|
Bijdrage van het forumlid Jan Börger:
Wat te doen om de doelstellingen van de ICNG te verwezenlijken?
Al enige maanden zijn velen bezig processen voor te bereiden en te voeren om de rampspoed, die de Zvw over o.a. de “Nederfransen” dreigt af te roepen, te keren. Velen van hen hebben hun terechte bijdrage aan de ICNG inmiddels voldaan. Het lijkt mij daarom goed om de doelstellingen van de ICNG, Internationale Club van Nederlandse Gepensioneerden, aan de vooravond van “het proces tegen de Staat”, eens af te zetten tegen de immense hoeveelheid materiaal die door velen van ons op het forum van Wonen en leven in Frankrijk is aangereikt.
Doelstellingen van de ICNG:
- Afschaffing van de AWBZ-betaalverplichting voor alle Nederlanders die in een aangesloten woonland wonen.
- Handhaving van de mogelijkheid dat deze Nederlanders zich voor de AWBZ vrijwillig kunnen verzekeren.
- Extra maatregelen om per woonland de negatieve consequenties van het nieuwe zorgstelsel op te heffen.
- Hier dient volgens velen onder ons nog een vierde punt aan te worden toegevoegd: verdragsplicht vervangen door verdragsrecht.
Het is zeker niet mijn bedoeling om met het onderstaande een waterdicht “bewijs” te construeren. Ik probeer alleen maar "argumenten" en uitspraken te gebruiken die misschien bij een proces minister H. uit balans kunnen brengen. Tenslotte is hij uitsluitend politiek geëngageerd, en zal de EU, het Hof, of wat dan ook hem worst zijn, zolang hij zijn politieke zin maar krijgt. Zoals bekend is en blijft zelfs een fatsoenlijk verlopend proces een (politieke) loterij, waarbij partijen de rechter trachten te behagen.
De juridische bruikbaarheid en haalbaarheid van mijn “stellingen” moeten de juristen die zich met de voorbereidingen naar (diverse?) processen (gaan) bezighouden maar vaststellen.
Zvw-plicht en AWBZ-plicht volgen uit de nationale wetgeving? Nee!
Wie zijn Zvw-plichtig?
HOOFDSTUK 2 van de Zvw: “De plicht tot het sluiten van een zorgverzekering” zegt hierover: “§ 2.1. De verzekeringsplicht Art. 2. [Geschiedenis: MvT + bis; versie 16 juni 2005; Stb. 2005, 525] -1. Degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico. -2. In afwijking van het eerste lid is niet verzekeringsplichtig: a. de militaire ambtenaar in werkelijke dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid juncto vierde lid, onderdeel a, van de Militaire ambtenarenwet 1931, alsmede de militair aan wie buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten is verleend; b. de natuurlijke persoon die op grond van artikel 64, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen is ontheven van de verplichtingen opgelegd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. -3. Degene die het gezag over een minderjarige jonger dan 18 jaar uitoefent, een curator, een bewindvoerder of een mentor als bedoeld in de titels 16, 19 of 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zorgt ervoor dat de minderjarige verzekeringsplichtige, dan wel de onder curatele, bewind of mentorschap gestelde verzekeringsplichtige, krachtens een zorgverzekering verzekerd is.”
Conclusie: Niet van rechtswege verzekerd voor de AWBZ, niet Zvw-plichtig.
Wie zijn AWBZ-plichtig?
HOOFDSTUK II van de AWBZ: “Kring der verzekerden” zegt hierover: “Art. 5. [Geschiedenis: Stb. 1998, 203; Stb. 1999, 30; Stb. 2000, 338; Stb. 2000, 496; Stb. 2001, 23] -1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die: a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. -2. In afwijking van het eerste lid zijn vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, niet verzekerd. -3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. In die algemene maatregel van bestuur kan aan het College zorgverzekeringen worden opgedragen op een aanvraag van een belanghebbende die bij de algemene maatregel van bestuur van de verzekering ingevolge deze wet is uitgezonderd, een verklaring af te geven dat hij niet verzekerd is. [Bubkvv99] [BzA] -4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding worden gegeven aan de kring der verzekerden, voor zover het betreft: [Bubkvv99] [BzA] a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht; b. vreemdelingen die, na in Nederland rechtmatig verblijf te hebben genoten als bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.”
Conclusie: Niet loonbelastingplichtig in Nederland, niet AWBZ-plichtig.
Opheffen AWBZ-plicht 01-01-2000; KB 746 (1): Doelstelling KB 746. Brief van 3 mei 2000 van Minister aan Tweede Kamer.
“Reeds bij de wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden van 1989 heeft de regering de Tweede Kamer toegezegd de verzekeringspositie van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden te zullen heroverwegen. Redenen daarvoor waren wijzigingen in internationale regelgeving (met name Verordening (EEG) nr. 1408/71). Die heroverweging heeft uiteindelijk geleid tot het KB 746. De doelstelling van het nieuwe besluit is om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen, namelijk dat slechts diegenen die in Nederland wonen, verzekerd zijn. Zoals mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief reeds heeft aangegeven, is de consequentie van het KB 746 in het overleg met de Tweede Kamer uitvoerig aan de orde geweest. Die consequentie is, eenvoudig gezegd, dat diegenen die in een ander land gaat wonen, zich onderwerpt aan de wet- en regelgeving van dat land. Hierbij is wederom geen uitzondering voor de AWBZ gemaakt.
Europeesrechtelijke aspecten
Uit de Europese regelgeving op het terrein van de sociale zekerheid volgt dat op post-actieven, die niet langer onderworpen zijn aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, in beginsel de socialezekerheidswetgeving (inclusief de medische zorg) van toepassing wordt van hun woonland (artikel 13, lid 2, sub f) van Verordening (EEG) nr. 1408/71). Bij de totstandkoming van het KB 746 is onderkend dat men voor wat betreft de AWBZ-vervangende dekking afhankelijk is van regelingen in het woonland en dat een aantal mensen zich niet adequaat zou kunnen verzekeren. Immers, de vraag of betrokkenen ook daadwerkelijk verzekerd worden in het woonland en soortgelijke verstrekkingen aldaar kunnen genieten als voorzien in de AWBZ is afhankelijk van de voorwaarden die de wetgeving ter zake van verzekering stelt en het verstrekkingenpakket waarin de wetgeving van het woonland voorziet. Aangezien binnen de EU geen sprake is van harmonisatie van socialezekerheidswetgeving kan dat per lidstaat verschillen. Dit geeft begrijpelijkerwijs voeding aan de gedachte dat vanuit Nederland een voorziening zou moeten worden getroffen om te voorkomen dat deze mensen minder aanspraken zouden hebben dan ingezetenen van Nederland. Daar staat evenwel het volgende tegenover. In de zaak Kuusijärvi heeft het Hof bevestigd dat een nationale woonplaatsvoorwaarde mag worden tegengeworpen aan een persoon die ophoudt met werken en verhuist naar een andere lidstaat zonder dat hij in die andere lidstaat gaat werken. Recentelijk is door de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen België aanhangig gemaakt, waarin de Europese Commissie zich op het standpunt stelt dat post-actieven die hun woonplaats overbrengen naar een andere lidstaat altijd en uitsluitend onderworpen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van hun nieuwe woonland.
Conclusies (van de Minister): ………. De invoering van een algemene basisverzekering voor het tweede compartiment (dat wil zeggen ongeveer dat deel van de medische zorg dat thans door de Ziekenfondswet wordt gedekt) zou een structurele oplossing bieden, doch alleen ten behoeve van mensen die in een EU/EER-lidstaat wonen en in landen waarmee Nederland een verdrag heeft afgesloten op het terrein van de ziektekosten. Immers in dat geval ontstaan voor alle Nederlandse postactieven, dus ook voor diegenen die tot dan toe particulier verzekerd waren, in het woonland aanspraken op medische zorg volgens de desbetreffende internationale sociale zekerheidsregelingen.
Herintroductie van de verplichte AWBZ-verzekering voor in het buitenland woonachtigen.
Deze optie staat haaks op de Europese ontwikkelingen en zal ook weer leiden tot protest van mensen die juist niet verzekerd willen worden omdat zij geen premie willen betalen (dat is in 1990 op grote schaal gebeurd). Bovendien moet ermee rekening worden gehouden dat op grond van de zogeheten «sterke werking» een verplichte verzekering ingevolge de AWBZ ertoe zou leiden dat dan in het kader van sociale zekerheidsverdragen en de Europese sociale zekerheidsverordening ook de sociale uitkeringswetten weer van toepassing worden. Dat zou dan de doelstelling van het nieuwe KB vrijwel geheel te niet doen. Het geheel overziende acht ik de optie van een voortgezette vrijwillige verzekering de meest adequate.”.
Conclusies: 1. AWBZ-plicht voor postactieven is door Nederland afgeschaft in 2000. 2. KB 746 ziet een oplossing als er een basisverzekering wordt ingevoerd. Expliciet staat hier echter bij: dat wil zeggen ongeveer dat deel van de medische zorg dat thans door de Ziekenfondswet wordt gedekt. 3. Er is dus geen sprake van een basisverzekering die (een gedeelte van de) AWBZ-zorg bevat. 4. Wat let Hoogervorst om, zoals voorgesteld in de brief van zijn voorganger, een vorm van vrijwillige AWBZ te handhaven?
Brief van het Ministerie van VWS aan de heer van Esch dd. Augustus 2005 (2).
“Daarom ben ik er op uitgekomen dat de verzekeringsplicht geldt voor “Iedereen die rechtmatig in Nederland woont of in Nederland werkt en daardoor in Nederland loonbelasting betaalt”.
Conclusie: Volgens de minister van VWS: niet loonbelastingplichtig in Nederland, niet Zvw-plichtig.
Eigenstandigheid AWBZ in de Sv-wetgeving; Min. VWS 2005:
“De komst in 2006 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (mits het parlement akkoord gaat) en de Zorgverzekeringswet hebben gevolgen voor de AWBZ. Een aantal AWBZ-aanspraken gaat over naar andere regelingen. De langdurige zware zorg blijft in de AWBZ. Alle AWBZ-functies die niet direct met zorg te maken hebben verdwijnen - na toestemming van het parlement -uit de volksverzekering. Het gaat om:
1. een groot deel van de verblijfsfunctie (uit de AWBZ naar de woonsector); 2. (delen van) de huishoudelijke verzorging vallen onder de Wmo - als het parlement akkoord gaat met het wetvoorstel Wmo. 3. Op termijn gaan wellicht ook naar de Wmo: - (delen van) de ondersteunende en activerende begeleiding over - AWBZ-vervoer - diverse premieregelingen; 4. extramurale GGZ-zorg en het eerste jaar van de intramurale GGZ-zorg (uit de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet).”
Conclusies: 1. De niet direct zorg gerelateerde AWBZ-functies verdwijnen in 2006 uit de volksverzekering. 2. Er wordt een uitsplitsing gemaakt naar “Zorg” (Zvw) en “Verzorging” (Wmo). 3. Er is dus v.w.b. de niet-zorgfuncties van de AWBZ geen sprake van een link naar de Zvw! 4. De koppeling naar de verdragsgerechtigdheid (1408/71) van Zvw en AWBZ als verplicht duo in het kader van één Svw is daarmee m.i. onrechtmatig. 5. De verzorgings- en woonfuncties van de huidige AWBZ dan wel de toekomstige Wmo kunnen op vrijwillige basis verzekerbaar blijven.
Consequenties:
1. Uit het voorgaande komt m.i. voldoende naar voren dat er geen gronden in (toekomstige) nationale wetgeving te vinden zijn die in het buitenland wonende postactieven verplichten zich te verzekeren in het kader van de AWBZ en/of de Zvw. 2. Het opnemen van premieplicht voor de AWBZ en/of de Zvw voor deze postactieven in nationale wetgeving (Zvw ) staat daardoor ter discussie; zeker nu ook Vo1408/71 een dergelijke premieplicht niet oplegt. 3. Het vrijwillig verzekerbaar houden dan wel maken van de huidige AWBZ verzorgins- en woonfuncties dan wel de toekomstige Wmo kunnen op eenvoudige wijze worden gegarandeerd.
Verdragsplicht volgt uit EG-verordeningen? Nee!
Hierover zijn o.a. door Jan de Voogd, en Richard Garaud gedegen en behartigenswaardige zaken geschreven op de diverse fora. Veel van de hieronder aangehaalde zaken zijn dan ook gerelateerd aan hun bijdragen. Wel ben ik selectief te werk gegaan daar het niet mijn bedoeling is munitie voor “3en” aan te dragen.
De personele werkingssfeer van Vo1408/71 (4).
“Op grond van het arrest Pierik II wordt als vaststaand aangenomen dat pensioentrekkers onder de personele werkingssfeer van Vo1408/71 vallen (later uitgebreid tot gepensioneerde zelfstandigen), althans als ze voldoen aan de voorwaarde dat ze een pensioen krachtens een wettelijke regeling ontvangen. Latere jurisprudentie van het HvJ bevestigt dit gezichtspunt. Hoewel het Hof dit met zoveel worden zelf heeft uitgesproken, ….. voer ik de volgende twijfel aan voor de conclusie dat een pensioentrekker ook steeds onder de personele werkingssfeer van de Verordening valt. …. Voor mij staat niet bij voorbaat vast dat een pensioentrekker ook werkelijk verzekerd is onder enige in art. 1 bedoelde tak van sociale zekerheid. Immers, iemand die uitsluitend AOW geniet en niet in Nederland woont is, vanuit Nederlands recht gezien, niet verzekerd voor de AOW (de verzekering eindigt op het moment dat iemand AOW gaat ontvangen, vandaar ook dat een 65+er geen AOW-premie betaalt).”
Conclusies:
1. “Ik neig er dus toe dat het ontvangen van een pensioenuitkering niet steeds (of veeleer: juist niet) verzekerdheid voor het desbetreffende risico betekent in de zin van art. 1a. Ik merk echter op dat het begrip “verzekerd zijn” in art. 1a niet afzonderlijk wordt gedefinieerd in de Verordening. Mijns inziens gaat het om het toekennen van een recht op een prestatie indien een bepaald risico zich voordoet (al dan niet tegen betaling van een premie of bijdrage), en niet het genieten van een verstrekking of uitkering zelve na intreding van het risico.” 2. “Ik wijs er verder op dat de visie neergelegd in de beleidsregels van de SVB ten aanzien van de personele werkingssfeer niet afgeleid kan worden uit het arrest Pierik II. …. De SVB stelt dat de opname “ is geweest” in art. 2 van Vo1408/71 erop duidt dat degenen die in het verleden werknemer of zelfstandige in een lidstaat zijn geweest ook onder de personele werkingssfeer vallen van Vo1408/71. Dit staat er echter niet ……… ”. 3. “Ondanks het gegeven dat in en op grond van het arrest Pierik II het Europese Hof van Justitie degenen die een wettelijk pensioen genieten onder de personele werkingssfeer van Vo1408/71 brengt, is er m.i. reden dit laatste niet steeds aan te nemen, namelijk als er geen sprake is van verzekerd zijn krachtens enig wettelijk stelsel genoemd in art. 1a van Vo1408/71.”.
Consequenties:
1. De AOW-verzekering en andere volksverzekeringen, en dus ook de ZVW voldoen niet als wettelijk stelsel om te beoordelen of iemand werknemer of zelfstandige is in de zin van Vo1408/71 aangezien het om een stelsel voor zuiver alle ingezetenen gaat zonder enige referentie aan werknemers of zelfstandigen als zodanig.
2. De vraag of pensioentrekkers actueel verzekerd zijn is dus aan de orde (en het Hof, zoals, hierboven gezegd, beantwoordt dit onverkort bevestigend).
Brief Hoogervorst dd. 19 januari 2006 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (3).
“Mensen die geen pensioen uit het woonland ontvangen of die weliswaar wel een pensioen ontvangen maar niet verzekerd zijn in het woonland, hebben ten laste van Nederland recht op zorg, als men verzekerd zou zijn in Nederland als men in Nederland zou wonen. Deze regeling (Verordening (EEG) nr. 1408/71) leidt dus niet tot daadwerkelijke verzekering in Nederland, maar geeft wel recht op aanspraken ten laste van Nederland.”
Conclusie:
Richard Garaud merkt hierover op dat volgens de redenering van Hoogervorst Nederlanders in het buitenland:
4. die wel verzekerd zijn in het woonland, buiten de verdragsgerechtigdheid vallen. 5. Als dat niet zo is, dan klopt de brief van de minister niet en jokt hij weer. Verder valt te concluderen dat volgens de redenering van Hoogervorst Nederlanders in het buitenland: 6. die geen woonland-pensioen ontvangen verdragsgerechtigd zijn. 7. Volgens Hoogervorst leidt verdragsrecht echter niet tot verzekering via de Zvw.
Verdragsgerechtigdheid in Verordening1408/71 is v.w.b. de AWBZ niet aanwezig:
Vo1408/71 handelt in het kader van verdragsgerechtigheid over prestaties die in het woonland geleverd dienen te worden. Er worden hier concrete prestaties bedoeld waar men recht op kan laten gelden.
Conclusie: Daar er geen (verdrags)recht ontleend kan worden aan iets wat er niet is, kan nationale wetgeving geen Svw van toepassing verklaren i.h.k.v. Vo1408/71 waarvan prestaties in het woonland niet te leveren zijn. Er is dan nl. geen aanspraak geldend te maken op verdragsgerechtigheid.
De verdragsgerechtigdheid voor pensioentrekkers volgens EU1408/71 voor het hoofdstuk “ziekte en moederschap” (4).
“Verdragsgerechtigdheid in hun woonland voor pensioentrekkers, zoals bedoeld in ZVW art. 69 (zie hierna), wordt in Vo1408/71 slechts geregeld in art. 28. Artt. 27 en 28bis betreffen verzekerden onder het woonlandstelsel. Verdragsgerechtigdheid wordt omschreven in termen van rechten op verstrekkingen (en uitkeringen) ten laste van het bevoegde land naar de inhoud van een woonlandpakket. Tevens wordt voor degenen die onder art. 28 en 28 bis vallen het recht van het bevoegde land vastgelegd om een bijdrage bij de pensioentrekker te innen naar de eigen wettelijke regeling (waaraan geen specifieke voorwaarden worden gesteld, behalve (maximum) beperkingen neergelegd in Vo574/72) artikelen ). ……. Van belang is voorts dat er geen plicht is vastgelegd voor de pensioengerechtigde om van de genoemde verdragsrechten van art. 28 gebruik te maken. Evenmin wordt in deze afdeling (of elders) de bevoegde lidstaat (waaruit een pensioen wordt ontvangen) opgelegd dat een nationale wettelijke regeling verdragsgerechtigdheid verplicht wordt gesteld. Hetzelfde geldt voor het woonland. De gemeenschapswetgever heeft slechts willen voorkomen dat men als pensioentrekker onverzekerd zou kunnen raken bij vertrek naar een andere lidstaat door de rechtsbasis te leggen voor een aanspraak op verstrekkingen.”
De verdragsgerechtigdheid volgens artikel 69 ZVW in relatie tot het bovenstaande (4).
“Verdragsgerechtigdheid ex art. 69 ZVW is gebonden aan art. 28 van Vo1408/71. Het formuleert rechtsaanspraken voor pensioengerechtigden met een wettelijk pensioen uit een andere lidstaat, voorzover ze geen rechten op ziekteprestaties aan die van het woonland kunnen ontlenen (dat laatste zou eventueel ook kunnen worden gegenereerd door af te zien van toepassing van het wettelijke woonlandstelsel volgens art. 17 bis van de Verordening).. Art. 28 zelve gebiedt niet van die aanspraken gebruik te maken. De býjdrageheffing voor de aanspraken op het woonlandpakket door de bevoegde staat is neergelegd in art. 33 ZVW en door Nederland verder uitgewerkt in de Regeling Zorgverzekering. De verplichtstelling van verdragsrechten ex art. 28 vloeit niet voort uit de Verordening zelve.”
De verplichtstelling van verdragsgerechtigdheid in art. 69 ZVW (4).
“Van wezenlijk belang is hier de vraag of er een rechtsgrondslag is voor de verplichtstelling van de verdragsgerechtigdheid ex art. 28 van Vo1408/71.(Dus: “verdragsplicht”). Deze verdragsplicht is echter als zodanig niet in art. 28 vastgelegd. Dit artikel spreekt alleen van toekenning van rechten op prestaties (naar het woonlandpakket) en bevat verder een financieel toewijzingsmechanisme (toewijzing aan de bevoegde staat) en een regel om de bevoegde staat te bepalen indien men uit meer landen wettelijke pensioenen ontvangt. Niets in dit artikel of elders in de verordening wijst erop dat pensioentrekkers verplicht zijn die rechten uit te oefenen. Het zou nog mogelijk zijn dat er elders, buiten Vo1408/71, nog een andere rechtsgrondslag in het Europese recht te vinden is die de verplichtstelling ondersteunt of voorschrijft. Dit is niet het geval.”
Consequenties: 1. De noodzakelijke rechtsgrondslag voor verdragsplicht zoals de ZVW deze in art. 69 is vastgelegd is niet te vinden in Vo1408/71, noch elders, bijvoorbeeld in het EU-verdrag. 2. Evenmin is deze in de nationale toepasselijke wetgeving van woonstaten terug te vinden. 3. De door Nederland ingevoerde verdragsplicht schendt bepaalde beginselen van de EU, in het bijzonder het recht op vrij verkeer van personen.
Bijdrageplicht over het (wereld)inkomen bij effectuering van verdragsrecht? Nee!
De relevante passage uit Artikel 33 van Vo1408/71 die handelt over bijdrageplicht luidt: “Bijdragen of premies voor rekening van pensioen- of rentetrekkers:
Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de verstrekkingen te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de verstrekkingen krachtens de artikelen 27, 28, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van genoemde Lid-Staat komen.”
Conclusie Richard Garaud: Er staat “Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is”. Er staat niet : “Een orgaan in een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is”.
Hof van Justitie op 16 januari 1992 aangaande aanvullende pensioenregelingen (5):
“Het Hof van Justitie …… in tegenstelling tot het standpunt van de Commissie in deze zaken, heeft gesteld dat de aanvullende pensioenregelingen op basis van overeenkomsten niet binnen de materiële werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 148/71 vielen. Het Hof was van mening dat artikel 1, onder j de toepassing van die verordening op deze stelsels uitsluit.”.
Conclusies: 1. Het feit dat de CAO dwingend premie bijdragen oplegt maakt de CAO nog niet tot een wettelijke pensioenregeling, immers het al dan niet verbindend verklaren van een CAO is een vrijblijvende zaak voor de Minister van Sociale zaken. 2. Daarnaast is de CAO een overeenkomst tussen partijen (werkgevers en werknemers) zoals het Hof vaststelde. 3. Het recht op een wettelijk pensioen (AOW, ANW, etc) geldt voor iedereen, dit i.t.t. een aanvullend (CAO) pensioen dat slechts wordt toegekend aan hen die belanghebbenden zijn in een bedrijfstak waarvoor een bepaalde CAO algemeen verbindend is verklaard.
Consequenties: 1. Daar “Het orgaan van een Lid-Staat” slaat op “behorend bij” of “uitgaande van” die lidstaat, betekent dit, dat aanvullende pensioenen van bijv. het PGGM of het ABP (geprivatiseerd sinds enkele jaren) niet als “wettelijk pensioenen” gelden vlg. art.33. en de interpretatie van het Hof. 2. Het idee van Hoogervorst om “ het gehele wereldinkomen” als bijdrage grondslag te nemen wordt op basis van de interpretatie van het Hof aangaande het begrip “aanvullende pensioenen” wel zeer dubieus.
1. De visie van de vroegere minister Els Borst; Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3 mei 2000; 2. Brief van het Ministerie van VWS (Postbus 51) aan de heer van Esch dd. Augustus(?) 2005; 3. Brief Hoogervorst aan de Voorzitter van de Tweede Kamer n.a.v. Brief CareNed Zorgeloos Leven over verdragen met (voormalige) Koninkrijksdelen. 19 januari 2006; 4. Verplichte verdragsgerechtigdheid ZVW voor pensioengerechtigden en hun gezinsleden opnieuw aangevochten (EU landen); Bijdrage Jan de Voogd in de Monitor. 14 december 2005; 5. Antwoord van de heer Flynn namens de Commissie op schriftelijke vraag E-2701/97 van Elly Plooij-van Gorsel. 29 september 1997.
Print dit artikel
|