciscus Maas, wonende te La Nucia, Spanje, 3. Gerardus Johannes Annink, wonende te Pego, Spanje, 4. Albert Kiffen, wonende te La Nucia, Spanje, eisers, 's-Gravenhage tegen: 1. de naamloze vennootschap Achmea Zorgverzekeringen N. V. gevestigd te Noordwijk, 2. de naamloze vennootschap OHRA Ziektekostenverzekeiingen N.V., gevestigd te Arnhem, 3. de naamloze vennootschap Delta Lloyd Zorgverzekeringen N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagden, procureur gedaagde sub 1 mr. H.J.A. Knijff, advocaat gedaagde sub 1 mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam, procureur gedaagden sub 2 en 3 mr. J. Ekelmans.
Eisers zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk BNGB, Maas, Annink en Kiffen gezamenlijk aan te duiden als BNGB c.s. Gedaagden zullen worden aangeduid als respectievelijk Achmea, OHRA en Delta Lloyd; gezamenlijk aan te duiden als Achmea c.s.
1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 december 2005 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. BGNB is op 13 december 2005 opgericht Zoals uit de statuten blijkt heeft BGNB ten doel - zakelijk weergegeven - het behartigen van de belangen van hen die in het buitenland woonachtig zijn en in hun belangen dreigen te worden aangetast door de al dan niet dreigende be^indfging van hun Zorgverzekeringen. 1.2. Maas, Annink en Kiffen wonen in Spanje en zijn - thans - particulier verzekerd respectievelijk bij OHRA, Delta Lloyd en Achmea voor ziektekoten op grond van zogenoemde buitenlandpolissen. 1.3. Artikel 1 lid I I van de thans geldende polisvoorwaarden van OHRA bepaalt dat OHRA het recht heeft om de voorwaarden van en/of de premie voor de lopende (buitenland)polissen en bloc te wijzigen. Voor zover het niet gaat om een premieverlaging of een verruiming of verbetering van de voorwaarden heeft de verzekerde in dat geval het recht om de verzekering te beëindigen. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 11 van de huidige polisvoorwaarden bij de buitenlandpolis van Delta Lloyd, In de polisvoorwaarden van Achmea is eveneens een soortgelijke, zogenoemde en Wooclausule opgenomen. 1.4. Begin december 2005 hebben OHRA, Achmea en Delta Lloyd respectievelijk aan Maas, Kiffen en Annink aangekondigd dat hun zieftekostenverzekeringen per 1 januari 2006 geheel worden beëindigd. 1.5. OHRA heeft haar verzekerde GJ.J. Wernink een aanbod gedaan voor een nieuwe zorgverzekering (met buitenlanddekking) per 1 januari 2006 met een premie van € 456,09 per maand. 1.6. Bij brief van 15 december 2005 heeft Delta Lloyd aan Annink en diens partner eveneens een aanbod gedaan voor een nieuwe buitenlandpolis per 1 januari 2006 met een premie van in totaal € 916,67 per maand.
2. Het wettelijk kader 2.1. Krachtens de Spaanse nationale wetgeving hebben Maas, Annink en Kiffen in Spanje recht op bescherming van de gezondheid en medische verzorging. Zij kunnen aldus aanspraak maken op de in Spanje publiek verzekerde zorg. 2.2. Artikel 28 van Verordening EEG nr. 1408/71 (Verordening betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; hierna: "de Verordening") luidt - voor zover in dit kort geding relevant - als volgt: "De rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minstc één van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde." Artikel 28 bis van de Verordening bepaalt verder: "Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, woont op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeiing waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokkcn rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd." 2.3. Met ingang van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 zijn particulier verzekerden (in beginsel) op grond van artikel 28 van de Verordening in hun woonland verzekerd voor ziektekosten. Zij hebben in dat geval recht op het zogenaamde "woonlandpakket", het wettelijke ziektekostenpakket van het woonland. 2.4. Artikel 69 van de Zorgverzekeringswet bepaalt - onder meer - het volgende: "1. In het buitenland wonende personen en hun gesinsleden, die met inachtneming van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige Verordening krachtem de overeenkomst betreflfende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College voor Zorgverzekeringen aan. 2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd." 2.5. Artikel 2.52 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Invoerings- en aanpassingswet) bepaalt het volgende: "Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor of met een in het buitenland wonende verzekerde die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wet toepassing van zodanige Verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van het woonland, vervalt met ingang van 1 januari 2006, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat tijdstip met toepassing van zodanige verordening of verdrag aan de betrokkene toekomen, mits de verzekerde voor 1 mei 2006 heeft voldaan aan de verplichting tot aanmelding bij het College voor Zorgverzekeringen ingevolge artikel 69 van de Zorgverzekeringswet."
3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer BNGB c.s, vorderen - zakelijk weergegeven - Achmea c.s. te gebieden de bestaande verzekeringsovereenkomsten van Nederlanders die ingezetenen van Spanje zijn, op straffe van een dwangsom voort te zettens althans hun een gelijkwaardige verzekeringsovereenkomst aan te bieden, onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie, en wel (primair) totdat de bodemrechter uitspraak zal hebben gedaan en (subsidiair) tot een jaar nadat een pakketvergelijking is gemaakt. Daartoe voeren BNGB c.s, (onder meer) het volgende aan. In verband met de inerkingtredmg van het nieuwe zorgstelsel hebben Achmea c.s. in eerste instantie aangekondigd de zorgverzekeringen van onder anderen Maas, Annink en Kiffen te beëindigen. In de visie van Achmea c.s, noopt de Zorgverzekeringswet tot deze beëindiging omdat Maas, Annink en Kiffen met ingang van 1 januari 2006 op grond van de Verordening verzekerd zijn in Spanje. Inmiddels zijn Achmea c.s, alsnog bereid gebleken om de desbetreffende overeenkomsten (gedeeltelijk) voort te zetten, echter tegen een veel hogere premie. Artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet maakt op ontoelaatbare wijze inbreuk op het in artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag tot beschermmg van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) beschermde eigendomsrecht. Verder betogen BNGB c.s. dat de genoemde bepaling van de Invoerings- en aanpassingswet niet op Maas, Annink en Kiffen (en de andere in Spanje wonende verzekerden) van toepassing is, omdat zij niet ingevolge de Verordening maar ingevolge de Spaanse nationale wet in Spanje voor ziektekosten zijn verzekerd. De invoering van het nieuwe zorgstelsel leidt dan ook niet tot beëindiging dan wel wijziging van de polisvoorwaarden van en/of de premie voor de verzekeringsovereenkomsten van in Spanje woonachtige particulier verzekerden van Achmea c.s. Tot slot stellen BGNB c.s. dat beeindiging of wijziging (op de recent aangeboden wijze) van de lopende verzekeringsovereenkomsten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, onder meer omdat Achmea c.s, daarbij volledig voorbij pan aan de belangen van hun verzekerden.
Achmea c.s. voeren gemotiveerd verweer dat hiema, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil 4.1. Achmea c.s., althans OHRA en Delta Lloyd, hebben primair betoogd dat BGNB c.s. geen spoedeisend belang bij hun vorderingen meer hebben omdat is gewaarborgd dat de verzekeringsovereenkomsten van hun in Spanje wonende verzekerden worden voortgezet. BGNB c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de invoering van het nieuwe zorgstelsel ontoelaatbaar inbreuk maakt op de thans geldende aanspraak op zorg. Nu als onweersproken vaststaat dat Achmea c.s. per 1 januari 2006, de datum waarop het nieuwe zorgstelsel wordt ingevoerd, voor die overeenkomsten in ieder geval een veel hogere premie zullen gaan berekenen, hebben BGNB c.s. - niettegenstaande de toezegging van Achmea c.s. de overeenkomsten niet te zullen beëindigen - in zoverre een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen te kunnen worden ontvangen. 4.2. BGNB treedt in dit kort geding op als belangenbehartiger van in Spanje woonachtige Nederlanders met een particuliere ziektekostenverzekering bij (onder meer) Achmea c.s. Alle partijen gaan er - voor deze procedure - van uit dat BGNB als zodanig, ingevolge artikel 3:305a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, in haar vorderingen kan worden ontvangen. Er is geen grond om ambtshalve tot een ander oordeel te komen. 4.3. BGNB c.s. hebben primair gesteld dat artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet inbreuk maakt op artikel 1 eerste protocol EVRM, hetgeen in de visie van BGNB c.s, betekent dat die bepaling onverbindend is en Achmea c.s. daaraan geen uitvoering mogen geven. Voor het aldus in kort geding buiten werking stellen van lagere regelgeving - de Invoerings- en aanpassingswet wegens strijdigheid met een hogere regeling - het eerste protocol van het EVRM is, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter en de wetgever, slechts plaats indien de desbetreffende regeling onmiskenbaar onverbindend is. In zoverre dient deze lagere regelgeving thans zeer terughoudend te worden getoetst, temeer nu de Staat der Nederianden, in zijn hoedanigheid van wetgever, geen partij is in deze procedure en het hicr een kort geding betreft, waarin slechts plaats is voor een beperkt onderzoek en een daarmee overeenkomende beperktc toetsing. 4.4. In de visie van BGNB c.s. valt de aanpassing van de verzekeringsovereenkomsten zoals beoogd door Achmea c.s. aan te merken als 'ontneming van eigendom' als bedoeld in artikel 1 van het eerste protocol EVRM. Daargelaten dat kwestieus is of de wijziging in de verzekerde aanspraken als hier aan de orde en de voorgenornen premieverhoging vallen onder het begrip 'eigendom' in de zin van deze bepaling, is het de vraag of aan BGNB c.s. in hun verhouding tot Achmea c.s. een beroep toekomt op de beschermende werking daarvan. Artikel 1 van het eerste protocol EVRM richt zich primair tot de lidstaten bij dit protocol. Niettemin is denkbaar dat hieruit een zekere verplichting voor de lidstaten voortvloeit om maatregelen te nemen teneinde ook in de onderlinge verhouding tussen burgers de bescherming van eigendom te waarborgen. In het verlengde daarvan zouden burgers in zoverre mogelijk ook jegens elkaar de beschermitig van artikel 1 van het eerste protocol EVRM kunnen inroepen. Van belang is hierbij echter ook dat dit artikel elke lidstaat met zoveel woorden het recht laat om "die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang (...)", Niet kan worden gezegd dat de Staat met de invoering van artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet buiten de aldus getrokken grenaen van artikel 1 van het eerste protocol EVRM is getreden. Te minder is dit het geval nu tussen partijen niet meer in geschil is dat artikel 2,5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet hooguit zou kunnen leiden tot 'beëindiging' van de lopende verzekeringsovereenkomsten voor zover in het woonland gelijkwaardige aanspraken op zorg bestaan. Uit al hetgeen hier is overvogen volgt dat artikel 2.5,2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet niet onmiskenbaar onverbindend is. De hier besproken grondslag van de vorderingen is dus ondeugdelijk. 4.5. BGNB c.s. hebben verder betoogd dat de ziektekostenverzefceringen van de in Spanje wonende particulier verzekerden, onder wie Maas, Annink en Kiffen, met Achmea c.s. niet onder het bereik van artikel 2.5.2 lid 2 Invoerings- en aanpassingswet vallen. Daartoe voeren BGNB c.s, aan dat deze bepaling slechts ziet op verzekerden die (uitsluitend) op grond van de Verordening in het woonland, in dit geval Spanje, verzekerd zijn. Maas, Annink en Kiffen zijn, aldus BGNB c.s., echter op grond van de Spaanse nationale wet en niet ingevolge de Verordening in Spanje voor ziektekosten verzekerd. 4.6. In het midden kan blijven of deze uitleg van de Verordening juist is. Gelet op de parlementaire geschiedenis van de wetgeving met betrekking tot de invoering van het nieuwe zorgstelsel is het aannernelijk dat aan artikel 2.5.2 Hd 2 Invoerings- en aanpassingswet de bedoeling ten grondslag ligt om 'dubbele dekking' voor dezelfde zorg zoveel mogelijk te voorkomen, Daarbij voorziet artikel 69 lid 2 van de Zorgverzekeringswet in de verplichting voor de desbetreffende, in het buitenland (in dit geval Spanje) wonende verzekerde Nederlanders om aan het College voor Zorgverzekeringen een vergoeding te betalen voor de zorg die hun in hun woonland wordt verstrekt en waarvoor de Nederlandse overheid op haar beurt, ingevolge artikel 28bis van de Verordening, een vergoeding is verschuldigd aan de Spaanse overheid. Voor de toepassing van deze bepalingen is - naar voorlopig oordeel - niet van belang of die zorg krachtens de Verordening of de nationale wetgeving van het woonland is verstrekt. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat ook de verzekeringsovereenkomsten van in Spanje wonende particulier verzekerden vallen onder de reikwijdte van artikel 2.5.2 Iid 2 Invoerings- en aanpassingswet Immers ook deze verzekerden 'dreigen' dubbel verzekerd te raken vanaf 1 januari 2006 in deze zin dat zij zonder de voorziening van artikel 2.5.2 lid 2 van de Invoerings- en aanpassingswet vanaf dat moment tweemaal voor dezelfde zorg zouden moeten gaan betalen. Er is ook onvoldoende reden om op dit punt onderscheid te maken tussen zorg die in het woonland wordt verstrekt op grond van de Verordening en zorg die is of wordt verleend op grond van de daar geldonde wetgeving. 4.7. Gelet op de hier beschreven kennelijke strekking en op de letteriijke tekst van artikel 2.5.2 lid 2 Invoerings- en aanpassingswet, zou een verzekering van een in Spanje wonende Nederlander voor een basispakket aan zorg dat in algemene zin gelijkwaardig is aan het woonlandpakket in Spanje krachteloos zijn, immers (van rechtswege) vervallen. Het is echter de vraag of deze consequentie onontkootnbaar is. BGNB c.s. en (in elk geval) OHRA en Delta Lloyd lijken - overigens op uiteenlopende gronden en wat eerstgenoemden betreft in hun subsidiaire zienswijze - te kiezen voor een uitleg die de mogelijkheid van een 'dubbele' verzekering voor het basispakket (woonlandpakket) openlaat. Afgezien daarvan rijst de vraag of de wetgever werkelijk de mogelijkheid heeft willen uitsluiten dat Nederlanders die in het buitenland wonen een particuliere zorgverzekering afsluiten die voor dat basispakket tweemaal dekking biedt (en waarvoor zij dan ook dubbel moeten betalen). Op deze vragen zal in dit stadium nog geen antwoord worden gegeven. 4.8. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat de huidige overeenkomsten van Maas, Annink en Kiffen (en de overige in Spanje wonende particulier verzekerden van Achmea c.s.) op zijn minst genomen en in elk geval met een verminderde dekking worden voortgezet, namelijk voor zover deze dekking die van het 'woonlandpakket' te boven gaat. Voor dit laatste pakket betaalt de verzekerde rechtstreeks aan het College voor Zorgverzekertngen een bijdrage die blijkens mededelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ongeveer € 850,— per jaar zal bedragen. 4.9. In dit verband verdient nadere toelichting waarom Achmea c.s. voor de 'nieuwe' overeenkomsten, met een verminderde dan wel globaal gelijkblijvendedekking, met ingang van 1 januari 2006 een aanzienlijk hogere premie in rekening brengen. BGNB c.s. hebben in dit verband onweersproken gesteld dat een verdubbeling van de premie - of meer dan dat - geen uitzondering is. Achmea c.s. hebben betoogd dat deze premieverhogingen niet zijn gerelateerd aan de invoering van de Zorgverzekeringswet, maar zijn gebaseerd op de uitkomsten van nadere berekeningen betreffende het schadeverloop op polissen van Nederlanders die in Spanje (of elders buiten Nederland) wonen. Vooralsnog hebben zij, tegenover het betoog van BGNB c/s., echter onvoldoende informatie verschaft om deze stelling op haar juistheid te kunnen toetsen. Nader onderzoek op dit punt is geboden en ook rechtens relevant, nu BGNB c.s. hun vorderingen mede baseren op de stelling dat de aangeboden wijzigingen van de lopende overeenkomsten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De voorzieningenrechter begrijpt deze stelling van BGNB c.s. aldus dat zij hiermee aanvoeren dat deze vaststelling van de premies in de bestaande contractuele relaties naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook als aangenomen wordt dat de en Wooclausules (zie hiervoor onder 1.3) naar de letter genomen op dit punt een ruime mate van vrijheid aan Achmea c.s. bieden. 4.10. Alvorens zich daaromtrent een oordeel te vormen dient de voorzieningenrechter te beschikken over nadere gegevens over de wijze waarop de gewraakte premieverhogingen tot stand zijn gekomen en over het verloop van de aan Maas, Annink en Kiffen in rekening gebrachte jaarpremies in de afgelopen drie jaar alsmede over de opbouw en de precieze hoogte van de vanaf 1 januari 2006 in rekening te brengen jaarpremies. 4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de mondelinge behandeling van dit kort geding zal worden voongezet. De voorzieningenrechter zal partijen daartoe in de gelegenheld stellen om uiterlijk op 2 januari 2006 hun verhinderdata in de periode van 9 januari 2006 tot en met 20 januari 2006 op te geven. Achmea c.s.dienen de hierna te vermelden gegevens uiterlijk twee werkdagen vóór de voortzetting van de behandeling aan de advocaten van BGNB c.s. en aan de voorzieningenrechter ter beschikking te stellen. ledere verdere beslissing zalworden aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten.
5. De beslissing De voorzieningenrechter: gelast Achmea c.s. om uiterlijk twee werkdagen vóór de voortzetting van de behandeling de navolgende informatie aan de advocaten van BGNB c.s. en aan de vorzieningenrechter ter beschikking te stellen: 1. een opgave van de dekking (in algemene zin) van de 'oude', tot 1 januari 2006 geldende polissen van Maas, Annink en Kiffen; 2. een opgave van de dekking onder het regime zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2006, zowel voor alleen het aanvullende pakket - dus exclusief de dekking overeenkomstig het woonlandpakket (ingevolge de Verordening en/of de Spaanse nationale wet) - als voor het gehele pakket inclusief de dekking van gelijkwaardig aan die van het woonlandpakket; 3. een opgave van het verloop van de jaarpremies - in beide onder 2 genoemde varianten - voor Maas, Annink en Kiffen over de afgelopen drie jaren (2003 tot en met 2005) en een zo nodig gespecificeerde opgave van (de opbouw van) de aangeboden jaarpremie voor deze verzekerden met ingang van 1 januari 2006; 4. voor zover nodig andere volgens Achmea c.s. relevante feitelijke gegevens; bepaalt dat de mondelinge behandeling van dit kort geding zal worden voortgezet op een nader door de voorzieningenrechter te bepalen tijdstip in de weken 2 of 3 van 2006 en stelt partijen daartoe in de gelegenheid om uiterlijk op 2 januari 2006 hun verhinderdata in die periode aan de voorzieningenrechter op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan;
bepaalt dat tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.R.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 30 december 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.
Reactie van de Stichting BNGB op verlies kort geding:
'Nederlandse gepensioneerden hebben slechts indirect voordeel bij het door hen aangespannen proces'
De Voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank heeft de vorderingen van de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (“Stichting BNGB”) tezamen met 3 individuele polishouders in het kort geding tegen Achmea, Ohra en Delta Lloyd vandaag afgewezen.
Stichting BNGB en enkele polishouders hadden het kort geding oorspronkelijk aangespannen omdat de verzekeraars de verzekeringen die zij met in Spanje wonende Nederlandse gepensioneerden hadden gesloten, dreigden te beëindigen. Zij eisten daarom dat de polissen van 2005 op dezelfde voet worden doorgezet als nu het geval is. In de loop van het kort geding bleek echter dat de verzekeraars besloten toch een volledige en/of aanvullende dekking te bieden. De premie voor een volledige dekking werd in veel gevallen echter (soms zeer) fors verhoogd (tot ruim 300%), terwijl er grote onduidelijkheid bestond over de inhoud van de aanvullende dekking. Tijdens het kort geding verlaagden Ohra en Delta Lloyd de premieverhogingen enigszins en boden alle verzekeraars iets meer duidelijkheid over de aangeboden dekking. Zij gaven ineens aan dat de vrije artskeuze daar in elk geval onder zou vallen.
De Voorzieningenrechter heeft nu geoordeeld dat de aanbiedingen zoals de verzekeraars die in de loop van het kort geding hebben verbeterd, niet onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. In het bijzonder meent de Voorzieningenrechter dat de nieuwe premies (met inbegrip van de bijdragen van ongeveer € 850 op grond van (…) de Zorgverzekeringswet [noot voor redacties: € 850 als bijdrage is een kennelijke misslag in het vonnis; dit moet zijn ruim 5.000] niet in zodanige mate hoger zijn dan vóór 1 januari 2005 dat Achmea, Ohra en Delta Lloyd klaarblijkelijk in strijd met de (redelijkheid en billijkheid) handelen.
Ook heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat Achmea op één belangrijk punt op de tweede zitting duidelijkheid heeft geboden met haar toezegging vrije huisartskeuze, die in het ziekenfondspakket in Spanje ontbreekt, binnen het aanvullende pakket van de Wereldpolis 2006 valt. Op basis hiervan verwacht de Voorzieningenrechter in de praktijk dat Achmea een voor haar verzekerden ”welwillende uitleg” van de polis zal geven. Tot slot is uit het vonnis vermeldenswaard dat de Voorzieningenrechter met instemming noteert dat Delta Lloyd haar eerder in een individueel geval aangezegde premieverhoging van 50% [noot voor redacties: dit stelt Achmea; de Stichting meent dat de bedoelde verhoging 73% bedroeg] te zullen beperken tot 25% in 2006.
“Enerzijds zijn we blij dat we met dit kort geding bereikt hebben dat de verzekeringen niet worden beëindigd, dat Delta Lloyd de aangekondigde exorbitante premieverhogingen enigszins terugdraait en dat Achmea meer duidelijkheid biedt over de aanvullende dekking. Bovendien blijkt uit het eerder op 30 december 2005 door de rechtbank gewezen tussenvonnis duidelijk dat verzekeraars niet zomaar de verzekering kunnen beëindigen. Dit laat echter onverlet dat we toch hevig teleurgesteld zijn in de uitspraak van de rechtbank. De verzekeraars voeren nog steeds forse premieverhogingen door voor een volledige dekking, terwijl zij daar geen enkele rechtvaardiging voor hebben gegeven. Ook over de door Achmea aangeboden aanvullende dekking bestaat nog steeds grote onduidelijkheid. Wij zijn nog steeds van mening dat de verzekeraars duidelijk moeten maken en aan moeten tonen waar de dekking precies uit bestaat en waarom de premie zo wordt verhoogd. Verzekerden tasten nog steeds in het duister waarvoor zij wél en waarvoor zij niet verzekerd zijn. Een zwart gat in de dekking blijft daarmee bestaan”, aldus de voorzitter van Stichting BNGB, de heer C. van der Wiel.
De Stichting BNGB verwacht op korte termijn mededelingen te kunnen doen over haar verdere processtrategie mede in het licht van de uitspraak van de Voorzieningenrechter te Den Haag. Voor nadere inlichtingen kunt u contact opnemen met de voorzitter van de Stichting BNGB, de heer C. van der Wiel (tel: 00-34-96-5848446). Voor nadere inlichtingen omtrent dit vonnis kan mencontact opnemen met mr. P.V.F. Bos van BarentsKrans Advocaten Notarissen (tel: 070 - 37 60 675).
Print dit artikel
|