|
OP "Forum zorgverzekering buitenland" werd gesuggereerd 2 bezwaren mijnerzijds aan Cvz en PGGM in wijde kring te verspreiden. Bij deze: 1.) Aan PGGM: PER AANGETEKENDE POST MET HANDTEKENING RETOUR Aan de directie van het PGGM Den Haag, 30 april 2007t.a.v. Mw. mr. E. MulderKroostweg Noord 1493700CA, ZeistNederland Re. No.: 39 08 04 017 Geachte mr. Mulder, In vervolg op uw antwoord dd. 13 maart 2007, kenmerk: MULE/39.08.04.017/07-060, aangaande mijn bezwaarschrift dd. 14 januari 2007, onderwerp: Inhoudingen Zvw-bijdrage het volgende. Tijdens lezing van het verweerschrift van het PGGM ontkom ik niet aan de indruk dat bij de juridische afdeling van het PGGM de kennis aangaande de Zvw, waar het niet in Nederland wonende pensioengerechtigden betreft, slechts een zeer globale is. Wellicht is dit de reden waarom het PGGM in deze telkens terugvalt op al dan niet correcte stellingen van de overheid en haar instellingen. Node mis ik de eigen inbreng van het PGGM in deze complexe materie. N.B.: Nadrukkelijk wijs ik U erop dat de hier na volgende informatie gezien dient te worden als aanvulling op mijn bezwaarschrift dd. 14 januari 2007 en als zodanig als onlosmakelijk deel van dit bezwaarschrift dient te worden aangemerkt. Aanvullingen op mijn bezwaarschrift. Allereerst enkele opmerkingen, en informatie n.a.v. uw antwoord dd. 18 maart 2007. AWBZ:U merkt op dat:“Overigens maakt de inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ deel uit van uw Zvw-bijdrage, omdat de wettelijke regeling in uw woonland voorziet in zorg die overeenkomt met AWBZ-zorg, zodat u (ongeacht of u AWBZ-verzekerd bent) ook die zorg kunt aanvragen bij de verzekeringsinstelling in uw woonland.” Commentaar: Dit nu is apert onjuist. In Frankrijk bestaat geen zorg “voor iedereen” à la de AWBZ zorg in Nederland. Slechts voor de minst draagkrachtigen kent men in Frankrijk een (minimale) zorg die in Nederland onder AWBZ zou vallen. Allen die een inkomen hebben boven het sociale minimum kunnen geen beroep doen op deze voorzieningen anders dan deze zelf te bekostigen dan wel middels aanspraken via een aanvullende verzekering. Compensatie Zvwbijdrage:U merkt op dat:“Daarnaast wordt de door u te betalen Zvwbijdrage gecompenseerd door het corrigeren van uw nominale bijdrage, omdat de kortingsregeling die in Nederland geldt onder andere niet van toepassing is op pensioengerechtigden die woonachtig zijn in een EU-land.” Commentaar: Welke “correctie van de nominale bijdrage” en welke ”kortingsregeling” U precies bedoelt is mij volstrekt onduidelijk. Gaarne zie ik een nadere verklaring van U te gemoet. Broninhouders:U merkt op dat:“De broninhouders ontvangen van het CVZ de opdracht voor wie welke bijdrage moet worden ingehouden.”. Commentaar: 1. Het CVZ kan deze onrechtmatige opdracht wel geven, maar, § aan de inhouding door pensioenfondsen ligt geen Besluit van de zijde van CvZ ten grondslag § en evenmin een beschikking van de zijde van PGGM ten grondslag. Dat maakt de inhouding onrechtmatig (zie ook vonnis d.d. 25 april ABRS). Het PGGM is gezien het bovenstaande niet gerechtigd een dergelijk opdracht van het CVZ uit te voeren. 2. Het door U aangehaalde: “Pensioenfondsen worden door het CVZ aldus als broninhouder aangemerkt en dienen op grond van artikel 69 Zvw en artikel 6.3.2 lid 1 Regeling Zorgverzekering de Zvw-bijdrage in te houden op het uit te keren pensioen en af te dragen aan het CVZ.”, kan dan wel voor in Nederland verblijvende individuen rechtsgeldig zijn, i.h.k.v. Vo1408/71 heeft het buiten Nederland geen rechtskracht. Hierdoor ontbreekt voor U de rechtsgrond om bij niet Nederlandse inwonenden op “gezag” van het CVZ inhoudingen te doen plaatsvinden. 3. Ik houd u derhalve aansprakelijk voor onrechtmatige inhoudingen , en acht Uw verwijzing naar de autoriteit van CVZ niet relevant. Vo1408/71:U merkt op dat:“Ter beantwoording van uw brief hebben wij contact opgenomen met het CVZ. Het CVZ heeft aangegeven dat PGGM een `orgaan' is in de zin artikel 1 onder n van Vo.1408/71.". Commentaar: 1. Deze, al dien bewust manipulatieve, mededeling van het CVZ is apert onjuist. Artikel 1,o van Vo1408/71 geeft, limitatief(!), aan dat onder “bevoegd orgaan” zoals bedoeld in Art.1,n, dient te worden verstaan: i) het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, ofii) het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of één of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de Lidstaat, waarop zich dit orgaan bevindt, ofiii) het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lidstaat aangewezen orgaan, of iv) indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 4, lid 1, bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lidstaat zijn aangewezen; Geen van de onder i) t/m iv) genoemde definities van “Bevoegd orgaan” kunnen betrekking hebben op pensioenfondsen waaronder het PGGM. Hooguit zou het CVZ als zodanig kunnen fungeren indien het althans daartoe in VO1408/71 zou zijn aangewezen. U merkt op dat: “Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) is het bevoegd orgaan voor o.a. degenen die in een EU-land wonen en daar aanspraken ten laste van Nederland hebben.”. Commentaar: Het bovenstaande toont, in niet mis te verstane bewoordingen aan dat ook U van mening bent dat niet het PGGM doch misschien het CVZ gerechtigd is inhoudingen te plegen i.h.k.v. de Zvw middels het sturen van facturen aan hen die het regardeert. U merkt op dat: “Omdat PGGM op grond van artikel 69 Zvw en artikel 6.3.2 Regeling Zorgverzekering een wettelijke verplichting heeft om de verschuldigde Zvw-bijdrage in te houden en af te dragen, is PGGM volgens het CVZ belast met de uitvoering van een deel van de Nederlandse wetgeving. Daarmee valt PGGM volgens het CVZ onder de kwalificatie van `orgaan' in de zin van artikel 1 onder n van Vo.1408/71.”, Commentaar: De argumentatie van CVZ is niet deugdelijk. Doorslaggevend is of de pensioenregeling die het PGGM uitvoert een wettelijke is in de zin van Vo1408/71, niet of de inhoudingregeling van art. 69ZVW een wettelijk karakter heeft. Dit is duidelijk af te leiden uit de volgende uitspraak dd. januari 1992 van het EHvJ: "De nationale stelsels van sociale zekerheid, vastgesteld bij door de bevoegde autoriteiten met beroeps- of bedrijfstakorganisaties gesloten overeenkomsten, dan wel bij door de sociale partners ondertekende collectieve overeenkomsten ten aanzien waarvan niet een verklaring in de zin van artikel 1, sub j, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 is afgegeven, zijn geen wettelijke regelingen in de zin van de eerste alinea van dat artikel en de prestaties die zij verlenen, vallen niet binnen de materiele werkingssfeer van die verordening. Hieruit volgt, dat artikel 33 van bedoelde verordening, dat de Lidstaten verbiedt inhoudingen op de wettelijke pensioenen van gemeenschapsonderdanen te verrichten wanneer de daartegenover staande prestaties niet voor rekening van een van hun organen komen, niet kan worden tegengeworpen aan een Lidstaat die uit hoofde van de ziekte- en moederschapverzekering een bijdrage inhouden op de aanvullende pensioenen en de uitkeringen uit hoofde van vervroegd pensioen van contractuele oorsprong, betaald aan personen die in een andere Lidstaat wonen en krachtens de wetgeving van die staat recht hebben op prestaties bij ziekte." Deze uitspraak geeft aan dat voor pensioenregelingen op welke Nederland de verdragsrechtbijdrage, genoemd in art. 33 Vo1408/71, wenst in te houden een verklaring moet zijn afgegeven door de EC art. 1 sub j waardoor ze tot wettelijke regelingen in de zin van Vo1408/71 worden aangemerkt. Ook deze verklaring, als ze al afgegeven zou zijn, waarvan noch PGGM noch CVZ enige evidentie heeft gegeven, dient te voldoen aan het gestelde in art. 1 van Vo1408/71, namelijk dat de pensioenregeling op een wettelijke regeling berust Dit is niet het geval en de verwijzing van CVZ naar de wettelijke regeling die een bijdrage-inhouding regelt is blijkens onder meer het door mij aangehaalde arrest van EHvJ niet terzake. (Er is op dit terrein overigens meer jurisprudentie.),. Zoals ik al in mijn bezwaarschrift dd. 14 januari 2007 aangaf kan dit (in geval van het Nederlandse stelsel) slechts onder de voorwaarde dat er een pensioenverzekeringsplicht bij wet (niet bij cao of algemeenverbindendverklaring, dat is niet voldoende) is geregeld. Die is er in Nederland niet voor bedrijfs- beroeps- en ondernemingspensioenen. Algemeen:U merkt op dat:“Mocht u het met het voorgaande niet eens zijn, dan kunt u tegen de inhouding van de Zvwbijdrage op uw Ouderdomspensioen direct bezwaar maken bij het CVZ.”. Commentaar: Helaas kan ik uit deze opmerking niet anders opmaken dan dat U Uw eigenstandige verantwoordelijkheid ten opzichte van de bij U verzekerde clientèle geheel afschuift op het onrechtmatig, in elk geval twijfelachtige, handelen van derden. Het zou U sieren als U zoals iedere private onderneming het belang van haar cliënten zoudt laten prevaleren, in ieder geval beter zou behartigen en niet met een Jantje van leiden deze hoofdtaak te grabbel laten gooien door een dubieus opererende overheid of daarmee gelieerde instantie. Ik vraag mij overigens in alle gemoede af of het gezichtspunt "Befehl is Befehl" (van CvZ) sowieso wel een deugdelijk argument is waarachter pensioenfondsen zich kunnen verschuilen Tot zover de nadere uiteenzetting c.q. aanvulling op mijn bezwaar n.a.v. Uw antwoord dd. 18 maart 2007 op mijn bezwaarschrift van 14 januari 2007. Uitspaak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dd. 25 april 2007. Uit de uitspraken van de ABRS valt af te leiden dat er een beschikking had dienen te zijn houdende een besluit tot inhouding. Nu deze beschikking er kennelijk volgens de ABRS nog niet geweest is zijn alle inhoudingen tot nu toe onrechtmatig. Het moge zijn dat in sommige gevallen een alsnog te nemen beschikking terecht zal zijn, maar dan nog is het de vraag of deze met terugwerkende kracht mag gelden. Tot zover de aanvulling op mijn bezwaar d.d. 14 januari 2007. Voorzover nodig maak ik hierbij opnieuw bezwaar tegen Uw besluit tot inhoudingen terzake van de Zorgverzekeringswet. Tevens verlang ik van U vergoeding van gemaakte en te maken proceskosten in mijn bezwaar. Om er zeker van te zijn dat dit aanvullend bezwaarschrift U in goede orde bereikt doe ik het U zowel per aangetekende post als e-mail toekomen. In afwachting van Uw bericht, mij inmiddels alle rechten voorbehoudend, teken ik, Hoogachtend, J. Börger 1, rue Basse 55150, BrandevilleFrance e-mailadres: jan.borger@wanadoo.fr 2). Aan Cvz: AANTEKENEN MET HANDTEKENING RETOURAan het College voor zorgverzekeringen (CVZ) Brandeville, 5 mei 2007t.a.v. CVZ Team Bezwaar Buitenland Postbus 3201110AH, DiemenNederland Kenmerk: Beschikking inhoudingen Uit de uitspraken van 25 april 2007 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State valt te concluderen dat er een beschikking had dienen te zijn houdende een besluit tot inhouding. Dit houdt eveneens in dat U tot op heden geen rechtsgeldige beslissing hebt genomen toen U de, al dan niet wettelijke, pensioenorganen opdracht gaf om inhoudingen te plegen op mijn AOW en aanvullend PGGM pensioen. Uw conclusie dd.25 april 2007 dat:“De Raad van State heeft op 25 april 2007 uitspraak gedaan in de zaken over het zogenoemde 'keuzerecht' en de 'woonlandfactor'. ...... De Raad van state heeft zich hiermee niet inhoudelijk uitgesproken over het keuzerecht en de woonlandfactor. De uitspraken leiden daarom niet tot een andere werkwijze van het CVZ. “.is dan ook, al dan niet bewust, onjuist. De enig juiste conclusie is, dat, nu deze beschikking er kennelijk volgens de ABRS nog niet geweest is, alle inhoudingen tot nu toe onrechtmatig zijn. Het moge zijn dat in sommige gevallen een alsnog te nemen beschikking terecht zal zijn, maar dan wordt het de vraag of deze met terugwerkende kracht mag gelden en zelfs dan moet het CvZ maar een rekening sturen. Los van opgemelde onjuiste en bedrieglijke conclusie Uwerzijds n.a.v. de uitspraak van de ABRS blijft, dat Uw aanwijzing aan het PGGM sowieso strijdig is met EU-regelingen en uitspraken van het EHvJ. Uw, al dien bewust manipulatieve, mededeling aan het PGGM dat “Het PGGM een `orgaan' is in de zin van artikel 1 onder n van Vo.1408/71.", is namelijk apert onjuist.Artikel 1,o van Vo1408/71 geeft, limitatief(!), aan dat onder “bevoegd orgaan” zoals bedoeld in Art.1,n, dient te worden verstaan:i) het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, ofii) het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of één of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de Lidstaat, waarop zich dit orgaan bevindt, ofiii) het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lidstaat aangewezen orgaan, of iv) indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 4, lid 1, bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lidstaat zijn aangewezen;Geen van de onder i) t/m iv) genoemde definities van “Bevoegd orgaan” kunnen betrekking hebben op pensioenfondsen waaronder het PGGM. Hooguit zou het CVZ als zodanig kunnen fungeren indien het althans daartoe in VO1408/71 zou zijn aangewezen. U deelde het PGGM verder mede:“Omdat PGGM op grond van artikel 69 Zvw en artikel 6.3.2 Regeling Zorgverzekering een wettelijke verplichting heeft om de verschuldigde Zvw-bijdrage in te houden en af te dragen, is PGGM volgens het CVZ belast met de uitvoering van een deel van de Nederlandse wetgeving. Daarmee valt PGGM volgens het CVZ onder de kwalificatie van `orgaan' in de zin van artikel 1 onder n van Vo.1408/71.”,De argumentatie van CVZ is naïef en niet deugdelijk. Doorslaggevend is of de pensioenregeling die het PGGM uitvoert een wettelijke is in de zin van Vo1408/71, niet of de inhoudingregeling van art. 69ZVW een wettelijk karakter heeft. Dit is duidelijk af te leiden uit de volgende uitspraak dd. januari 1992 van het EHvJ: "De nationale stelsels van sociale zekerheid, vastgesteld bij door de bevoegde autoriteiten met beroeps- of bedrijfstakorganisaties gesloten overeenkomsten, dan wel bij door de sociale partners ondertekende collectieve overeenkomsten ten aanzien waarvan niet een verklaring in de zin van artikel 1, sub j, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 is afgegeven, zijn geen wettelijke regelingen in de zin van de eerste alinea van dat artikel en de prestaties die zij verlenen, vallen niet binnen de materiele werkingssfeer van die verordening. Hieruit volgt, dat artikel 33 van bedoelde verordening, dat de Lidstaten verbiedt inhoudingen op de wettelijke pensioenen van gemeenschapsonderdanen te verrichten wanneer de daartegenover staande prestaties niet voor rekening van een van hun organen komen, niet kan worden tegengeworpen aan een Lidstaat die uit hoofde van de ziekte- en moederschapverzekering een bijdrage inhouden op de aanvullende pensioenen en de uitkeringen uit hoofde van vervroegd pensioen van contractuele oorsprong, betaald aan personen die in een andere Lidstaat wonen en krachtens de wetgeving van die staat recht hebben op prestaties bij ziekte." (einde citaat).Deze uitspraak geeft aan dat voor pensioenregelingen op welke Nederland de verdragsrechtbijdrage, genoemd in art. 33 Vo1408/71, wenst in te houden een verklaring moet zijn afgegeven door de EC art. 1 sub j waardoor ze tot wettelijke regelingen in de zin van Vo1408/71 worden aangemerkt. Ook deze verklaring, als ze al afgegeven zou zijn, waarvan noch PGGM noch CVZ enige evidentie heeft gegeven, dient te voldoen aan het gestelde in art. 1 van Vo1408/71, namelijk dat de pensioenregeling op een wettelijke regeling berust. Dit is niet het geval en de verwijzing van CVZ naar de wettelijke regeling die een bijdrage-inhouding regelt is onder meer blijkens het door mij aangehaalde arrest van EHvJ niet terzake. (Er is op dit terrein overigens meer jurisprudentie.),.In geval van het Nederlandse stelsel kan dit slechts onder de voorwaarde dat er een pensioenverzekeringsplicht bij wet (niet bij cao of algemeenverbindendverklaring, dat is niet voldoende) is geregeld. Die is er in Nederland niet voor bedrijfs- beroeps- en ondernemingspensioenen. Tot zover mijn bedenkingen t.a.v. de rechtsgeldigheid van Uw mening aangaande de wettelijke verankering van o.a. het PGGM bij de uitvoering van de Zvw. Hierbij verzoek ik U dan ook ten aanzien van mij een aan de formele eisen voldoende beschikking te nemen, houdende een besluit tot inhouding van heffingen ter uitvoering van artikel 69 Zvw, dan wel mij te berichten dat U afziet van het doen van deze heffingen. Ik verzoek U deze beschikking binnen de termijn van één maand na heden aangetekend aan mij te doen toekomen met aanduiding van mijn bezwaar- en beroepsmogelijkheden.
Ik neem de vrijheid U te wijzen op de op 14 maart 2007 door de ABRS gedane uitspraak in de zaak 200607646, waaruit ik de volgende passage overneem:"2.5. Voor de toepasselijkheid van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is in het geval van appellant bepalend of sprake is van een wettelijke ziektekostenverzekering op grond waarvan appellant in Nederland recht heeft op verstrekkingen ten laste van Duitsland. Appellant heeft niet door overlegging van een door een Duitse zogenoemde Krankenkasse ingevuld formulier E-121 aangetoond dat hij in Duitsland verzekerd is op grond van de gesetzliche Krankenversicherung. Op basis van een door appellant vrijwillig afgesloten Pflegepflichtversicherung en een zogenoemde Krankheitskostenvollversicherung kan hij zonder een gesetzliche Krankenversicherung niet met toepassing van artikel 28 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 in Nederland in aanmerking komen voor verstrekkingen krachtens de AWBZ ten laste van Duitsland."Het moge duidelijk zijn dat het criterium voor een Duits gepensioneerde die in Nederland woont geen ander zal kunnen zijn dan dat voor een Nederlands gepensioneerde die in Duitsland (of Spanje etc.) woont. Tot slot verzoek ik bij dezen alsnog tot vergoeding van de door mij gemaakte en te maken proceskosten. Om er zeker van te zijn dat dit schrijven U in goede orde bereikt doe ik het U per aangetekende post en per e-mail (jan.borger@wanadoo.fr) toekomen.
Hoogachtend, J. Börger 1,rue Basse55150, BrandevilleFrance
|